Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:1083

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-02-2020
Datum publicatie
14-02-2020
Zaaknummer
200.245.999/02
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht afgewezen, omdat verzoeker daarbij geen voldoende belang heeft zoals bedoeld in artikel 3:303 BW en het verzoek strijdig is met een goede procesorde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.245.999/02

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 6492610)

beschikking van 11 februari 2020

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verzoekster,

verder te noemen: [verzoekster],

advocaat: mr. J. Biemond, kantoorhoudend te ‘s-Gravenhage,

en

[verweerster] ,

wonende te [B] ,

verweerster,

verder te noemen: [verweerster],

advocaat: mr. L.H. Haarsma, kantoorhoudend te Paterswolde.

1 Het procesverloop

1.1.

[verzoekster] heeft tijdens het door haar aanhangig gemaakte hoger beroep (hierna: de bodemprocedure) tegen het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van 15 mei 2018 (zaaknummer 6492610), bij verzoekschrift, met producties, ingekomen ter griffie op 30 november 2018, verzocht om met betrekking tot de in het verzoekschrift omschreven feiten en omstandigheden een voorlopig deskundigenbericht te bevelen.

1.2.

Bij verweerschrift, met producties, ingekomen ter griffie op 28 januari 2019, heeft [verweerster] geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring dan wel tot afwijzing van het verzoek, met veroordeling van [verzoekster] tot betaling van de kosten van het geding.

1.3.

De gecombineerde mondelinge behandeling in de bodemprocedure en onderhavige rekestprocedure heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2019. Het proces-verbaal van die zitting bevindt zich bij de stukken.

2 De feiten

2.1.

Het gaat in deze zaak in het kort om het volgende.

2.2.

[verzoekster] heeft, in het kader van een met [verweerster] gesloten overeenkomst, op

19 september 2010 het paard [C] aan [verweerster] afgegeven. Tussen partijen is een geschil ontstaan over de strekking van die overeenkomst.

2.3.

De rechtbank Leeuwarden heeft bij vonnis van 15 augustus 2012 de overeenkomst ontbonden en [verweerster] veroordeeld het paard en zijn paspoort af te geven aan [verzoekster] . [verweerster] heeft aan dat vonnis voldaan.

2.4.

Bij arrest van dit hof van 27 mei 2014 is genoemd vonnis vernietigd. Het hof heeft geoordeeld dat de overeenkomst een huurkoopovereenkomst is, waarbij de eigendom van het paard overgaat nadat alle 48 termijnen van € 150,- (in totaal € 7.200,-) zijn voldaan. Het hof heeft [verzoekster] veroordeeld het paard en zijn paspoort aan [verweerster] af te geven.

2.5

Het arrest is in kracht van gewijsde gegaan. [verzoekster] heeft daar niet aan voldaan, maar heeft het paard vanaf augustus 2012 onder zich gehouden.

2.6

Tijdens zijn verblijf bij [verzoekster] is het paard in 2013 ten val gekomen en is daarbij bekneld geraakt, met letsel tot gevolg.

2.7

Op 6 januari 2017 heeft de politie het paard in beslag genomen en geretourneerd aan [verweerster] . [verzoekster] heeft vervolgens een procedure aanhangig gemaakt bij de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, locatie Leeuwarden. Daarin vorderde [verzoekster] onder meer (een verklaring voor recht) dat de huurkoopovereenkomst is of wordt ontbonden onder afgifte van het paard en zijn paspoort, althans dat [verweerster] wordt veroordeeld tot betaling van het restant van de huurkoopsom ad € 4.500,-. Als verweer voerde [verweerster] onder meer aan dat betaling in redelijkheid niet van haar gevergd kan worden omdat het paard ten gevolge van het ongeval in de periode dat het in de macht van [verzoekster] was, met € 5.000,- in waarde is verminderd. [verweerster] vorderde in reconventie een verklaring voor recht dat zij eigenaar is van het paard en dat [verzoekster] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de huurkoopovereenkomst en onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, en veroordeling van [verzoekster] tot betaling van € 7.150,- aan schadevergoeding wegens waardevermindering van het paard.

2.8

De kantonrechter heeft bij eindvonnis van 15 mei 2018 de vorderingen van [verzoekster] afgewezen en heeft in reconventie voor recht verklaard dat [verweerster] eigenaar is geworden van het paard [C] , en heeft daarbij geoordeeld, mede op basis van een tweetal door [verweerster] in het geding gebrachte bevindingen van paardendierenartsen, geoordeeld dat de waardevermindering van het paard € 5.000,- bedraagt.

2.9

[verzoekster] is tegen voornoemd eindvonnis in hoger beroep gegaan. Het hoger beroep is bij het hof geregistreerd onder nummer 200.245.999/01. Op de rol van 27 november 2018 heeft [verzoekster] de memorie van grieven genomen.

2 .10

Op 30 november 2018 heeft [verzoekster] onderhavig verzoekschrift ingediend.

