Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:10807

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-12-2020
Datum publicatie
28-12-2020
Zaaknummer
TBS P20/0284
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Artikel 359, zevende lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat als de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, het vonnis dit onder opgave van redenen aangeeft. In de rechtspraak over deze bepaling wordt het belang van de rechtszekerheid benadrukt. De voorwaarden waaraan een rechtmatige vrijheidsberoving dient te voldoen moeten duidelijk zijn omschreven en de wijze waarop zij worden toegepast moet in redelijkheid voorzienbaar zijn. Dat brengt mee dat het oordeel van de opleggingsrechter omtrent de vraag of de maatregel is opgelegd ter zake van een geweldsmisdrijf, beslissend is voor de vraag of de maatregel vatbaar is voor verlenging door de verlengingsrechter.

In dit geval heeft het gerechtshof Den Haag in zijn arrest van 18 april 2018 bij de oplegging expliciet overwogen dat de totale duur van de maatregel met verpleging van overheidswege een periode van vier jaren niet te boven kan gaan. Daarbij heeft het hof Den Haag gemotiveerd waarom het in deze zaak tot deze vaststelling is gekomen. De verlengingsrechter is dan ook niet meer bevoegd over dit punt te oordelen. Daaraan doet niet af dat het arrest van het gerechtshof Den Haag innerlijk tegenstrijdig is. Het gerechtshof Den Haag stelt immers ook expliciet vast dat de maatregel wel degelijk is opgelegd voor misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Vanwege voornoemd belang van de rechtszekerheid acht de penitentiaire kamer in het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden doorslaggevend dat het gerechtshof Den Haag expliciet heeft overwogen dat de totale duur van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege de periode van vier jaar niet te boven kan gaan. De penitentiaire kamer in het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden komt daarom tot de conclusie dat de maatregel in dit geval in duur is gemaximeerd in de zin van artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2021/154
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

TBS P20/0284

Beslissing d.d. 17 december 2020

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[Naam terbeschikkinggestelde] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,

verblijvende in [de kliniek] .

Het beroep is ingesteld tegen de beslissingen van de rechtbank Rotterdam van 1 mei 2020 en 27 juli 2020, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar.

Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:

  • -

    het arrest van het gerechtshof Den Haag van 18 april 2018, waarbij de terbeschikkinggestelde met bevel tot verpleging van overheidswege is opgelegd;

  • -

    de processen-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;

  • -

    de tussenbeslissing van 1 mei 2020 en eindbeslissing van 27 juli 2020 waarvan beroep;

  • -

    de akte van beroep van de officier van justitie van 6 augustus 2020;

  • -

    de appelschriftuur van de officier van justitie van 19 augustus 2020;

  • -

    de aanvullende informatie van [de kliniek] van 11 september 2020, met als bijlage de wettelijke aantekeningen van 18 februari 2020 tot en met 6 september 2019;

  • -

    de aanvullende informatie van [de kliniek] van 1 december 2020;

  • -

    de ter zitting van 3 december 2020 door de advocaat-generaal aan het hof overgelegde brief van de Divisie Individuele Zaken (DIZ) van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, gedateerd 25 mei 2018;

  • -

    de ter zitting van 3 december 2020 door de advocaat-generaal voorgelezen aantekeningen van zijn requisitoir die als bijlage bij deze beslissing zijn gevoegd.

Het hof heeft ter zitting van 3 december 2020 gehoord de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.J. Lieftink, advocaat te Huizen, en de advocaat-generaal, mr. R. Segerink.

Overwegingen:

Het standpunt van de terbeschikkinggestelde en zijn raadsman

De terbeschikkingestelde is het eens met de beslissing van de rechtbank. Hij heeft zich inmiddels bereid verklaard mee te werken aan de behandeling. Hij wil aan zichzelf werken en aantonen dat hij geen gevaar voor de maatschappij vormt. Hij maakt zich zorgen over de gevolgen van de beslissing van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) om zijn Nederlandse nationaliteit in te trekken en hem uit te zetten naar zijn geboorteland Turkije. Tegen deze beslissing is heeft hij beroep ingesteld. De raadsman heeft bepleit de beslissing van de rechtbank tot verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van één jaar te bevestigen.

