Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:10832

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-12-2020
Datum publicatie
04-01-2021
Zaaknummer
21-002173-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Jeugdstrafrecht. Veroordeling voor bedreiging met zware mishandeling en handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie tot een werkstraf voor de duur van 60 uren, waarvan 30 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002173-20

Uitspraak d.d.: 28 december 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel van 23 juni 2020 met parketnummer 08-262050-19 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 16 december 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde tot een werkstraf voor de duur van 60 uren, waarvan 30 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. C. Verrillo, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De kinderrechter in de rechtbank Overijssel heeft verdachte op 23 juni 2020 veroordeeld ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 60 uren met een proeftijd van 1 jaar en met oplegging van bijzondere voorwaarden.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een deels andere bewezenverklaring, kwalificatie en strafoplegging komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 7 juli 2019 te [plaats] , gemeente [gemeente] [benadeelde partij] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een mes te houden naar en/of in de richting van die [benadeelde partij] ;


2.
hij op of omstreeks 7 juli 2019 te [plaats] , gemeente [gemeente] een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een mes zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en/of de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen heeft gedragen.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Verdachte heeft blijkens het proces-verbaal van bevindingen, de getuigenverklaringen en zijn eigen verklaring bij de politie op 7 juli 2019 een opengeklapt mes dreigend gehouden in de richting van [benadeelde partij] . Daarmee heeft hij zich schuldig gemaakt aan het onder 1 tenlastegelegde. Gelet op de aard van het voorwerp en de omstandigheden waaronder het opengeklapte mes dreigend in de richting van [benadeelde partij] is gehouden, heeft verdachte zich ook schuldig gemaakt aan het dragen van een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ter terechtzitting van het hof aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 tenlastegelegde en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Verdachte heeft het mes die avond wel aan [benadeelde partij] getoond, maar het mes was destijds gesloten en niet geopend. Daar komt bij dat verdachte het mes heeft getoond, omdat hij naar eigen zeggen bang was voor de personen die hem op dat moment omringden. Hij stond alleen tegenover deze mensen en was bang dat als hij zich zou omdraaien, zij hem zouden aanvallen. Uit angst heeft hij het mes getoond om hen weg te jagen. Het opzet op het bedreigen had verdachte derhalve niet.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze hieronder worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.

Bedreiging (feit 1)

Het Hof stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging met zware mishandeling is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht. Daarbij is niet vereist dat de bedreiging in het concrete geval op de bedreigde een zodanige indruk heeft gemaakt dat werkelijke vrees is opgewekt en de bedreigde zich in zijn vrijheid belemmerd achtte.

Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.1

Uit de aangifte van [benadeelde partij] blijkt het volgende. Op zondag 7 juli 2019 zat hij omstreeks 05:10 uur op een bankje naast restaurant [naam1] op de [adres1] in [plaats] . Hij zag dat een viertal jongens een woordenwisseling kregen met een Nederlands uitziende jongen en hij dacht dat deze woordenwisseling uit de hand zou lopen, want de Nederlandse jongen werd aangeduwd door een van de Turks uitziende jongens die iets kleiner was, een gezet postuur had en een blauwe spijkerbroek en een zwart T-shirt droeg. Aangever kwam tussen beiden. Hij hoorde dat de jongen tegen hem riep: ‘een tegen een’ en op datzelfde moment zag aangever dat de jongen een mes uit zijn broekzak pakte en in zijn rechterhand had. Aangever zag dat het een stiletto was met een zwart/blauw handvat en een lichtblauw lemmet. Hij schatte het lemmet op zo’n 12 centimeter lang en 3 centimeter breed. Aangever zag dat de jongen met de punt van het mes in zijn richting wees en tegen hem riep: ‘wat wil je nou, kom maar.’2

Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant1] en [verbalisant2] blijkt het volgende. Op zondag 7 juli 2019 waren zij omstreeks 05:20 uur op het marktplein in [plaats] . Voor de [naam1] werden de verbalisanten aangesproken door [benadeelde partij] die verdachte [verdachte] aanwees als de dader van de bedreiging. Deze bedreiging zou kracht zijn bijgezet door het tonen van en dreigen met een dun langwerpig mes met een opvallend blauw lemmet.

