Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:10786

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-12-2020
Datum publicatie
24-12-2020
Zaaknummer
21-003534-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Woninginbraak en diefstal uit een schuurtje, beide in vereniging. Bevestiging vonnis met uitzondering van de straf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003534-19

Uitspraak d.d.: 23 december 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 18 juni 2019 met parketnummer 18-920052-19 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 18-920099-18, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 28 juli 2020 en 10 december 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis, bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde en veroordeling ter zake van deze feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van 138 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 120 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. B.P.M. Canoy, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 18 juni 2019, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot de maatregel plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren. De rechtbank heeft daarbij beslist dat de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel na één jaar na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel (tussentijds) wordt beoordeeld. Daarnaast heeft de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging van 2 maanden gevangenisstraf, verdachte bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 6 februari 2019, parketnummer 18-920099-18, opgelegd, afgewezen.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld en beslist en zal het vonnis bevestigen, behalve voor zover het betreft de veroordeling tot de maatregel plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren en de vordering tot tenuitvoerlegging.

Ten aanzien van dit onderdeel van het vonnis komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. Gezien het vorenstaande zal het vonnis waarvan beroep op dat onderdeel worden vernietigd en zal in zoverre opnieuw worden rechtgedaan.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een woninginbraak en diefstal uit een schuurtje. Verdachte heeft hiermee schade veroorzaakt en voor overlast gezorgd bij de rechtmatige eigenaren van de goederen.

Uit het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 november 2020 is gebleken dat verdachte eerder ter zake van soortgelijke feiten onherroepelijk tot straffen en/of maatregelen is veroordeeld en in twee proeftijden liep. Deze veroordelingen hebben verdachte er kennelijk niet van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.

De rechtbank heeft, gezien de veelvuldige recidive en het advies van de reclassering, waaruit volgt dat de in het verleden opgestarte hulptrajecten niet tot het uitblijven van recidive hebben gezorgd, de maatregel plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van 2 jaren opgelegd.

Uit het verhandelde ter zitting van 10 december 2020 blijkt dat verdachte zijn leven thans, na veel vallen en opstaan, een positieve wending lijkt te hebben gegeven. De reclassering heeft in zijn rapport van 7 december 2020 het volgende hierover gerapporteerd:

‘Er zijn op dit moment veel beschermende factoren die de kans op recidive doen afnemen. Betrokkene heeft werk, een inkomen, afbetalingsregelingen getroffen met zijn schuldeisers, een fijne woonplek met begeleiders met wie hij een klik ervaart en een vriendin die een positieve invloed op hem heeft.

Gezien deze huidige stand van zaken zien wij af van onze eerder uitgebrachte adviezen, namelijk oplegging van een ISD-maatregel voor de duur van twee jaren en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Een ISD-maatregel is een ‘laatste redmiddel’ en nu niet passend. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal het reeds uitgezette traject doorkruisen en een demotiverende uitwerking hebben, hetgeen wij niet wenselijk achten.’

Het hof overweegt dat met oplegging van de ISD-maatregel de nu net ontstane stabiliteit in het leven van verdachte zou worden doorkruist. Hoewel aan de vereisten voor oplegging van de ISD-maatregel is voldaan, en verdachte nog zal moeten laten zien dat de door hem nu ingeslagen weg naar een normaal werkend leven zonder criminele activiteiten bestendigheid vertoont, zal het hof voorrang geven aan de persoonlijke ontwikkeling van verdachte en niet overgaan tot oplegging van de ISD-maatregel. Daarbij laat het meewegen dat verdachte niet alleen vanuit genoemd reclasseringsrapport maar ook blijkens zijn houding ter zitting intrinsiek gemotiveerd lijkt zijn leven te beteren en daartoe ook de eerste stappen heeft gezet. In plaats daarvan zal het hof de door de advocaat-generaal gevorderde vrijheidsbenemende straf opleggen. Dit betekent dat naast de reeds in voorarrest doorgebrachte tijd een substantieel voorwaardelijke vrijheidsbenemende straf met een proeftijd van 3 jaren wordt opgelegd, om verdachte ervan te weerhouden opnieuw de fout in te gaan.

Vordering tot tenuitvoerlegging

De rechtbank heeft de vordering tot tenuitvoerlegging van 2 maanden gevangenisstraf, verdachte voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 6 februari 2019, parketnummer 18-920099-18, afgewezen. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat, gelet op het feit dat de ISD-maatregel wordt opgelegd, de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf niet zinvol is. De vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Het hof zal de vordering tot tenuitvoerlegging ook afwijzen, zij het op andere gronden. Het hof heeft reeds in een andere verdachte betreffende strafzaak (parketnummer 21-004615-19), die gelijktijdig maar niet gevoegd met de onderhavige strafzaak is behandeld, de tenuitvoerlegging van deze vordering gelast. Gelet hierop zal het hof de vordering tot tenuitvoerlegging in de onderhavige zaak afwijzen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de maatregel plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren en de vordering tot tenuitvoerlegging van 2 maanden gevangenisstraf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 138 (honderdachtendertig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 120 (honderdtwintig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Noord-Nederland van 21 mei 2019, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 6 februari 2019, parketnummer 18-920099-18, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Aldus gewezen door

mr. L.T. Wemes, voorzitter,

mr. J. Hielkema en mr. F. van der Maden, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.R. Sotthewes-de Jonge, griffier,

en op 23 december 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.