Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:10855

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-12-2020
Datum publicatie
21-07-2021
Zaaknummer
200.229.131
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verbouwing bankgebouw tot huisartspraktijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.229.131/02

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, kantonrechter, locatie Utrecht, 2777304)

arrest van 29 december 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats1] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

hierna: [de opdrachtgever] ,

advocaat: mr. C.M. Kan

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats2] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser in conventie, verweerder in reconventie,

hierna: [de architect] ,

advocaat: mr. F.J.M. Kobossen.

1 Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

Het hof heeft in deze zaak op 19 februari 2019 een tussenarrest uitgesproken waarbij een zitting (comparitie) is bepaald. Die zitting is gehouden op 25 september 2019. Op de zitting hebben de partijen een nadere toelichting gegeven en hebben de advocaten het standpunt van de partijen toegelicht. Vervolgens hebben de partijen de procedure stilgelegd (doorgehaald). Op 12 mei 2020 heeft [de opdrachtgever] het hof bericht dat hij wil dat het hof alsnog een uitspraak zal doen.

2 De samenvatting van de zaak

2.1

[de opdrachtgever] is huisarts. Hij heeft een pand gekocht waarin voorheen een bank gevestigd was. [de opdrachtgever] wilde dat pand verbouwen zodat hij daar zijn huisartsenpraktijk in kon voortzetten. Hij is hierover geadviseerd door de heer [de adviseur1] , destijds werkzaam bij Noord Negentig Belastingadviseurs. [de opdrachtgever] heeft ook de heer [de adviseur2] , bouwkundige, ingeschakeld om een ontwerp en een plan van eisen te maken. Nadat [de adviseur2] zijn werkzaamheden had neergelegd is de heer [de architect] , architect, door [de opdrachtgever] ingeschakeld. Het pand is vervolgens verbouwd door Tebeko Trading B.V. (Bouwbedrijf Tebeko), die de bouwkundige werkzaamheden heeft uitgevoerd, en Assendorp Anno 1879 B.V. (Assendorp) die de installatiewerkzaamheden heeft uitgevoerd. [de architect] is betrokken gebleven als architect en/of bouwbegeleider.

2.2

Bouwbedrijf Tebeko, Assendorp en [de architect] hebben [de opdrachtgever] na uitvoering van de werkzaamheden gezamenlijk aangesproken omdat [de opdrachtgever] een deel van hun facturen niet had betaald. In drie afzonderlijke procedures bij de rechtbank hebben zij betaling van die facturen gevorderd. [de opdrachtgever] heeft toen in alle drie de zaken een tegenvordering ingesteld, omdat hij vond dat de werkzaamheden niet goed zijn uitgevoerd. De procedure tussen Bouwbedrijf Tebeko en [de opdrachtgever] is geschorst, vanwege het faillissement van Bouwbedrijf Tebeko. De kantonrechter heeft in twee afzonderlijke vonnissen van 2 maart 2016 de vorderingen van Assendorp en [de architect] toegewezen en de tegenvorderingen van [de opdrachtgever] afgewezen. Dit arrest gaat alleen over de zaak tussen [de opdrachtgever] en [de architect] . [de opdrachtgever] wil dat het hof de vordering van [de architect] alsnog afwijst en zijn vordering alsnog toewijst. Het hof komt tot dezelfde uitkomst als de kantonrechter en zal hierna uitleggen hoe het tot die beslissing is gekomen.

3 De uitgangspunten

3.1

In een begroting van de stichtingskosten van 26 juni 2011 zijn de totale stichtingskosten voor de verbouwing van het pand begroot op een bedrag van € 979.917 exclusief btw. In dit bedrag is opgenomen (exclusief btw): € 181.422,- voor Tebeko, € 130.245, - en € 11.166,- voor Assendorp, € 12.500,- voor bestrating en € 3.900,- voor heggen en beplanting. De totale verbouwkosten zijn daarmee begroot op € 339.233,- exclusief btw. Voor de kosten van de architect is een bedrag opgenomen van € 18.500,- , voor begeleiding en voor toezicht € 5.000,-. Ook is een post opgenomen voor controle externe architect van € 2.000,- (alles exclusief btw). De kosten van [de adviseur2] en het door [de adviseur2] ingeschakelde tekenbureau zijn ook in de begroting meegenomen.

3.2

In een e-mail van 14 juli 2011 heeft [de adviseur1] aan [de opdrachtgever] bericht:

“De hoogte van de geraamde kosten overtreft de eerder door jou en mij gemaakte inschatting. Die inschatting is gebaseerd op een maximaal te investeren som rekening houdend met de grootte van jouw patiëntenpopulatie en die van een collegapraktijk, waarvan we veronderstellen dat deze binnen een aantal jaren eveneens gebruik zal gaan maken van de faciliteiten. Ook de verhuur aan derden hebben we verwerkt destijds.

Ondanks de overschrijding adviseer ik je "in zee" te gaan met de heer [de architect] , waarbij echter nadrukkelijk de gepresenteerde getallen als absolute maxima moeten gaan en blijven gelden! Alle genoemde werkzaamheden worden door derden gedaan, althans niet door jouzelf!

Het lijkt me wijs de komende weken serieus werk te blijven maken van mogelijke kostenbesparingen.

Ook vind ik het belangrijk dat de BAG van de LHV zowel bij aanvang als bij oplevering als externe architect-controleur optreedt. Er slaat een bedrag genoemd van € 2.000. Daarbinnen zou het moeten kunnen.”

3.3

In een brief van 18 juli 2011 heeft [de architect] aan [de opdrachtgever] bericht:

“Nu uw adviseur de heer [de adviseur1] middels een e-mail d.d. 14.07.’11 zijn fiat heeft gegeven aan mijn opstelling van voorlopige stichtingskosten voor de verbouwing van het pand [adres] in [plaats] , d.d. 26.06.’11 met bijbehorende rendementsberekening d.d. 01.07.’11 beide in uw bezit, is het verstandig onze afspraken vast te leggen.