Verder sprak verbalisant [verbalisant1] met getuige [getuige1] . Die verklaarde dat hij ter hoogte van de [naam1] een groepje ‘Turks/Marokkaanse’ jongens was gepasseerd die direct de confrontatie hadden opgezocht. Hierbij had een van deze jongens een mes getrokken en was dreigend voor [getuige1] gaan staan. [getuige1] verklaarde dat de ter plaatse aangehouden verdachte [verdachte] de persoon was die hem bedreigd had. Desgevraagd verklaarde [getuige1] aan de verbalisanten dat hij uit angst voor represailles geen aangifte tegen hem durfde te doen.

Verder sprak verbalisant [verbalisant1] met getuige [getuige2] die verklaarde dat zij zag dat een viertal getinte jongens de confrontatie opzocht met aangever [benadeelde partij] en getuige [getuige1] . In het begin zou de groep, in het bijzonder de later blijkende verdachte [verdachte] , de confrontatie met getuige [getuige1] hebben opgezocht. [getuige2] verklaarde dat zij getracht had de personen te scheiden. Daarbij werd zij geholpen door aangever [benadeelde partij] . Hierbij was er door een van de getinte jongens een dun mes getrokken. Deze persoon had vervolgens met dit mes voor getuige [getuige1] en aangever [benadeelde partij] gestaan. [getuige2] beschreef de persoon die gedreigd had met het mes als een getinte jongen, zichtbaar dikker en kleiner dan de andere personen en gekleed in een zwart T-shirt en een blauwe spijkerbroek. Het mes zou een dun langwerpig mes zijn geweest. Verbalisant [verbalisant1] zag dat het signalement dat getuige [getuige2] gaf op dat moment alleen van toepassing was op verdachte [verdachte] .3

Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant3] blijkt het volgende. Verbalisant [verbalisant3] onderzocht het aangetroffen mes. Het betreft een Mtech zakmes welke je handmatig moet uitklappen. Het mes is zwart, heeft gaten, is van metaal en heeft een totale lengte van 22,5 cm. Het mes is geschikt om mee te steken en derhalve is dit mes geschikt om mee te dreigen en/of om er letsel aan personen mee toe te brengen. Gelet op de aard van het voorwerp en/of de omstandigheden waaronder dit mes werd aangetroffen is verbalisant [verbalisant3] van mening dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat dit voorwerp, gelet op de omstandigheden, bestemd is om letsel aan personen toe te brengen of om mee te dreigen. Het voorwerp valt niet onder één van de andere categorieën van de Wet wapens en munitie. Derhalve is dit voorwerp een wapen in de zin van artikel 2, lid 1, categorie IV onder 7 van de Wet wapens en munitie.4 Op de bij het proces-verbaal van bevindingen bijgevoegde foto van het mes is te zien dat het lemmet smal, spits toelopend en blauwkleurig is.

Gelet op het voorgaande stelt het hof vast dat verdachte in een gespannen situatie het scherpe mes in een opengeklapte toestand en op korte afstand aan [benadeelde partij] heeft getoond en het mes met het blauwkleurig lemmet dreigend in de richting van [benadeelde partij] heeft gehouden. Daarmee hecht het hof geen geloof aan de lezing van verdachte, die ter terechtzitting van het hof heeft verklaard dat hij het mes niet heeft opengeklapt. Deze lezing van verdachte vindt weerlegging in de hierboven genoemde feiten en omstandigheden. Dat – zoals verdachte suggereert – de aangever en de getuigen die tegenover de politie hebben verklaard over een blauwkleurig dan wel een gekleurd mes dit hebben verklaard, omdat zij de kleuring van het lemmet waarschijnlijk zagen door de gaatjes in het handvat van het mes en dús in ingeklapte toestand, acht het hof volstrekt onaannemelijk, nu het handvat ook in een groot gedeelte van verdachtes hand was gelegen en bovendien aangever en ook een getuige hebben verklaard over een ‘dun langwerpig mes’, hetgeen alleen zichtbaar en waarneembaar is voor omstanders in opengeklapte toestand.

