Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:10837

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-12-2020
Datum publicatie
31-12-2020
Zaaknummer
200.276.528
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging gezag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2021-0004
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.276.528

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 475823)

beschikking van 29 december 2020

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. C.M. Lattman-van der Heijde te Amsterdam,

en

raad voor de kinderbescherming,

gevestigd te Utrecht,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.


Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

de gecertificeerde instelling
stichting Samen Veilig Midden-Nederland,

gevestigd te Utrecht,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI,

[de moeder] ,

wonende op een geheim adres,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. S. Vermeulen te Culenborg.

Als informant zijn aangemerkt:

[de gezinshuisouders] ,

wonende te [B] ,

verder te noemen: de gezinshuisouders van [de minderjarige1] .

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 3 januari 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 3 april 2020;

- het verweerschrift van de raad;

- een journaalbericht van mr. Lattman-van der Heijde van 6 november 2020 met productie;

- een journaalbericht van mr. Lattman-van der Heijde van 9 november 2020 met producties.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 19 november 2020 plaatsgevonden. Deze vond gelijktijdig plaats met de mondelinge behandeling in de zaak met het nummer 200.276.758.

De vader en de moeder zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad is de heer [C] verschenen. Namens de GI is mevrouw [D] verschenen. Als informanten zijn verschenen de gezinshuisouders van [de minderjarige1] , te weten de heer en mevrouw [de gezinshuisouders] . In verband met de gelijktijdige mondelinge behandeling van de zaak met nummer 200.276.758 zijn de pleegouders van na te melden [de minderjarige2] en [de minderjarige3] met instemming van partijen en toestemming van het hof ook bij deze zaak aanwezig.

3 De feiten

3.1

Uit de inmiddels beëindigde relatie van de vader en de moeder zijn geboren:

- [de minderjarige1] (hierna: [de minderjarige1] ), [in] 2009 te [E] ;

- [de minderjarige2] (hierna: [de minderjarige2] ), [in] 2015 te [E] ;

- [de minderjarige3] (hierna: [de minderjarige3] ), [in] 2017 te [E] .

3.2

Bij beschikking van 25 april 2017 heeft de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland de kinderen, op verzoek van de raad, voorlopig onder toezicht gesteld van de GI tot 25 juli 2017. Bij beschikking van 24 juli 2017 zijn de kinderen onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar, welke termijn laatstelijk is verlengd bij beschikking van 19 juni 2019 tot 24 juni 2020.

3.3

Bij beschikking van 28 april 2017 heeft de kinderrechter de GI gemachtigd de kinderen uit huis te plaatsen voor de termijn van een jaar, welke uithuisplaatsing laatstelijk is verlengd tot 24 juni 2020.

3.4

[de minderjarige1] verbleef vanaf de zomer van 2017 bij zijn overgrootmoeder en hij is op 18 augustus 2017 overgeplaatst naar het pleeggezin van de heer en mevrouw [F] . Hij verblijft sinds 17 juli 2020 in het gezinshuis [de gezinshuisouders] van de heer en mevrouw [de gezinshuisouders] .

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, op verzoek van de raad, het gezag van de vader over [de minderjarige1] beëindigd.

4.2

De vader is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grief ziet op de beëindiging van het gezag van de vader over [de minderjarige1] .

De vader verzoekt het hof de betreden beschikking te vernietigen, naar het hof begrijpt, voor zover deze betrekking heeft op het gezag van de vader over [de minderjarige1] , en, opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de raad tot beëindiging van het gezag van de vader over [de minderjarige1] , af te wijzen.

Ter zitting heeft de vader zijn verzoek aangevuld met een subsidiar verzoek om een onderzoek te gelasten naar een mogelijke terugplaatsing van [de minderjarige1] bij de vader.

