Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:10772

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-12-2020
Datum publicatie
24-12-2020
Zaaknummer
200.283.230
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek bijzondere curator 1:250 BW, geen verdere verlenging ondertoezichtstelling, twee-conclusieregel en zelfstandig verzoek in hoger beroep, 347 lid 1 Rv, 362 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2021-0001
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.283.230 (bijzondere curator) en

200.284.109 (ondertoezichtstelling)

(zaaknummer rechtbank Gelderland 369149)

beschikking van 22 december 2020

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. I. Mercanoğlu te Almelo,

en

de gecertificeerde instelling Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,

gevestigd te Zwolle,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

[de moeder] ,

wonende te [B] ,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. B. Willemsen te Lent.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem (verder: de kinderrechter), van 9 juni 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (verder: de bestreden beschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 8 september 2020;

- een nadere toelichting op het beroepschrift van mr. Mercanoğlu van 5 oktober 2020;

- een brief van mr. Willemsen van 13 oktober 2020 met productie;

- een journaalbericht van mr. Mercanoğlu van 26 november 2020 met productie.

2.2

De minderjarige [de minderjarige] heeft bij brief van 14 oktober 2020 aan het hof zijn mening over het verzoek kenbaar gemaakt.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 1 december 2020 plaatsgevonden. Aanwezig waren:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- [C] en [D] namens de GI;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- [E] , namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad).

3 De feiten

3.1

De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2007 in [B] .

3.2

Bij mondelinge uitspraak van 11 december 2017 heeft de kinderrechter [de minderjarige] – op verzoek van de vader – onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is vervolgens steeds verlengd. Bij beschikking van 29 november 2019 is de ondertoezichtstelling verlengd tot 11 juni 2020.

3.3

Bij beschikking van 6 oktober 2020 – na de datum van de bestreden beschikking – heeft de rechtbank het gezamenlijke gezag van de ouders beëindigd en bepaald dat het gezag over [de minderjarige] wordt uitgeoefend door de moeder. De rechtbank heeft verder het verzoek van de vader tot wijziging van de omgangsregeling afgewezen.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot uiterlijk 11 december 2020. In de bestreden beschikking is verder onder ‘de beoordeling’ opgenomen dat de kinderrechter het verzoek om een bijzondere curator te benoemen zal afwijzen.

4.2

De vader is met een grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grief ziet op de afwijzing van het verzoek tot benoeming van een bijzondere curator.

De vader verzoekt het hof, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de vader tot benoeming van een bijzondere curator alsnog toe te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

Bijzondere curator

5.1

Volgens art. 1:250 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter overgaan tot benoeming van een bijzondere curator indien hij dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht vanwege strijdigheid tussen de belangen van de minderjarige en die van de met het gezag belaste ouder(s) of voogd(en); daaronder valt blijkens de wetsgeschiedenis ook het geval dat sprake is van een wezenlijk conflict tussen de ouder(s) of voogd(en) en de minderjarige met betrekking tot diens verzorging en opvoeding (HR 4 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR4850). Bij de beantwoording van de vraag of een dergelijke benoeming is aangewezen, zal het belang van de minderjarige de eerste overweging voor de rechter moeten vormen. De benoeming van een bijzondere curator dient echter niet plaats te vinden met als doel in het algemeen de belangen van de minderjarige te beschermen. Bij beantwoording van de vraag of de benoeming van een bijzondere curator nodig is, heeft de rechter een grote mate van beoordelingsvrijheid (HR 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY3968).

5.2

De vader heeft in zijn beroepschrift aangevoerd dat een bijzondere curator de stem van [de minderjarige] naar voren kan brengen bij de beantwoording van de vraag of de ondertoezichtstelling beëindigd dient te worden, ten aanzien van de gezagswijziging en in gesprekken over een nieuwe versie van het ouderschapsplan. Zoals ook namens de vader naar voren is gebracht tijdens de mondelinge behandeling, zijn de omstandigheden nadien gewijzigd. De termijn waarvoor de ondertoezichtstelling bij de bestreden beschikking is verlengd is inmiddels verstreken. De rechtbank heeft het gezamenlijk gezag van de ouders beëindigd en bepaald dat de moeder voortaan alleen het gezag over [de minderjarige] uitoefent. Tegen deze beslissing is op dit moment geen hoger beroep aanhangig. Tijdens de mondelinge behandeling is verder gebleken dat het de ouders en de GI gelukt is om tot afspraken te komen over de omgang tussen de vader en [de minderjarige] in de komende jaren – op enkele details na. Bij deze stand van zaken is naar het oordeel van het hof geen sprake van een belangenconflict als bedoeld in artikel 1:250 BW dat benoeming van een bijzondere curator noodzakelijk maakt.

5.3

Het hof acht benoeming van een bijzondere curator ook niet in het belang van [de minderjarige] . Uit de brief die [de minderjarige] aan het hof heeft geschreven blijkt dat hij het belangrijk vindt dat hij iemand heeft met wie hij kan praten en die hij kent en vertrouwt. Een bijzondere curator sluit naar het oordeel van het hof niet aan bij deze behoefte, omdat de betrokkenheid van een bijzondere curator tijdelijk van aard is.

De vader, de moeder, de GI en de raad zijn het er allen over eens dat het in [de minderjarige] belang is dat hij kan praten met een neutraal vertrouwenspersoon. Gebleken is dat [de minderjarige] daartoe met instemming van de moeder is aangemeld bij het sociaal wijkteam. Het hof gaat er gelet hierop van uit dat [de minderjarige] ook na afloop van de ondertoezichtstelling iemand heeft bij wie hij terecht kan.

Ondertoezichtstelling

5.4

De kinderrechter heeft het verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling met zes maanden te verlengen toegewezen. Deze termijn is inmiddels verstreken. De vader heeft in eerste aanleg en in hoger beroep kenbaar gemaakt dat hij vindt dat de ondertoezichtstelling nog langer moet doorlopen. Anders dan de vader stelt, ligt naar het oordeel van het hof echter geen verzoek tot verdere verlenging aan het hof voor. In zijn beroepschrift heeft de vader enkel verzocht zijn verzoek tot benoeming van een bijzondere curator alsnog toe te wijzen. In de nadere toelichting op het beroepschrift heeft de vader wel toegelicht dat het beroepschrift is ingediend in het kader van de ondertoezichtstelling. Deze toelichting – waarin het hof overigens ook geen verzoek tot verdere verlenging van de ondertoezichtstelling leest – acht het hof in strijd met de in artikel 347 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in verbinding met artikel 362 Rv besloten regel dat het standpunt van een partij in hoger beroep in één schriftelijk stuk (voor de verzoeker: het beroepschrift) uiteengezet moet worden. Artikel 362 Rv brengt daarnaast mee dat de vader niet voor het eerst in hoger beroep een zelfstandig verzoek tot verdere verlenging van de ondertoezichtstelling kan doen. Anders dan de vader heeft aangevoerd, leidt het hof uit de bestreden beschikking en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling niet af dat de vader al in eerste aanleg om verdere verlenging heeft verzocht.

5.5

Nu aan het hof geen verzoek tot verdere verlenging van de ondertoezichtstelling voorligt, kan het hof hierover ook niet beslissen. Dat betekent dat de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] op 11 december 2020 is geëindigd.

6 De slotsom

Op grond van wat hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen en het meer of anders verzochte afwijzen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 9 juni 2020;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.H.F. van Vugt, als voorzitter, H. Phaff en C.F.L.A. van der Vegt-Boshouwers, bijgestaan door mr. H. Bouhuys als griffier, en is op 22 december 2020 door de voorzitter uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.