Gelet op de omstandigheid waarin en de wijze waarop het mes aan aangever is getoond, kon bij de bedreigde in redelijkheid de vrees ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. Het hof is op grond hiervan van oordeel dat de aard van de tenlastegelegde gedraging van de verdachte in de gegeven omstandigheden een bedreiging met zware mishandeling van [benadeelde partij] oplevert.

Het hof komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde.

Overtreding van de Wet wapens en munitie (feit 2)

Het hof verwijst naar het hiervoor genoemde ten aanzien van de relevante feiten en omstandigheden, berustend op de aldaar genoemde bewijsmiddelen. Verdachte heeft in een gespannen situatie op straat in het uitgaanscentrum van [plaats] het scherpe mes in een opengeklapte toestand en op korte afstand aan [benadeelde partij] getoond en het mes dreigend in de richting van [benadeelde partij] gehouden. Op grond van het voorgaande blijkt dat het mes, gelet op de aard van het voorwerp, namelijk een mes met een smal, scherp lemmet en de voornoemde omstandigheden waaronder dit is aangetroffen, een voorwerp is waarvan, gelet op zijn aard en de omstandigheden waaronder zij is aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij is bestemd om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen en dat het niet onder een van de andere categorieën van de Wet wapens en munitie valt. Door dit mes te dragen, heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 27 van de Wet wapens en munitie.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 7 juli 2019 te [plaats] , gemeente [gemeente] [benadeelde partij] heeft bedreigd met zware mishandeling, door een mes te houden in de richting van die [benadeelde partij] ;


2.
hij op 7 juli 2019 te [plaats] , gemeente [gemeente] een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een mes, zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen, heeft gedragen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

bedreiging met zware mishandeling.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met zware mishandeling door een uitgeklapt mes te houden in de richting van het slachtoffer. Door zijn gedrag heeft verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor de lichamelijke integriteit van anderen. Een dergelijk delict veroorzaakt bovendien gevoelens van angst en onveiligheid, dit te meer nu verdachte het mes in het uitgaansleven van [plaats] heeft getoond ten overstaan van meerdere mensen. Verder heeft verdachte zich gelijktijdig schuldig gemaakt aan het dragen van een wapen waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het is bestemd om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen. Het is een feit van algemene bekendheid dat het ongecontroleerde bezit en/of dragen van wapens, niet in het minst steekwapens, een gevaar vormt voor de openbare orde en lichamelijke integriteit van personen.

In het voordeel van verdachte weegt het hof mee dat verdachte niet eerder en ook niet sinds het plegen van onderhavige feiten in aanraking is gekomen met justitie.

Het hof neemt als vertrekpunt de oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken met betrekking tot artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht. Dat betekent in het onderhavige geval een taakstraf vanaf 60 uren. Ten aanzien van artikel 27 van de Wet wapens en munitie bestaat op dit moment geen oriëntatiepunt. Evenwel geeft het oriëntatiepunt ten aanzien van artikel 26 van de Wet wapens en munitie met betrekking tot het voorhanden hebben van een steekwapen als oriëntatiepunt een taakstraf voor de duur van 30 uren. Gelet op het hieronder genoemde ziet het hof aanleiding om in strafmatigende zin af te wijken van deze oriëntatiepunten.

Het hof houdt voorts rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die blijken uit het dossier, in het bijzonder de rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) van 9 januari 2020, 26 februari 2020 en 9 december 2020, en zoals die tijdens het onderzoek ter terechtzitting van het hof zijn besproken.

Van belang is dat de rapporteurs van de Raad in het begin van dit jaar schreven dat verdachte voorafgaand aan het delict buitensporig veel alcohol heeft gedronken, waardoor zijn grenzen mogelijk zijn vervaagd. Dit veroorzaakt, in combinatie met het bij verdachte vastgestelde posttraumatisch stresssyndroom (PTSS), een groot risico op agressief gedrag. De Raad was van mening dat er middels inzet van jeugdreclasseringsbegeleiding van een half jaar, gewerkt moest worden aan de domeinen waarover zorgen waren, zodat de kans op herhaling verkleind wordt en verdachte duidelijke externe sturing ervaart om niet opnieuw in de problemen te komen. De Raad achtte het van belang dat verdachte een startkwalificatie haalt, dan wel een positieve dagbesteding heeft en dat zijn dag- en nachtritme weer adequaat verloopt. Ook achtte de Raad het van belang dat hij behandeld wordt voor zijn PTSS, omdat de kans op herhaling van een geweldsdelict bij chronische PTSS vergroot is. Derhalve adviseerde Raad in eerste instantie een voorwaardelijke werkstraf met jeugdreclasseringsbegeleiding en bijzondere voorwaarden.