4.3

De raad voert verweer en hij verzoekt het door de vader ingediende hoger beroep af te wijzen met bekrachtiging van de bestreden beschikking.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

5.2

Gelet op het bepaalde in de artikelen 3 en 20 van het Verdrag inzake de rechten van het kind overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief.

5.3

Het blijk geven van duurzame bereidheid van de ouder(s) om het kind in het pleeggezin waar het verblijft te laten opgroeien dient in de beoordeling te worden betrokken, maar staat – gelet op het belang van het kind bij stabiliteit en continuïteit in zijn opvoedingssituatie – niet (zonder meer) in de weg aan beëindiging van het gezag.

5.4

De vader voert aan dat de aanvaardbare termijn voor [de minderjarige1] nog niet is verstreken, te meer niet omdat [de minderjarige1] recent in een gezinshuis is geplaatst.

Daarbij stelt de vader dat hij zijn leven een positieve wending heeft gegeven en dat hij inmiddels zaken op orde heeft; hij heeft woonruimte, een partner en een baan. De vader zou ernaar willen toewerken – met de nodige aanvullende hulpverlening – [de minderjarige1] op termijn zelf te kunnen opvoeden in zijn nieuwe gezin. In deze opvoeding zal ook aandacht zijn voor het islamitische geloof van [de minderjarige1] . Dat is nu niet zo; in het pleeggezin wordt hij christelijk opgevoed.

Er is sinds kort frequent contact tussen de vader en [de minderjarige1] en dat gaat goed.

De vader is tot het achtste levensjaar van [de minderjarige1] zijn primaire opvoeder geweest. De vader is bereid, als [de minderjarige1] bij hem komt wonen, zijn medewerking te verlenen aan een omgangsregeling tussen [de minderjarige1] en de moeder.

5.5

De raad voert aan dat [de minderjarige1] – en zijn broertjes – zeven jaar lang zijn opgegroeid in een onveilige situatie vanwege de gebrekkige capaciteiten van de ouders en hun eigen problematiek. [de minderjarige1] is hierdoor ernstig getraumatiseerd en heeft nog steeds intensieve hulp hiervoor nodig.

Na de uithuisplaatsing is de situatie van de kinderen gestabiliseerd; hun perspectief ligt niet meer bij de ouders. De aanvaardbare termijn is al lang verstreken; de kinderen hebben baat bij duidelijkheid en zekerheid van een opvoedsituatie die hen de benodigde rust en stabiliteit biedt.

De vader kan een rol behouden in het leven van [de minderjarige1] en daarbij ook aandacht bestreden aan het geloof. [de minderjarige1] is gebaat bij het opbouwen van goed contact met de vader op afstand.

5.6

De moeder voert aan dat de kinderen op een goede plek zitten maar dat zij graag de mogelijkheid open wil houden dat ze in de toekomst bij hun overgrootmoeder of bij haar worden geplaatst. De moeder vindt dat [de minderjarige1] het recht op gezinsleven wordt ontnomen omdat hij ook bij één van de ouders zou kunnen verblijven.

5.7

De GI stelt dat het perspectief van [de minderjarige1] bij de gezinshuisouders ligt. De voormalige pleegouders van [de minderjarige1] bieden thans eenmaal per maand weekendpleegzorg.

[de minderjarige1] is ernstig getraumatiseerd en heeft veel zorg nodig. In het gezinshuis komen momenteel de trauma’s van [de minderjarige1] naar boven. De trauma’s maken [de minderjarige1] onrustig en staan op de voorgrond, waardoor [de minderjarige1] traumabehandeling nodig heeft voordat hij goed kan aarden in het gezinshuis.

[de minderjarige1] heeft één op één aandacht nodig. Indien hij alleen wordt gelaten zet hij andere kinderen aan tot negatief gedrag. De GI heeft veel zorgen over de ontwikkeling van [de minderjarige1] . Op school verloopt het niet vlekkeloos.