De tijd vanaf 18 april 2011 tot nu is door mij gebruikt om het gehele plan zover uit te werken dat vaste prijzen konden worden gegeven. Deze prijzen van aannemer Tebeko uit IJsselstein en installateur Assendorp uit Deventer zijn vast en als open begroting in uw bezit.

De komende drie tot vier weken zal ik gebruiken om het plan gereed te maken voor uitvoering. Werk en uitvoeringstekeningen dienen gemaakt te worden, tevens dient het nodige overlegd te worden met instanties adviseurs en onderaannemers.

Planning en prijzen zullen daar waar mogelijk aangescherpt worden.

De bij u bekende gegevens voor dit plan, zijn afgelopen maandag aan mij ter inzage gegeven, zodat ook deze gegevens zo nodig bij de uitwerking betrokken worden. Problemen of extra kosten die hieruit voort komen zullen vooraf met u besproken of opgelost worden.

Hierna wordt het gehele plan met u besproken en uitgelegd, waarna opdrachten voor de uitvoering door u gegeven kunnen worden.

Het architectenhonorarium ligt vast in de hiervoor genoemde stichtingskosten, ernstige wijzigingen daar gelaten en worden maandelijks gelang de voortgang van het werk in rekening gebracht.

Bij niet doorgaan of tussentijds annuleren wordt afgerekend volgens de stand van de werkzaamheden.

Om met de werkzaamheden, nodig voor de uitvoering, te kunnen starten verzoek ik u de eerste termijn deze week aan mij over te maken als voorschot en als betaling van de tot nu toe gedane werkzaamheden.”

3.4

Tijdens de verbouwing van het pand zijn bouwvergaderingen gehouden waarvan verslagen zijn gemaakt. In het verslag van de eerste bouwvergadering is over de ondertekening van de notulen opgenomen dat deze wordt vervangen door de zin:

“Alle aanwezigen en niet aanwezigen worden geacht akkoord te gaan met de inhoud van de

aan hen gemailde bouw- en werkbespreking verslagen, tenzij van te voren schriftelijk of op de eerstvolgende bespreking te kennen wordt gegeven dat zij niet akkoord gaan met het totaal of een gedeelte van de redactie.”

3.5

[de architect] heeft [de opdrachtgever] facturen gestuurd voor betaling van het afgesproken honorarium, verschotten en meerwerk. Hiervan heeft [de opdrachtgever] de volgende facturen niet betaald:

- 7 e termijn, verschotten, meerwerk trap en meubilering, €3.948,31, waarvan nog € 1.568,31 open staat;

- verschotten € 1.745,37;

- diverse meerwerk € 5.220,91;

- meerwerk ten behoeve van de apotheek € 3.354,75.

In totaal vordert [de architect] betaling van € 11.889,34. Over deze vordering ging de procedure in conventie bij de kantonrechter.

3.6

In een brief van 10 december 2012 heeft de advocaat van [de opdrachtgever] de vordering van [de architect] betwist en een reconventionele vordering aangekondigd. Verder heeft de advocaat van [de opdrachtgever] [de architect] in die brief (kort weergegeven) aansprakelijk gesteld voor alle schade die [de opdrachtgever] leidt door tekortkomingen van [de architect] .

3.7

In opdracht van [de opdrachtgever] heeft de Landelijke Huisartsenvereniging (LHV) een opleveringskeuring uitgevoerd. De inspectie van het pand is geweest op 25 juni 2014 en het keuringsrapport is van 27 augustus 2014. Bij de keuring is getoetst aan de eisen en

handboeken zoals die destijds door de LHV werden gepubliceerd en de wettelijke eisen zoals die volgens de LHV golden, namelijk (zie p. 6 van het rapport):

1. Handboek Bouw Praktijk (voor de huisartsenpraktijk), uitgave LHV, 2006;

2. Handboek Bouw Eerste Lijn (voor het gezondheidscentrum), uitgave LHV / LVG 2008;

3. Programma van Eisen 2010 deel B (techniek, kosten, planning);

4. bouwbesluit 2003 voor het verbouwdeel / bij te bouwen deel;

5. bouwbesluit 2012 bestaande bouw voor het gebouw in de huidige staat.

De keuring is uitgevoerd door [naam1] , adviseur b-LHV, die de algemene en visuele inspectie heeft gedaan, T. Zorn, bouwfysicus, die de interne luchtgeluidsisolatie tussen de ruimten heeft onderzocht, en Van der Heide inspecties, [naam2] , die de elektrotechnische installaties heeft onderzocht. Op pagina 30 van het rapport staat als conclusie:

“Op basis van visuele waarneming en steekproeven moeten wij concluderen dat het Medisch Centrum op onderdelen niet voldoet aan de LHV-eisen. Met name ten aanzien van privacy (geluidsisolatie), ventilatie en hygiëne zijn er tekortkomingen. […] Er zijn talrijke onderdelen waaraan het centrum niet voldoet. De meest belangrijke onderdelen zijn daarin (in willekeurige volgorde):

- gebreken aan vloerafwerkingen;

- klimaatinstallatie (verondersteld onvoldoende verwarmingsvermogen);

- onvoldoende geluidsisolatie;

- niet goed functionerende ventilatieinstallatie;

- geen medische aarding;

- geen volwaardige lift voor de verdieping.”

De LHV begroot de kosten van de benodigde aanpassingen op een bedrag tussen € 119.500,- en € 191.500 exclusief btw en exclusief de schade wegens huurderving en tijdelijke huisvesting elders.

4 De omvang van het hoger beroep

4.1

In het eindvonnis heeft de kantonrechter [de opdrachtgever] veroordeeld tot betaling van het bedrag van € 11.889,34 (zie 3.5 van dit arrest), de wettelijke rente over dat bedrag en proceskosten en de tegenvordering van [de opdrachtgever] afgewezen. [de opdrachtgever] wil dat het hof dit vonnis vernietigt, de vordering van [de architect] alsnog afwijst en zijn vordering alsnog toewijst.