Het rapport van 9 december 2020 en de verklaring van de reclasseringswerker dhr. [naam2] ter terechtzitting van het hof van 16 december 2020 luiden inmiddels anders. De Raad constateert dat het ten aanzien van het vorige raadsonderzoek een stuk beter gaat met verdachte op alle leefgebieden. Zowel thuis als op school gedraagt hij zich netjes. Hij heeft daarnaast een adequate dagbesteding doordat hij naar school en stage gaat. Verdachte zit beter in zijn vel en is minder snel geïrriteerd. Ook de wijziging van zijn medicatie lijkt een positief effect te hebben. Het feit blijft dat verdachte nog geen behandeling heeft gehad voor zijn PTSS. Door de positieve ontwikkelingen, kan de Raad zich echter voorstellen dat dit op dit moment gezien de draaglast en draagkracht van verdachte niet wenselijk is. De Raad is van mening dat, in tegenstelling tot het eerdere rapport, de inzet van jeugdreclasseringsbegeleiding momenteel niet meer gewenst is. Verdachte heeft intussen bijna anderhalf jaar de tijd gehad om te bewijzen dat hij na de vorige verdenking niet opnieuw met de politie in aanraking komt. Ook heeft hij sinds het vorige raadsonderzoek laten zien dat hij zelf de zorgen op de verschillende leefgebieden heeft kunnen wegnemen. Inzet van jeugdreclasseringsbegeleiding zal op dit moment een tegengesteld effect kunnen bereiken, door de enorme weerstand van verdachte hiertegen. Indien het Hof oordeelt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging, is de Raad van mening dat verdachte hiervoor wel een strafrechtelijke consequentie moet krijgen.

Alles afwegend is het hof van oordeel dat – gelet op de aard en de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan – niet kan worden volstaan met een geheel voorwaardelijke taakstraf. Oplegging van een deels onvoorwaardelijke taakstraf is noodzakelijk vanuit het oogpunt van normhandhaving en ter vergelding van de door verdachte begane delicten. Zoals gezegd is het noodzakelijk dat verdachte de consequenties ervaart van zijn handelen, zodat hij doordrongen is van het feit dat hij niet nogmaals (soortgelijke) strafbare feiten moet plegen. Om verdachte echter te stimuleren niet opnieuw strafbare feiten te plegen zal het hof een gedeelte van de straf in voorwaardelijke vorm opleggen. Het hof ziet geen aanleiding om daaraan bijzondere voorwaarden te verbinden, gelet op het voornoemde advies van de Raad. Daarbij merkt het hof op dat verdachte zich merkbaar positief heeft ontwikkeld en dat het hof van verdachte verwacht dat hij deze positieve ontwikkeling doorzet. Gezien deze ontwikkelingen bestaat aanleiding de proeftijd te bepalen op 1 jaar.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 77a, 77g, 77h, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z en 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 27 en 54 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen jeugddetentie.

Bepaalt dat een gedeelte van de werkstraf, groot 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen jeugddetentie, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 1 (één) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr. E.M.J. Brink, voorzitter,

mr. L.J. Bosch en mr. J.A.A.M. van Veen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van D. Janssen, griffier,

en op 28 december 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 In de hierna te melden bewijsmiddelen wordt telkens verwezen naar de bijlagen van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL0600-2019300073, gesloten en getekend op 5 november 2019 door [verbalisant4] , hoofdagent van politie eenheid Oost-Nederland.

2 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte van 7 juli 2019, voor zover inhoudende de verklaring van [benadeelde partij] , opgenomen op pagina 3 e.v. van het voornoemde proces-verbaal.

3 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 7 juli 2019, voor zover inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant1] en [verbalisant2] , opgenomen op pagina 5 e.v., van het voornoemde proces-verbaal.

4 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 7 juli 2019, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant3] , opgenomen op pagina 9 e.v. van het voornoemde proces-verbaal.