5.8

De gezinshuisouders van [de minderjarige1] geven aan dat zij [de minderjarige1] veel begeleiding bieden en daarvoor ook geschoold zijn. De kracht van het gezinshuis is de professionaliteit en het gezinsleven. [de minderjarige1] is nog aan het wennen in het gezinshuis. Hij kan langdurig in het gezinshuis blijven. Over het algemeen gaat het goed met hem. [de minderjarige1] heeft voortdurend toezicht nodig. Hoewel het christelijk geloof wordt beleden in het gezinshuis realiseren de gezinshuisouders zich dat de islamitische afkomst van [de minderjarige1] een deel van zijn identiteit is en houden zij daar rekening mee.

5.9

De pleegouders van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] voeren aan dat zij in [de minderjarige2] wat van het gedrag van [de minderjarige1] herkennen. [de minderjarige3] heeft minder dan [de minderjarige2] en [de minderjarige1] meegekregen van het verleden, omdat hij ten tijde van de uithuisplaatsing nog erg jong was. De pleegouders van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] hebben nauw contact gehad met de pleegouders van [de minderjarige1] en thans met de gezinshuisouders van [de minderjarige1] . De kinderen hebben onderling ook regelmatig contact met elkaar.

De pleegouders van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] belijden geen bepaald geloof maar respecteren de wens van de ouders dat de kinderen geen varkensvlees eten.

De pleegouders van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] zijn een perspectiefbiedend pleeggezin.

5.10

Het hof is evenals de rechtbank en op dezelfde gronden, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke vereisten voor beëindiging van het gezag. Het hof overweegt ter aanvulling daarop dat het feit dat [de minderjarige1] afgelopen zomer is overgeplaatst naar het gezinshuis van de familie [de gezinshuisouders] niet betekent dat de aanvaardbare termijn voor hem nog niet is verstreken. Hij is al ruim drie jaren uit huis en is in het verleden in de thuissituatie ernstig beschadigd geraakt waardoor hij thans nog kampt met ernstige gedragsproblematiek en behoefte heeft aan intensieve hulpverlening. Het pleeggezin van [de minderjarige1] was niet voldoende toegerust om met zijn problematiek om te blijven gaan; de problematiek van [de minderjarige1] blijkt een professionele opvoeding te vergen. Deze opvoeding krijgt hij thans in het gespecialiseerde gezinshuis van de familie [de gezinshuisouders] . Naar het oordeel van het hof is [de minderjarige1] daarbij het meest gebaat en heeft [de minderjarige1] thans duidelijkheid en zekerheid nodig over zijn opvoedingsperspectief. Buiten kijf staat dat het gezinshuis waar [de minderjarige1] verblijft perspectief biedend is.

5.11

Het hof heeft oog voor de positieve ontwikkeling die de vader de afgelopen periode heeft doorgemaakt. De vader lijkt zijn leven op orde te hebben, echter deze situatie is nog pril. Gelet op wat hiervoor is overwogen, geeft deze situatie het hof geen aanleiding onderzoek te gelasten naar de mogelijkheden voor een terugplaatsing van [de minderjarige1] bij de vader. Het belang van [de minderjarige1] verzet zich tegen een dergelijk onderzoek omdat dat voor [de minderjarige1] onrust en onzekerheid zal veroorzaken en hij op dit moment juist zeer gebaat is bij rust en stabiliteit, zoals blijkt uit hetgeen is overwogen onder 5.10.

Het hof acht wel in het belang van [de minderjarige1] – en [de minderjarige2] en [de minderjarige3] – dat zij contact met de vader – en hun halfzusje – blijven houden en dat wordt bekeken welke mogelijkheden er zijn om het contact – weliswaar op afstand – te structureren.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 3 januari 2020, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen,

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.G.M.T. Weijers-van der Marck, R. Feunekes en R. Krijger, bijgestaan door mr. L.J.G. Scheffer-Overbeek als griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter getekend door mr. R. Feunekes en is op 29 december 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.