4.2

[de opdrachtgever] vordert in hoger beroep kort weergegeven:

1) een verklaring voor recht dat [de architect] verwijtbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen jegens [de opdrachtgever] , althans onrechtmatig heeft gehandeld en/of nagelaten jegens [de opdrachtgever] , en deswege verplicht is de dientengevolge door [de opdrachtgever] geleden schade te vergoeden;

2) veroordeling van [de architect] tot betaling van de schade, bestaande uit de kosten van de herstelwerkzaamheden, de daardoor noodzakelijke extra huisvestingskosten en huurderving en een door het hof te bepalen bedrag wegens voortdurende hinder en overlast sinds 2012, alles voor zover aan [de architect] toerekenbaar of verwijtbaar;

3) veroordeling van [de architect] tot betaling van een bedrag van € 7.500,- exclusief btw voor buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met wettelijke rente;

4) terugbetaling van wat hij heeft betaald op grond van het vonnis van de kantonrechter, te vermeerderen met wettelijke rente;

5) veroordeling van [de architect] in de kosten van de procedure bij de kantonrechter en bij het hof, met nakosten.

4.3

In de procedure bij de kantonrechter heeft [de opdrachtgever] gesteld dat [de architect] , Assendorp en Bouwbedrijf Tebeko hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door hem gestelde schade. In hoger beroep lijkt [de opdrachtgever] dit standpunt niet langer in te nemen. Uit de formulering van zijn eis in hoger beroep leidt het hof af dat [de opdrachtgever] [de architect] nog uitsluitend aanspreekt voor de schade die aan [de architect] toerekenbaar is op grond van een tekortkoming of onrechtmatig handelen van [de architect] .

4.4

[de opdrachtgever] heeft geen grieven gericht tegen de door de kantonrechter vastgestelde feiten, behoudens hetgeen hij bij zijn eerste grief aanvoert. Ook tegen de omschrijving van het geschil heeft [de opdrachtgever] geen grieven gericht. Bij de beoordeling heeft [de opdrachtgever] alleen grieven gericht tegen overweging 4.9, 4.12 tot en met 4.19 en 4.21. Tegen de andere aan de beoordeling ten grondslag liggende overwegingen richt [de opdrachtgever] geen grief. Het hof zal van de juistheid van die overwegingen uit moeten gaan, tenzij in de stellingen van [de opdrachtgever] tegen die overwegingen op voor het Hof en [de architect] kenbare wijze een grief valt te lezen. Het hof leest niet een dergelijke in de stellingen vervatte grief tegen de overwegingen 4.2 tot en met 4.4. Daardoor staat de uitleg van de kantonrechter zoals die wordt gegeven aan de tussen partijen gemaakte afspraken vast. Kort weergegeven komt dat erop neer dat de afspraken zijn vastgelegd in de brief van 18 juli 2011, zoals [de opdrachtgever] op de comparitie bij het hof ook heeft bevestigd. Ook tegen de overwegingen 4.5 tot en met 4.10 kan het hof in de stellingen van [de architect] geen kenbare grief lezen. Dat brengt mee dat vaststaat dat [de opdrachtgever] met [de architect] meerwerk heeft afgesproken tot het in conventie door [de architect] gevorderde – en door de kantonrechter toegewezen – bedrag. De betalingsverplichting van [de architect] in conventie staat daarmee in dit hoger beroep niet ter discussie.

5 De motivering van de beslissing

5.1

[de opdrachtgever] heeft zijn eerste grief gericht tegen de weergave van de e-mail van 14 juli 2011, voor zover [de adviseur1] daarin wordt aangeduid als belastingadviseur van [de opdrachtgever] . [de opdrachtgever] erkent in de toelichting op zijn eerste grief dat [de adviseur1] wel als adviseur van [de opdrachtgever] is opgetreden. Wat daar verder ook van zij, [de opdrachtgever] heeft geen belang bij deze grief, omdat die niet tot een andere beslissing kan leiden. De eerste grief faalt daarom.

5.2

In de kern verwijt [de opdrachtgever] [de architect] dat uit het LHV rapport blijkt dat het Medisch Centrum op tal van onderdelen niet voldoet aan of gebreken vertoont op het gebied van bouwkundige eisen, werktuigbouwkundige installaties, elektrotechnische installaties en geluidsisolatie. Ook uit de conclusies en aanbevelingen in dat rapport blijkt van de talrijke vastgestelde gebreken aan het Medisch Centrum, waaronder het niet voldoen aan de LHV eisen. [de architect] had tot taak om Tebeko en Assendorp bij de uitvoering van de werkzaamheden te begeleiden, aan te sturen en te controleren. [de architect] heeft volgens [de opdrachtgever] bij de algehele begeleiding en directievoering onvoldoende zorg betracht en zich niet of te weinig gekweten van zijn taken. Aldus heeft hij niet gehandeld als een redelijk bekwaam en redelijk handelend architect. Zou hij bij zijn werkzaamheden wel de zorg van een redelijk handelend en redelijk bekwaam architect (die ook bouwbegeleiding en directievoering tot taak had) hebben betracht, dan zouden de gebreken aan het Medisch Centrum niet zijn ontstaan, dan wel tijdig zijn ontdekt en hadden Tebeko en Assendorp destijds (door [de architect] ) direct kunnen (en behoren te) worden aangesproken tot herstel van de gebreken. De handelwijze van [de architect] is volgens [de opdrachtgever] bovendien onrechtmatig jegens hem omdat [de architect] ten onrechte weigert om [de opdrachtgever] in bezit te stellen van de noodzakelijke gebouwendocumentatie. Deze verwijten heeft [de opdrachtgever] – zo begrijpt het hof zijn standpunt – nader uitgewerkt in de grieven twee tot en met zes. Het hof zal die grieven hierna bespreken.