Voorts heeft de terbeschikkinggestelde zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de totale duur van de terbeschikkingstelling is gemaximeerd tot een periode van vier jaren. Daarbij heeft de raadsman uiteengezet dat hij na het arrest van het gerechtshof Den Haag van 18 april 2018 overleg heeft gehad met de advocaat-generaal over het al dan niet instellen van cassatieberoep door het Openbaar Ministerie tegen dit arrest. De advocaat-generaal heeft hem gezegd dat er namens het openbaar ministerie geen cassatieberoep tegen dit arrest zou worden ingesteld, waarop de raadsman het namens de terbeschikkinggestelde cassatieberoep direct heeft ingetrokken.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het hoger beroep van het Openbaar Ministerie is vooral gericht tegen de overweging van de rechtbank in haar tussenbeslissing van 1 mei 2020 dat de maatregel is gemaximeerd, dat wil zeggen dat totale duur van de maatregel een periode van vier jaar niet te boven gaat. Het gerechtshof Den Haag heeft op dit punt als opleggingsrechter op 18 april 2018 een tegenstrijdig arrest gewezen, zodat er voor de rechter die dient te beslissen over de verlenging van de maatregel, ruimte bestaat hierover een eigen oordeel te vormen. Het gerechtshof Den Haag heeft in het arrest van 18 april 2018 expliciet en voldoende gemotiveerd vastgesteld dat de terbeschikkinggestelde wordt veroordeeld voor een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, kort gezegd, een geweldsdelict. Vervolgens heeft het gerechtshof Den Haag expliciet overwogen dat de maatregel – gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval – de duur van vier jaren niet te boven gaat. Naar aanleiding van dit arrest heeft de advocaat-generaal binnen het Openbaar Ministerie overleg gepleegd, met als uitkomst dat de maximale duur van de terbeschikkingstelling in ieder geval aan de orde zou worden gesteld bij de eerste verlengingsprocedure – omdat dat volgens de toen nog geldende jurisprudentie van de penitentiaire kamer ook nog door de verlengingsrechter kon worden beoordeeld – en dat er geen cassatieberoep zou worden ingesteld omdat het openbaar ministerie het wel eens was met het dictum, inhoudende de oplegging van de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege.

De advocaat-generaal heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de terbeschikkinggestelde niet is gemaximeerd en dient te worden verlengd met een termijn van twee jaren. Subsidiair heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot bevestiging van de verlengingsbeslissing van de rechtbank.

Het oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist de terbeschikkingstelling te verlengen met een termijn van één jaar. Daarom zal de beslissing, waarvan beroep met overneming van die gronden worden bevestigd, met aanvulling van het volgende.

Het arrest van het gerechtshof Den Haag van 18 april 2018

Het gerechtshof heeft aan de terbeschikkinggestelde een gevangenisstraf opgelegd van dertig maanden en de maatregel van terbeschikkingstelling, met het bevel dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

De terbeschikkinggestelde is veroordeeld voor onder andere de eendaadse samenloop van enerzijds zich opzettelijk inlichtingen verschaffen en zich kennis verwerven tot het plegen van een terroristisch misdrijf en anderzijds met het oogmerk om opzettelijk brandstichten en/of ontploffingen teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft, en/of moord en/of doodslag, telkens te begaan met een terroristisch oogmerk, voor te bereiden, zich inlichtingen verschaffen en trachten te verschaffen en voorwerpen voorhanden hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf.

Verder overweegt het hof als volgt.

“Uit de Rapportage pro Justitia. van 28 augustus 2017 [van het PBC], waarin de onderzoeksbevindingen en de daaruit getrokken conclusies zijn weergegeven, blijkt het volgende (…)

Het huidige intelligentieonderzoek bevestigt de eerder gestelde verstandelijke beperking en ook de eerder gestelde PDD-NOS is nog steeds aanwezig (…)

