Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:10780

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-12-2020
Datum publicatie
27-01-2021
Zaaknummer
21-003699-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank waarbij verdachte wegens openlijke geweldpleging is veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis, bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003699-17

Uitspraak d.d.: 23 december 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 26 juni 2017 met parketnummer 16-266496-16 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 15 maart 2019, 4 oktober 2019, 6 maart 2020 en 9 december 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake het ten laste gelegde tot een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis. De advocaat-generaal heeft tevens gevorderd de vorderingen van de benadeelde partijen, te weten [benadeelde partij1] , [benadeelde partij2] en [benadelde partij3] , volledig (hoofdelijk) toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft bij vonnis van 26 juni 2017, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van openlijke geweldpleging tegen personen en goederen veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis.

De politierechter heeft tevens de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij1] ten bedrage van € 300,- volledig (hoofdelijk) toegewezen, de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij2] , ten bedrage € 849,91, volledig (hoofdelijk) toegewezen en de vordering van de benadeelde partij [benadelde partij3] , ten bedrage van € 543,37, volledig (hoofdelijk) toegewezen, alle vorderingen te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het hof is van oordeel dat de politierechter op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen en zal daarom het vonnis - met aanvulling van de gronden – bevestigen, behalve voor zover het betreft de schadevergoedingsmaatregel opgelegd in het kader van de toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij1] , [benadeelde partij2] , en [benadelde partij3] , en zal in zoverre opnieuw rechtdoen. Ten aanzien van dit onderdeel van het vonnis komt het hof tot een andere beslissing dan de politierechter. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.

Daarnaast stelt het hof vast dat tussen het wijzen van het vonnis en het eindarrest de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden is overschreden. Dit vindt zijn oorzaak in het feit dat de behandeling van de strafzaak tot tweemaal toe op verzoek van de verdediging is aangehouden, terwijl tevens op verzoek van de verdediging twee getuigen door de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit hof, zijn gehoord. Het hof volstaat mitsdien met de constatering dat de redelijke termijn als hiervoor bedoeld is overschreden en ziet geen aanleiding over te gaan tot matiging van de duur van de in eerste aanleg door de politierechter aan de verdachte opgelegde taakstraf.

Aanvulling van de gronden

Evenals de politierechter acht het hof het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

In aanvulling op het vonnis voegt het hof als bewijsmiddelen nog toe:

1. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, proces-verbaalnummer: PL0900-2016397848-12, d.d. 25 december 2016, op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant1] , brigadier van politie Eenheid Midden-Nederland, inhoudende – zakelijk weergegeven -:

Als verklaring van [verdachte] :

V: Hoe zou u zichzelf omschrijven?

A: Kaal, normaal postuur, 1,80 meter lang en blank.

V: Wat heeft u op het moment aan qua kleding?

A: Spijkerbroek en een witte trui.

V: Waar was u afgelopen nacht, zaterdag 25 december 2016, omstreeks 02:35 uur?

A: Ik was in [plaats] . We waren uit en na het uitgaan zijn wij naar een eettentje gegaan.

V: Met wie was u in de stad?

A: Met twee andere jongens.

V: Hoe heten zij?

A: [naam1] en [naam2] (het hof begrijpt: [naam1] en [naam2] ) .

V: Er is verklaard dat u in [benadelde partij3] was. Wat deed u in de [benadelde partij3] in [plaats] ?

A: Eten.

2. Een proces-verbaal van bevindingen, met bijlagen, proces-verbaalnummer: PL0900-2016397848-10, d.d. 25 december 2016, op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant2] , hoofdagent van politie Eenheid Midden-Nederland en [verbalisant1] , voornoemd, inhoudende – zakelijk weergegeven -:

Als verklaring van beide verbalisanten:

Op 25 december 2016 waren wij belast met het onderzoek naar de openlijke geweldpleging. Wij hebben daartoe van de verdachte foto’s gemaakt die bij dit proces-verbaal als bijlage worden gevoegd. Op 2 staat verdachte [verdachte] . Wij zagen dat [verdachte] gekleed is in een witte trui.

Fotobijlage:

Foto 2: op de foto staat een man afgebeeld met een kaal hoofd, een witte trui en een donkere jas.

3. Een proces-verbaal van verhoor getuige bij de rechter-commissaris, RC-nummers: 17/2878 en 17/2879, d.d. 23 mei 2017, inhoudende – zakelijk weergegeven -:

Als verklaring van [benadeelde partij1] :

U zegt mij dat u in de stukken heeft gelezen dat er drie mannen de snackbar binnen kwamen die avond. Ja, dat klopt. U toont mij foto’s. Foto 2 is degene die mij geslagen heeft. U vraagt mij of ik iets gezien heb van een kassa die is omgevallen. Hij heeft die kassa met kracht geduwd zodat de kassa viel. U vraagt mij wie dat heeft gedaan. Dat is foto 2. En de tegels van de bar zijn kapot gemaakt. Dat was ook foto 2.

Schadevergoedingsmaatregel

Anders dan de politierechter, die bij oplegging van de schadevergoedingsmaatregelen bij gebreke van betaling en verhaal respectievelijk 16, 16 en 10 dagen vervangende hechtenis heeft opgelegd, zal het hof – in verband met de gewijzigde wetgeving per 1 januari 2020 – op dit punt in plaats van vervangende hechtenis het aantal dagen van de gijzeling opnemen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 24c, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn, met uitzondering van artikel 36f, vijfde lid, Sr, toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde

BESLISSING

Het hof:

Vernietigd het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel en doet in zoverre opnieuw recht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij2] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 849,91 (achthonderdnegenenveertig euro en eenennegentig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij2] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van

€ 849,91 (achthonderdnegenenveertig euro en eenennegentig cent) bestaande uit € 300,00 (driehonderd euro) materiële schade en € 549,91 (vijfhonderdnegenenveertig euro en eenennegentig cent) immateriële schade.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 16 (zestien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij1] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 300,00 (driehonderd euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij1] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 600,00 (zeshonderd euro) bestaande uit € 300,00 (driehonderd euro) materiële schade en € 300,00 (driehonderd euro) immateriële schade.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 6 (zes) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Vordering van de benadeelde partij [benadelde partij3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadelde partij3] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 543,37 (vijfhonderddrieënveertig euro en zevenendertig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadelde partij3] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 543,37 (vijfhonderddrieënveertig euro en zevenendertig cent) als vergoeding voor materiële schade.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 10 (tien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Aldus gewezen door

mr. W. Foppen, voorzitter,

mr. L.J. Bosch en mr. M. van der Horst, raadsheren,

in tegenwoordigheid van H. Pool, griffier,

en op 23 december 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. L.J. Bosch en M. van der Horst voornoemd zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.