Resultaatsverbintenis of inspanningsverbintenis met betrekking tot het budget

5.3

Met de tweede grief betoogt [de opdrachtgever] dat [de architect] een resultaatsverbintenis had om te zorgen dat de bouwwerkzaamheden binnen de door hem begrote kosten zouden worden uitgevoerd. Uiteindelijk zijn die kosten met circa € 150.000,- overschreden waarmee volgens [de opdrachtgever] vast staat dat [de architect] ernstig tekort is geschoten in zijn verplichtingen jegens [de opdrachtgever] . Voor het geval het hof oordeelt dat geen sprake was van een resultaatsverbintenis maar van een inspanningsverbintenis (die er dan volgens [de opdrachtgever] op gericht was dat de bouwwerkzaamheden zoveel mogelijk binnen het absolute maximum van € 339.233,= zouden worden uitgevoerd) stelt [de opdrachtgever] dat [de architect] ook in dat geval is tekort geschoten in zijn inspanningsverplichtingen die op grond van de overeenkomst van opdracht en in de omstandigheden van het geval van hem konden worden verlangd.

5.4

In 4.4 van dit arrest heeft het hof vastgesteld dat de afspraken tussen partijen zijn vastgesteld in de brief van 18 juli 2011. Het hof kan in die brief geen resultaatsverbintenis lezen zoals [de opdrachtgever] die stelt. Om te beginnen staat in de tweede regel van die brief dat de opstelling van de stichtingskosten de voorlopige stichtingskosten betreft. Verder staat in die brief dat de prijzen van Tebeko en Assendorp vast zijn, maar er staat ook dat extra kosten die bij de uitwerking van de plannen noodzakelijk blijken vooraf met [de opdrachtgever] worden besproken. Daaruit blijkt dat er geen sprake was van een vast totaalbudget. Daar komt nog bij dat [de architect] in lijn met de afspraken uit die brief heeft gehandeld. Het initiële budget voor de verbouwing was voor [de opdrachtgever] akkoord op € 339.233,- exclusief btw. Vervolgens zijn alle meerwerkopdrachten via de bouwvergaderingen met [de opdrachtgever] besproken en door hem geaccordeerd, inclusief de meerwerkopdracht voor de brandmeld/ontruimingsinstallatie. Vast staat dat [de architect] (ook) is opgetreden als bouwgebeleider. Naar het oordeel van het hof rust op een redelijk bekwaam en redelijk handelend bouwbegeleider de taak om het door de opdrachtgever goedgekeurde budget bij de uitvoering van de werkzaamheden te bewaken. Het hof is van oordeel dat [de architect] daaraan heeft voldaan door alle extra werkzaamheden aan [de opdrachtgever] voor te leggen en door hem te laten goedkeuren. Dat [de architect] facturen van Assendorp of Tebeko zonder enige toets ter goedkeuring aan [de opdrachtgever] voorlegde, heeft [de opdrachtgever] onvoldoende concreet toegelicht om [de architect] daarvan een verwijt te kunnen maken. Aan het bewijsaanbod onder 2 en 5 op pagina 52 van de memorie van grieven komt het hof dan niet toe. De tweede grief faalt.

De parkeerplaatsen

5.5

Met de derde grief stelt [de opdrachtgever] dat de aanleg van de parkeerplaatsen onderdeel van de opdracht aan [de architect] was.

[de opdrachtgever] stelt dat hij achteraf heeft moeten constateren dat de aanleg van de parkeerplaatsen niet in de offertes van – en opdrachtverlening aan – Tebeko of Assendorp waren begrepen. [de opdrachtgever] is daarover nooit geïnformeerd door [de architect] . Aldus is [de architect] tekort geschoten jegens [de opdrachtgever] nu hij niet als goed opdrachtnemer heeft gehandeld. Door ten onrechte geen rekening te houden met de aanleg van de parkeerplaatsen zijn deze niet binnen de opgedragen bouwwerkzaamheden aangelegd en is het werk niet compleet en deugdelijk opgeleverd. Dit geldt temeer nu de aanleg van de parkeerplaatsen voorwaarde voor de bouwergunning door de gemeente was hetgeen [de architect] wist. Vanzelfsprekend behoorde het tot de verplichtingen van [de architect] om erop toe te zien dat de parkeerplaatsen tijdig werden gerealiseerd. [de architect] heeft zulks nagelaten. Uiteindelijk heeft [de opdrachtgever] de parkeerplaatsen achteraf – na daartoe te zijn aangesproken door de gemeente – door een derde alsnog laten uitvoeren. Deze extra kosten van ongeveer € 20.000,- komen bovenop de overschrijding van het budget.

5.6

Bij de beoordeling van deze grief stelt het hof voorop dat niet kan worden vastgesteld dat [de opdrachtgever] met [de architect] heeft afgesproken dat sprake was van een vaste aanneemsom die niet mocht worden overschreden en dat [de architect] dit diende te bewaken. Zie daarvoor 4.4 en 5.4 van dit arrest. Dat er nog meerwerk mogelijk was leidt dus niet tot een tekortkoming van [de architect] of een schadevordering op hem. Uit 4.8 van het vonnis van de kantonrechter van 2 maart 2016 (waartegen [de opdrachtgever] zoals hiervoor is overwogen geen grief heeft gericht) volgt dat in het verslag van de achtste bouwvergadering is beschreven dat [de architect] extra tekeningen heeft moeten maken voor de uitbreiding van de parkeerplaatsen bij het pand en dat [de opdrachtgever] met dit meerwerk akkoord is gegaan. Dit sluit naadloos aan bij de lezing die [de architect] heeft gegeven, namelijk dat de gemeente wijzigingen wenste in het parkeerplan met uitbreiding van het aantal parkeerplaatsen tot gevolg.