3debeoordeling

3.1

[verzoekster] verzoekt het hof een deskundige te benoemen, die onderzoek zou moeten doen en rapporteren in een voorlopig deskundigenbericht over de in het verzoekschrift verwoorde vragen:

  • -

    Welke objectieve waarde had het paard [C] in augustus 2012, toen het paard in de macht van [verzoekster] kwam;

  • -

    Welke objectieve waarde had het paard [C] in januari 2017, toen het paard in de macht van [verweerster] kwam;

  • -

    Waardoor en in welke mate wordt de objectieve waarde per januari 2017 beïnvloed door natuurlijke veroudering van het paard, rekening houdend met het ras van het paard, de bouw en typische raskenmerken;

  • -

    Waardoor en in welke mate wordt de objectieve waarde per januari 2017 beïnvloed door aanwezige medische klachten of – problemen bij het paard, welke een uitvloeisel zijn van een kennelijk bij het paard aanwezige aanleg of pre-dispositie.

3.2.

Hiertoe voert [verzoekster] aan dat de door de rechtbank in eerste aanleg vastgestelde waardevermindering berust op verklaringen van door [verweerster] aangewezen personen, waarbij onbekend is hoe de aan hen verstrekte opdracht luidde. Aangezien [verweerster] [verzoekster] thans belet om alsnog een tegenonderzoek uit te laten voeren, meent [verzoekster] dat zij er recht op heeft en belang bij heeft dat het hof een voorlopig deskundigenbericht beveelt.

3.3

Tijdens een reeds aanhangig geding kan een voorlopig deskundigenbericht op verzoek van een partij worden bevolen (art. 202 lid 2 Rv). Een voorlopig deskundigenonderzoek kan ertoe dienen een partij de mogelijkheid te verschaffen aan de hand van het uit te brengen deskundigenbericht zekerheid te verkrijgen omtrent de voor de beslissing van het geschil relevante feiten en omstandigheden en aldus beter te kunnen beoordelen of het raadzaam is de procedure voort te zetten.

3.4

De rechter moet een verzoek tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht in beginsel toewijzen, mits het daartoe strekkende verzoek ter zake dienend en voldoende concreet is en feiten betreft die met het deskundigenonderzoek bewezen kunnen worden (zie onder meer HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:482). Dit is echter anders indien de rechter op grond van in zijn beslissing te vermelden feiten en omstandigheden van oordeel is dat het verzoek in strijd is met een goede procesorde, dat van de bevoegdheid toepassing van dit middel te verlangen, misbruik wordt gemaakt - bijvoorbeeld omdat verzoeker wegens onevenredigheid van de over en weer betrokken belangen in redelijkheid niet tot het uitoefenen van die bevoegdheid kan worden toegelaten - of dat het verzoek moet afstuiten op een ander door de rechter zwaarwichtig geoordeeld bezwaar (HR 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8610).

3.5

Naar het oordeel van het hof dient het verzoek te worden afgewezen, omdat [verzoekster] daarbij geen voldoende belang heeft zoals bedoeld in artikel 3:303 BW en het verzoek ook strijdig is met een goede procesorde (vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11 april 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:7156). Het hof overweegt hiertoe het volgende.

3.6.

In de bodemprocedure in hoger beroep heeft [verzoekster] op de rol van 27 november 2018 haar memorie van grieven genomen. Daarin heeft zij haar standpunt in hoger beroep reeds gepresenteerd. Gelet op de in de rechtspraak van de Hoge Raad ontwikkelde "in beginsel strakke regel" kon [verzoekster] vervolgens daarna in beginsel geen nieuwe rechtsgronden tegen het bestreden vonnis meer aanvoeren. Om die reden heeft [verzoekster] thans bij haar verzoek, wat zij pas heeft gedaan op 30 november 2018, derhalve na het nemen van de memorie van grieven, geen voldoende belang (meer) als bedoeld in artikel 3:303 BW. Ook zou de beslissing in de bodemprocedure de nodige vertraging oplopen wanneer nu nog op een voorlopig deskundigenbericht zou moeten worden gewacht. Het verzoek is daarmee ook in strijd met een goede procesorde.

3.7

Het dient derhalve aan de kamer die de zaak in de bodemprocedure behandelt te worden gelaten om te beoordelen of zij zonder verdere bewijslevering tot een beslissing kan komen, dan wel dat zij aan één der partijen een bewijsopdracht wil verstrekken of voorlichting door middel van een nader deskundigenbericht noodzakelijk acht. De stelling van [verzoekster] dat de kantonrechter zijn oordeel heeft gebaseerd op de bevindingen van partijdeskundigen is in ieder geval van onvoldoende gewicht om [verzoekster] in dit stadium van de procedure tot bewijslevering door middel van een voorlopig deskundigenbericht toe te laten.

3.8

De slotsom luidt dan ook dat het verzoek tot het gelasten van een voorlopig deskundigenonderzoek zal worden afgewezen. [verzoekster] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van deze verzoekschriftprocedure. Deze worden tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] vastgesteld op € 1.074,- (salaris advocaat: 1 punt in tarief II).

4 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

wijst het verzoek af;

veroordeelt [verzoekster] in de kosten van [verweerster] , tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 1.074,-, en verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. S.E. Vlaanderen-Schüttenhelm, K.M. Makkinga en M.M.A. Wind, bijgestaan door de griffier, en is op 11 februari 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.