De onderzoekers concluderen verder dat er sprake is van een verhoogde kans op herhaling van gewelddadig gedrag bij de verdachte en dat er slechts een beperkt aantal protectieve factoren zijn. De beperkingen van de verdachte zullen levenslang aanwezig blijven en kunnen niet worden genezen door behandeling noch door medicatie (…) Teneinde het recidivegevaar te verlagen zal er moeten worden gezocht naar een passende, invoelende begeleiding die hem kan helpen met resocialiseren binnen de maatschappij, hem begeleidt naar een deradicaliseringsprogramma en passend werk (…) Daarnaast zal de verdachte uiteindelijk moeten worden geplaatst binnen een passende beschermde woonvorm (voor mensen met een verstandelijke beperking en autisme), waarbij er meer zicht en toezicht op hem kan zijn, gecombineerd met een langere periode van (zo mogelijk elektronisch) toezicht. Een klinische opname achten onderzoekers niet geïndiceerd, aangezien de verdachte geen behandeling maar begeleiding nodig heeft en een opname naar de mening van de onderzoekers het recidiverisico niet verlaagt, zeker aangezien de verdachte nog steeds niet erg groepsgeschikt is (…)

Het hof is ten aanzien van het advies van het PBC dat de verdachte moet worden geplaatst binnen een beschermde woonvorm voor mensen met een verstandelijke beperking en autisme waarbij intensieve en langdurige begeleiding wordt geboden, van oordeel dat deze voorwaarde strikt noodzakelijk is in de situatie dat de verdachte in vrijheid is gesteld.

Het hof stelt vast dat de door de reclassering in hoger beroep voorgestelde begeleiding onverminderd niet overeenkomt met dit advies van het PBC en de begeleiding die het PBC voor ogen stond bij het schrijven van dat advies. Het hof overweegt in dit verband dat er naar aanleiding van het vonnis van de rechtbank geen voorbereidingen zijn getroffen ter uitvoering van de (dadelijk uitvoerbaar bevolen) bijzondere voorwaarde dat de verdachte - kortgezegd - verplicht is te verblijven in een passende beschermde woonvorm voor mensen met een verstandelijke beperking en autisme, een voorwaarde waarvan het hof – zoals hierboven reeds aangegeven – van oordeel is dat deze strikt noodzakelijk is.

Het hof is dan ook van oordeel dat het ontbreken van intensieve en langdurige hulpverlening in een gespecialiseerde setting in de weg staat aan het opleggen van voorwaarden aan de verdachte in het kader van een voorwaardelijk strafdeel dan wel in het kader van een terbeschikkingstelling.

Het hof is van oordeel dat onder de hiervoor genoemde omstandigheden en gegeven het hoge recidive risico, geen andere mogelijkheid resteert dan dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen, het gelasten van de maatregel van tbs met verpleging van overheidswege eist (…)

Het hof stelt tot slot vast dat de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten misdrijven betreffen, gericht tegen of gevaar veroorzakend voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 4 jaren

of meer is gesteld, waarmee aan die voorwaarden voor het opleggen van de maatregel van tbs is voldaan.

In dit specifieke geval strekt de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege ertoe de verdachte te doen plaatsen binnen een beschermde woonvorm voor mensen met een verstandelijke beperking en autisme waarbij intensieve en langdurige begeleiding wordt geboden. Deze bijzondere omstandigheden hebben het hof ertoe gebracht voor wat betreft de duur van de terbeschikkingstelling niet de redenen op te geven waarop

gedoeld wordt in artikel 359 lid 7 van het Wetboek van Strafvordering. Dit brengt mee dat de totale duur van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege de periode van vier jaar niet te boven kan gaan.”

Dit arrest is onherroepelijk geworden. Het Openbaar Ministerie heeft geen beroep in cassatie ingesteld. Gelet hierop heeft de terbeschikkinggestelde zijn eerder ingestelde cassatieberoep weer ingetrokken.

De maximale duur van de terbeschikkingstelling

In het geval dat de rechter die de maatregel heeft opgelegd overeenkomstig artikel 359, zevende lid, van het Wetboek van Strafvordering onder opgave van redenen heeft overwogen dat de maatregel wel of niet is opgelegd ter zake van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaak voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, heeft de verlengingsrechter niet meer de bevoegdheid zich opnieuw over deze vraag uit te laten (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 mei 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:4678 en Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2 juli 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:5395).