[de architect] stelt dat [de opdrachtgever] hiervoor een extra stukje grond van de gemeente zou kopen. Volgens [de architect] heeft [de opdrachtgever] geen opdracht gegeven tot aanleg van de extra parkeerplaatsen aan de aannemer, omdat hij de prijs te hoog vond. In het verslag van de zesde bouwvergadering is opgenomen dat er is gesproken over de aan te leggen parkeerplaatsen, maar dat daar nog geen beslissing over is genomen. [de architect] erkent dat in het oorspronkelijke plan ook al was voorzien in parkeerplaatsen, maar hij stelt dat hij voor het tekenen van de extra parkeerplaatsen een meerwerkopdracht heeft gekregen. In hoger beroep staat die meerwerkopdracht vast. In zijn overzicht van het door hem in rekening gebrachte meerwerk, productie 21 bij de conclusie van repliek in conventie, heeft [de architect] opgenomen dat de door [de adviseur2] ingediende tekening onuitvoerbaar was. Dat er volgens [de opdrachtgever] in het door [de adviseur2] opgestelde plan al was voorzien in de aanleg van parkeerplaatsen en dat deze al in de stichtingskosten waren opgenomen is geen voldoende betwisting van het voorgaande. Dat sprake is van een ontoelaatbare budgetoverschrijding en dat [de architect] voor de kosten daarvan aansprakelijk is kan het hof op basis van de stellingen van [de opdrachtgever] niet vaststellen. Aan bewijslevering zoals door [de opdrachtgever] aangeboden in het bewijsaanbod nummer 3 op pagina 52 van de memorie van grieven komt het hof dan niet toe. Dat [de architect] bewust posten buiten de stichtingskosten heeft gelaten waardoor de begroting van de stichtingskosten onvolledig en ondeugdelijk was en geen reëel beeld gaf van de werkelijke kosten heeft [de opdrachtgever] niet voldoende toegelicht om tot een ander oordeel te kunnen leiden. [de architect] heeft namelijk verwezen naar de zogenoemde open begrotingen van Assendorp en Bouwbedrijf Tebeko, waaruit exact valt af te leiden welke werkzaamheden verricht zouden worden. [de opdrachtgever] was op de hoogte van deze stukken toen hij beide bedrijven opdracht gaf de werkzaamheden uit te voeren. In de stichtingskosten van 26 juni 2011, op basis waarvan [de adviseur1] [de opdrachtgever] heeft geadviseerd “in zee te gaan” met [de architect] , is een post opgenomen voor bestrating. Dat hiermee iets anders is bedoeld dan het (her)bestraten van de grond rondom het pand, inclusief de reeds bestaande parkeerplaatsen is niet door [de opdrachtgever] onderbouwd. [de architect] heeft er in dit verband bovendien opnieuw op gewezen dat er op aanwijzing van de gemeente extra parkeerplaatsen nodig waren, maar dat [de opdrachtgever] geen opdracht heeft gegeven voor de aanleg daarvan, omdat hij de kosten te hoog vond. Tegenover dit alles heeft [de opdrachtgever] onvoldoende gesteld. Ook aan dat bewijsaanbod (nummer 4 op pagina 52 van de memorie van grieven) gaat het hof voorbij. Grief drie faalt.

Is afgesproken dat de werkzaamheden moesten voldoen aan de LHV eisen

5.7

De vierde grief gaat over de toepasselijkheid van de LHV eisen. [de opdrachtgever] stelt dat [de architect] er bij aanvaarding van de opdracht mee bekend was dat het medisch centrum bij oplevering aan de LHV-eisen moest voldoen. Dit volgt volgens [de opdrachtgever] uit de e-mail van [de adviseur1] van 14 juli 2011 en uit het opnemen van een kostenpost hiervoor in de stichtingskosten. Op de comparitie heeft [de opdrachtgever] gesteld dat [de adviseur2] in zijn plannen de gehele opdracht compleet had gemaakt inclusief het voldoen aan de LHV-eisen. Het behoorde volgens [de opdrachtgever] tot de taak van [de architect] om erop toe te zien dat bij aanvang van de werkzaamheden een extern architect van de Bouwadviesgroep (BAG) van de LHV als controleur zou optreden. Ook bij oplevering had [de architect] erop moeten toezien dat een controle door een architect van de BAG zou plaatsvinden.

5.8

[de architect] erkent dat hij met [de adviseur1] heeft gesproken en dat het toen ook over de LHV is gegaan. [de architect] stelt dat hij in verband daarmee een post van € 2.000,- voor controle door een externe architect heeft opgenomen in de stichtingskosten. Volgens [de architect] werd het contact met de LHV onderhouden door [de adviseur2] en [de opdrachtgever] . [de architect] stelt dat hij geen taak had op dit punt. [de architect] is ervan uitgegaan dat door [de adviseur2] en [de opdrachtgever] met de LHV is afgestemd aan welke eisen het pand moest voldoen, voordat aan hem een opdracht werd verstrekt. [de architect] wijst op het verslag van de eerste bouwvergadering waar onder 1.11.3 en 1.13.2 blijkt dat er nog wijzigingen zijn doorgevoerd, op basis van contact tussen [de opdrachtgever] en zijn adviseur Korving met de LHV. De gevolgen van deze wijzigingen heeft [de architect] vervolgens uitgewerkt, maar het contact met de LHV werd door [de opdrachtgever] onderhouden. [de architect] verwijst nog naar zijn commentaar op de stukken (productie 24 bij de conclusie van repliek in conventie) waar onder punt 2 staat dat het ontwerp van de verbouwing door [de adviseur2] is gemaakt en door [de architect] alleen daar waar nodig is aangepast en waar onder punt 3 staat:

“Het door adviseur [de adviseur1] geadviseerde overleg met de LHV, wat voor zover ik kan nagaan niet bindend is, is door [de opdrachtgever] [Hof: [de opdrachtgever] ] zelf gedaan en resulteerde in advies om de achter ingang bij de kleinste spreekkamer te trekken. [de opdrachtgever] heeft mij verteld dat de LHV akkoord was met het plan.”

Wel heeft hij desgevraagd tekeningen aan de LHV ter beschikking gesteld. Ook wijst [de architect] er in dit verband op dat hem niet bekend was wie de ruimtes op de eerste verdieping zouden huren. Op de tekeningen stonden deze ruimtes aangeduid als kantoorruimtes.

5.9

Gelet op de stellingen van [de architect] staat tussen partijen niet ter discussie dat de verbouwing van het pand aan de eisen van de LHV moest voldoen. Dat betwist [de architect] niet voldoende en bovendien heeft hij geen incidenteel hoger beroep ingesteld tegen 4.14 van het eindvonnis van 2 maart 2016 waarin de kantonrechter overweegt: “Hieruit kan worden afgeleid dat [de architect] wel op de hoogte is geweest van de normen van LHV, waaraan het pand diende te voldoen.” Ook erkent [de architect] dat hij wist dat een controle op die eisen door een externe architect moest plaatsvinden. De bewijsaanbiedingen die [de opdrachtgever] doet onder nummer 6 en 7 op pagina 52 van de memorie van grieven zijn daarom niet ter zake doend. [de opdrachtgever] stelt dat [de adviseur2] vrijwel al het nodige voorwerk heeft gedaan, inclusief ontwerp tekeningen, vergunningsaanvragen, berekeningen, begrotingen, budget en offertes (zie punt 11 van de memorie van grieven) en dat [de architect] de bij [de opdrachtgever] bekende gegevens heeft gekregen en het plan heeft uitgewerkt en gereed gemaakt voor uitvoering (zie pagina 40 van de memorie van grieven en de opdrachtbevestiging van 18 juli 2011). Tijdens de comparitie heeft [de opdrachtgever] daaraan toegevoegd dat [de adviseur2] contact heeft gehad met de LHV en een compleet plan heeft opgesteld, dat voldeed aan de eisen van de LHV. Vast staat dat in de opdrachtbevestiging van 18 juli 2011 geen afzonderlijke verplichting voor [de architect] is opgenomen om er voor te zorgen dat de werkzaamheden aan de eisen van de LHV zouden voldoen. Onder deze omstandigheden had het op de weg van [de opdrachtgever] gelegen meer te onderbouwen waarom hij stelt dat het tot de taak van [de architect] behoorde toe te zien op naleving van de LHV-eisen en zorg te dragen voor de controle door een externe architect bij aanvang van de werkzaamheden en bij oplevering. Meer in het bijzonder had [de opdrachtgever] moeten uitleggen waarom [de architect] er niet vanuit mocht gaan dat [de adviseur2] al met de LHV had afgestemd dat aan hun eisen werd voldaan, zoals [de opdrachtgever] zelf heeft verklaard op de comparitie, en dat het verdere contact met de LHV door [de opdrachtgever] werd onderhouden. Hoewel het hof van oordeel is dat van een redelijk bekwaam en redelijk handelend bouwbegeleider in beginsel verwacht mag worden dat hij bij de opdrachtgever navraagt of de opdrachtgever voldoende contact onderhoudt met de LHV en voldoende actie onderneemt om te zorgen dat aan de LHV eisen wordt voldaan, bestond er voor [de architect] onder de geschetste omstandigheden minder aanleiding om dat te doen. Hij hoorde van [de opdrachtgever] op de bouwvergadering immers de terugkoppeling van dat contact en mocht ervan uitgaan dat dit daarmee geborgd was. Bovendien heeft [de opdrachtgever] op de comparitie erkend dat [de architect] desgevraagd zijn tekeningen aan de LHV heeft gegeven. En zelfs als [de architect] hier in enige mate is tekortgeschoten, heeft [de opdrachtgever] gelet op de verdeling van de werkzaamheden tussen [de adviseur2] , [de architect] en hemzelf onvoldoende gesteld om te kunnen oordelen dat van de aanpassingskosten zoals door de LHV is vastgesteld enig deel het gevolg is van de tekortkoming van [de architect] . In dat verband is ook nog van belang dat onderdelen van die aanpassingskosten werkzaamheden betreffen die niet zijn geoffreerd en die dus ook indien deze direct bij de verbouwing waren uitgevoerd tot extra kosten zouden hebben geleid. Waarom dat ten titel van schade door [de architect] moet worden betaald, heeft [de opdrachtgever] niet toegelicht. Aan het bewijsaanbod onder nummer 1 op pagina 51 van de memorie van grieven komt het hof niet toe. De vierde grief faalt ook.

De geluidsisolatie, klimaatinstallatie en de ventilatieinstallatie

5.10

Bij de vijfde grief stelt [de opdrachtgever] dat [de architect] aansprakelijk is voor de schade als gevolg van tekortkomingen aan geluidsisolatie, klimaatinstallatie en ventilatieinstallatie, zoals uitvoerig toegelicht in het LHV rapport. [de opdrachtgever] verwijt [de architect] ook dat een automatische brandmeldinstallatie met optische doormelders is aangelegd, terwijl die niet noodzakelijk was.