In dit geval heeft het gerechtshof Den Haag in zijn arrest van 18 april 2018 bij de oplegging expliciet overwogen dat de totale duur van de maatregel met verpleging van overheidswege een periode van vier jaren niet te boven kan gaan. Daarbij heeft het hof Den Haag gemotiveerd waarom het in deze zaak tot deze vaststelling is gekomen. De verlengingsrechter is dan ook niet meer bevoegd over dit punt te oordelen.

Daaraan doet niet af dat het arrest van het gerechtshof Den Haag innerlijk tegenstrijdig is. Het hof Den Haag stelt immers ook expliciet vast dat de maatregel wel degelijk is opgelegd voor misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Het hof Den Haag lijkt het mogelijk te achten om ondanks de feitelijke en juridische vaststelling dat sprake is van een geweldsmisdrijf, toch te bepalen dat de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege gemaximeerd is op vier jaren. Voor deze opvatting lijkt geen grondslag te zijn in het recht, maar het is niet aan het hof (penitentiaire kamer) om daarover te oordelen.

Artikel 359, zevende lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat als de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, het vonnis dit onder opgave van redenen aangeeft. In de rechtspraak over deze bepaling wordt het belang van de rechtszekerheid benadrukt. De voorwaarden waaraan een rechtmatige vrijheidsberoving dient te voldoen moeten duidelijk zijn omschreven en de wijze waarop zij worden toegepast moet in redelijkheid voorzienbaar zijn. Dat brengt mee dat het oordeel van de opleggingsrechter omtrent de vraag of de maatregel is opgelegd ter zake van een geweldsmisdrijf, beslissend is voor de vraag of de maatregel vatbaar is voor verlenging door de verlengingsrechter. Het is dus de opleggingsrechter die oordeelt dat de door hem opgelegde terbeschikkingstelling wel of niet is gemaximeerd (Hoge Raad 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8434).

Vanwege voornoemd belang van de rechtszekerheid acht het hof in deze zaak doorslaggevend dat het gerechtshof Den Haag expliciet heeft overwogen dat de totale duur van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege de periode van vier jaar niet te boven kan gaan. Het hof komt daarom – met de rechtbank – tot de conclusie dat de maatregel in dit geval in duur is gemaximeerd in de zin van artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht.

Verlenging van de maatregel

Met de terbeschikkinggestelde, het openbaar ministerie en de rechtbank is het hof van oordeel dat de maatregel met één jaar dient te worden verlengd.

Het gerechtshof Den Haag heeft blijkens zijn arrest van 18 april 2018 met de oplegging van de maatregel een specifiek doel voor ogen gehad, namelijk alsnog een plaatsing in een beschermde woonvorm realiseren die op basis van een bijzondere voorwaarde niet mogelijk bleek. De aard van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege brengt echter mee dat een dergelijke plaatsing niet zonder meer mogelijk is als dit vanwege het recidiverisico niet verantwoord is. De kliniek waarin de terbeschikkinggestelde is geplaatst, acht voorafgaand aan een eventuele plaatsing in een beschermde woonvorm, nadere diagnostiek, risicotaxatie en behandeling noodzakelijk. De terbeschikkinggestelde weigerde echter tot voor kort hieraan mee te werken, mede vanwege de duidelijke vingerwijzing van het gerechtshof Den Haag over de te volgen koers.

Dit heeft geleid tot een patstelling, die pas recent lijkt te zijn doorbroken doordat de terbeschikkinggestelde alsnog zijn medewerking heeft toegezegd. Het hof acht het in dit licht noodzakelijk dat voor het definitieve einde van de maatregel nog eens wordt bezien hoe het traject van de terbeschikkinggestelde verloopt. Het hof acht daarom een verlenging van de maatregel met een jaar op haar plaats.

Beslissing

Het hof:

Bevestigt met aanvulling van gronden zoals hiervoor is overwogen de beslissing van de rechtbank Rotterdam van 27 juli 2020 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde [Naam terbeschikkinggestelde].

Aldus gedaan door

mr. M.E. van Wees als voorzitter,

mr. A.B.A.P.M. Ficq en mr. E.A.K.G. Ruys als raadsheren,

en dr. K. de Wijs-Heijlaerts en drs. I. van Outheusden als raden,

in tegenwoordigheid van mr. R. Hermans als griffier,

en op 17 december 2020 in het openbaar uitgesproken.

mr. R. Hermans en de raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.