5.11

Het hof zal eerst de schade als gevolg van tekortkomingen aan de geluidsisolatie, klimaatinstallatie en ventilatieinstallatie beoordelen. [de opdrachtgever] stelt hierover dat [de architect] zich onvoldoende van zijn taken heeft gekweten, de tekenwerkzaamheden en begeleiding onvoldoende heeft verzorgd en onvoldoende zorg heeft gedragen voor controle van de werkzaamheden bij aanvang en bij oplevering door een extern architect van de BAG van de LHV. Dit laatste aspect heeft het hof al beoordeeld bij de bespreking van de vierde grief. Het hof verwijst daarnaar. Ter onderbouwing van de gestelde tekortkomingen aan de geluidsisolatie, klimaatinstallatie en ventilatieinstallatie verwijst [de opdrachtgever] naar het LHV-rapport. Voor zover de LHV gebreken constateert omdat niet is voldaan aan de LHV-eisen, volgt uit de beoordeling van de vierde grief dat daarmee nog geen sprake is van een tekortkoming van [de architect] . Waarom [de opdrachtgever] vindt dat dit op deze onderdelen anders is, stelt hij niet. Welk concreet verwijt hij [de architect] maakt ten aanzien van de geluidsisolatie, de klimaatinstallatie of de ventilatieinstallatie heeft hij niet gesteld. Vast staat dat [de architect] als architect de tekeningen maakte voor de aanpassingen die nog nodig waren en overigens als bouwbegeleider optrad. [de opdrachtgever] heeft niet voldoende concreet gesteld dat de genoemde gebreken in de isolatie en installaties veroorzaakt zijn door een fout in het door [de architect] verrichte tekenwerk, noch dat sprake was van een fout in het werk van [de adviseur2] waarvoor [de architect] had moeten waarschuwen. Ook is niet gesteld dat de geleverde isolatie en installaties niet voldoen aan wat in de offertes is vermeld. Ten slotte heeft [de opdrachtgever] niet gesteld in welk opzicht [de architect] ten aanzien van deze gestelde gebreken in zijn rol als bouwbegeleider tekort is geschoten, anders dan dat niet aan de LHV-eisen is voldaan. De opstelling van de gebreken waarvan [de opdrachtgever] bewijs aanbiedt in punt 1 op pagina 51 van de memorie van grieven lijkt te zijn ingegeven door zijn – inmiddels verlaten – standpunt dat [de architect] hoofdelijk aansprakelijk is voor alle gebreken die bij de uitvoering van de werkzaamheden door hem, Bouwbedrijf Tebeko of Assendorp zijn veroorzaakt. Wat daar ook van zij, bij gebrek aan voldoende concrete onderbouwing van zijn stellingen komt het hof niet toe aan bewijslevering. Grief vijf faalt in zoverre.

De brandmeldinstallatie

5.12

[de opdrachtgever] erkent dat hij voor de brandmeld/ontruimingsinstallatie een meerwerkovereenkomst heeft gesloten met Assendorp. [de opdrachtgever] stelt dat hem achteraf is gebleken dat er geen wettelijke verplichting of noodzaak was om een dergelijke installatie aan te leggen. [de opdrachtgever] verwijst hiervoor in noot 63 op pagina 45 van zijn memorie van grieven naar productie 11 bij de conclusie van antwoord in de procedure bij de kantonrechter. Die productie is een offerte van Ouwehand Bouw Gorinchem B.V. aan [de adviseur2] van 9 mei 2011. Zonder nadere toelichting kan het hof niet afleiden waarom die productie op dit onderdeel van belang is. Volgens [de opdrachtgever] hebben ook de brandweer en een medewerker van het bedrijf dat de installatie heeft geleverd dit bevestigd. De installatie is dus volgens [de opdrachtgever] onnodig aangebracht en [de architect] had Assendorp moeten weerhouden van het aanbrengen van deze installatie en [de opdrachtgever] moeten waarschuwen. Zou [de architect] [de opdrachtgever] hebben gewaarschuwd, dan zou [de opdrachtgever] de installatie niet hebben laten aanbrengen. Aldus heeft [de architect] niet gehandeld als een redelijk bekwaam en redelijk handelend architect/bouwbegeleider en is hij tekortgeschoten in zijn verplichtingen.

5.13

[de architect] stelt in punt 48 van de memorie van antwoord dat de ontruimingsinstallatie oorspronkelijk niet noodzakelijk was, omdat de verdieping een afzonderlijke opgang had. In de offerte van Assendorp van 21 juni 2011 wordt een dergelijke installatie ook niet aangeboden. De installatie behoort dus niet tot het initieel aangenomen werk. Tijdens de verbouwingswerkzaamheden heeft [de opdrachtgever] het plan aanmerkelijk gewijzigd en is er inpandig een geheel nieuwe trapopgang gerealiseerd. Daardoor werd een ontruimingsinstallatie op grond van het Bouwbesluit wel noodzakelijk.

5.14

Het hof heeft op de comparitie de standpunten van de partijen besproken. [de opdrachtgever] heeft toen verklaard dat de brandweer bij de eerste inspectie aangaf dat de brandmeldinstallatie niet in orde was. Bij een tweede inspectie was het vervolgens wel in orde. Volgens de verklaring van [de opdrachtgever] heeft [naam3] hem toen hij er recht op de man af naar vroeg gezegd dat de installatie eigenlijk niet nodig was, ook niet met de nieuwe trap. Tijdens de comparitie heeft [de architect] juist verklaard dat volgens [naam3] de installatie die is aangebracht wel noodzakelijk was. [de opdrachtgever] heeft op pagina 53 van zijn memorie van grieven onder nummer 11 bewijs aangeboden van zijn stelling “dat de door Assendorp in het Medisch Centrum aangebrachte automatische brandmeld/ontruimingsinstallatie met optische doormelders niet verplicht en niet noodzakelijk is en [de architect] [de opdrachtgever] hierover onjuist heeft geadviseerd althans zijn waarschuwingsplicht heeft geschonden” Uit de toelichting op de grief blijkt dat [de opdrachtgever] stelt dat [de architect] op dit gebied deskundig is en daarom Assendorp had moeten tegenhouden en [de opdrachtgever] moeten waarschuwen. Daargelaten de vraag of de aanleg van een brandmeldinstallatie, hoewel wellicht niet verplicht, niet toch wenselijk of verstandig kan zijn, geldt dat [de opdrachtgever] niet heeft uitgelegd waarom [de architect] op dit specifieke gebied deskundig is. Naar het oordeel van het hof kan van een redelijk bekwaam en redelijk handelend bouwbegeleider wel enige kennis worden verwacht op het gebied van de regelgeving rond brandmeld/ontruimingsinstallaties, maar een bouwbegeleider is geen specialist op dit gebied. In het verslag van de eerste bouwvergadering van 8 december 2011 is onder 1.14.4 opgenomen: “Een ontwerp voor de ontruimingsinstallatie wordt aangevraagd, eis Gem. en brandweer”. Waarom [de architect] niet mocht afgaan op de deskundige kennis van Assendorp als installateur van het systeem en op deze opmerking in het verslag van de eerste bouwvergadering, heeft [de opdrachtgever] niet toegelicht. Ook op dit onderdeel heeft [de opdrachtgever] niet aan zijn stelplicht voldaan, zodat aan bewijslevering niet wordt toegekomen. De vijfde grief kan ook op dit onderdeel niet slagen.

De gebouwendocumentatie

5.15

In de zesde grief stelt [de opdrachtgever] dat [de architect] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. Dit gaat volgens [de opdrachtgever] met name om de weigering van [de architect] om tekeningen en specificaties van aangebrachte installaties, leidingenwerk, bedradingen, etc., aan [de opdrachtgever] te verstrekken (de zogenoemde gebouwendocumentatie). Indien en voor zover de hiervoor genoemde documentatie niet (geheel) in bezit is van [de architect] (maar bijvoorbeeld wel bij Assendorp en/of Tebeko) dan geldt dat [de architect] onvoldoende heeft ondernomen om te bewerkstelligen althans te bevorderen dat de betreffende documenten aan [de opdrachtgever] ter beschikking zijn gesteld.

5.16

[de architect] wijst erop dat hij als productie 27 bij de conclusie van dupliek in reconventie een lijst van alle door hem vervaardigde tekeningen heeft overgelegd. Alle tekeningen zijn afzonderlijk genummerd. Volgens [de architect] heeft [de opdrachtgever] steeds direct een afdruk ontvangen. Gelet op deze zeer gespecificeerde opgave, had het op de weg van [de opdrachtgever] gelegen gemotiveerd aan te geven welke tekeningen van dat overzicht hij nog niet eerder zou hebben ontvangen. [de architect] wijst er ook terecht op dat [de opdrachtgever] een bestaand pand heeft verkocht en laten verbouwen. Tekeningen en documentatie die bij het bestaande, niet verbouwde deel behoren kan [de architect] niet verschaffen en had [de opdrachtgever] van de vorige eigenaar moeten krijgen. Tot de opdracht van [de architect] heeft blijkens de opdrachtbevestiging van 18 juli 2011 niet behoord dat [de architect] het gehele bestaande gebouw zou documenteren. [de opdrachtgever] stelt terecht dat een bouwbegeleider een taak heeft om te bewerkstelligen dat de ingeschakelde aannemers de benodigde tekeningen en specificaties aan de opdrachtgever verschaffen. In welk opzicht [de architect] daarin is tekortgeschoten heeft [de opdrachtgever] echter niet gesteld, laat staan dat hij heeft toegelicht waarom het handelen of nalaten van [de architect] op dit punt onrechtmatig jegens [de opdrachtgever] zou zijn. Dit laatste geldt nog meer voor tekeningen die oorspronkelijk zijn gemaakt door [de adviseur2] , het door [de adviseur2] ingeschakelde tekenbureau en de door [de adviseur2] ingeschakelde constructeur. Voor afdrukken daarvan dient [de opdrachtgever] zich desgewenst tot [de adviseur2] te richten. Bij deze stand van zaken komt het hof niet toe aan het bewijsaanbod dat [de opdrachtgever] onder punt 8 en punt 9 op pagina 53 van de memorie van grieven heeft gedaan. Grief zes faalt.

5.17

De zevende grief mist zelfstandige betekenis en hoeft niet te worden besproken.

[de opdrachtgever] heeft in punt 12 op pagina 53 van de memorie van grieven nog aangeboden de hoogte van de schade te bewijzen, maar daaraan komt het hof gelet op het bovenstaande niet toe. Op diezelfde pagina onder punt 10 biedt [de opdrachtgever] nog te bewijzen aan dat [de architect] op geen enkele wijze heeft bevorderd of getracht te bevorderen dat Installateur Assendorp een onderhoudscontract voor de installaties aan [de opdrachtgever] zou aanbieden. Het is het hof uit de memorie van grieven niet duidelijk in welk verband [de opdrachtgever] dit bewijsaanbod doet. [de opdrachtgever] heeft niet gesteld dat Assendorp een contractuele verplichting had om een onderhoudscontract aan te bieden. [de architect] had als bouwbegeleider dan geen taak om te controleren of te bewerkstelligen dat deze verplichting werd nageleefd. Mogelijk bedoelt [de opdrachtgever] dat tot de taak van de bouwbegeleider behoort om de opdrachtgever te wijzen op de noodzaak onderhoudscontracten voor de geleverde installaties af te sluiten. Waarom het onrechtmatig zou zijn dat [de architect] hier geen actie op heeft ondernomen heeft [de opdrachtgever] niet gesteld. Ook aan dat bewijsaanbod gaat het hof voorbij.

6 De slotsom

De grieven falen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Omdat [de opdrachtgever] in hoger beroep in het ongelijk wordt gesteld, zal het hof hem in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Die kosten zullen worden vastgesteld op € 314,- voor griffierecht en op € 6.322,- voor salaris advocaat (twee punten volgens tarief V van het liquidatietarief).

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

Bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, kantonrechter, locatie Utrecht, van 2 maart 2016;

veroordeelt [de opdrachtgever] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [de architect] vastgesteld op € 314,- voor verschotten en op € 6.322,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.C. Haasnoot, C. Hoogland en P.E. de Kort, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 29 december 2020.