Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:10759

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-12-2020
Datum publicatie
24-12-2020
Zaaknummer
200.276.445
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schriftelijke aanwijzing contactregeling moeder en uit huis geplaatst kind.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2021-0002
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.276.445

(zaaknummer rechtbank Gelderland 362089)

beschikking van 22 december 2020

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. E.R.T. Tromp te Nijmegen,

en

de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Brabant,

gevestigd te ‘s-Hertogenbosch,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 2 januari 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna ook te noemen: de bestreden beschikking.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met producties, ingekomen op 27 maart 2020;

  • -

    het verweerschrift met producties.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 3 november 2020 plaatsgevonden. De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de GI zijn verschenen [B] en [C] . De raad is, met kennisgeving vooraf, niet op de zitting verschenen.

3 De feiten

3.1

[In] 2014 te [D] is als dochter van de moeder geboren [de minderjarige] . De moeder is alleen belast met het gezag over [de minderjarige] .

3.2

[de minderjarige] is sinds 28 november 2016 onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is bij beschikking van 18 november 2020 voor het laatst verlengd tot 28 november 2021. Op 13 augustus 2019 heeft de kinderrechter aan de GI een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een pleeggezin tot 28 november 2019. De machtiging tot uithuisplaatsing is telkens verlengd, voor het laatst bij beschikking van 18 november 2020 tot 28 november 2021.

3.3

[de minderjarige] verblijft sinds 29 augustus 2019 in het pleeggezin van de familie [E] . In hetzelfde pleeggezin verblijft ook de oudste dochter van de moeder.

4 De omvang van het geschil

4.1

In de schriftelijke aanwijzing van 29 oktober 2019 heeft de GI een contactregeling tussen de moeder en [de minderjarige] vastgesteld van eenmaal per twee weken gedurende een uur in het pleeggezin, onder begeleiding van de jeugdzorgwerker van de GI of van de pleegzorgwerker van de William Schrikker Groep.
De moeder heeft verzocht de schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren en een omgangsregeling vast te stellen waarbij de moeder wekelijks in het weekend gedurende een dag van 10.00 uur tot 17.00 uur omgang met [de minderjarige] heeft en er daarnaast een vast moment per week telefonisch contact is met [de minderjarige] , bijvoorbeeld op woensdag om 18.00 uur.

In de bestreden beschikking heeft de kinderrechter dat verzoek van de moeder afgewezen.

4.2

De moeder is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de schriftelijke aanwijzing van 29 oktober 2019 vervallen te verklaren en een omgangsregeling vast te stellen waarbij [de minderjarige] wekelijks in het weekend gedurende een dag van 10.00 uur tot 17.00 bij de moeder verblijft, dan wel een zodanige omgangsregeling vast te stellen die het hof in het belang van [de minderjarige] acht, waarbij in ieder geval op frequente basis omgang plaatsvindt tussen de moeder en [de minderjarige] .

4.3

De GI voert verweer en verzoekt de besteden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking opgenomen dat tegen de uitspraak op grond van artikel 807, aanhef en onder a, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geen hoger beroep open staat. Het hof is van oordeel dat de moeder wel ontvankelijk is in het door haar ingestelde hoger beroep en overweegt daartoe het volgende.

5.2

Op grond van artikel 1:263 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de GI ter uitvoering van haar taak een schriftelijke aanwijzing geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Zij kan dit doen indien de met het gezag belaste ouder of de minderjarige niet instemmen met, dan wel niet of onvoldoende medewerking verlenen aan de uitvoering van het plan, bedoeld in artikel 4.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet of indien dit noodzakelijk is, teneinde de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen.

5.3

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:264 BW kan de kinderrechter op verzoek van een met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren. Een schriftelijke aanwijzing moet worden beschouwd als een beschikking in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat algemene bepalingen over besluiten en de bijzondere bepalingen over beschikkingen van die wet van toepassing zijn, houdende onder meer algemene voorschriften over zorgvuldigheid en belangenafweging, voorschriften over de bekendmaking van besluiten en over het vooraf horen van de belanghebbenden.

5.4

Ingevolge het bepaalde in artikel 807, aanhef en onder a, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering staat tegen beschikkingen ingevolge artikel 1:264 BW geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet, met uitzondering van beschikkingen ingevolge artikel 1:265f, tweede lid, BW.

5.5

Ingevolge artikel 1:265f, eerste lid, BW kan de GI, voor zover noodzakelijk met het oog op het doel van de uithuisplaatsing van een minderjarige voor de duur van de uithuisplaatsing, de contacten tussen de met het gezag belaste ouder en het kind beperken. Ingevolge het tweede lid van dat artikel geldt de beslissing van de GI als een aanwijzing en is – voor zover hier nu van belang – artikel 1:264 BW van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de rechter een zodanige regeling kan vaststellen als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

5.6

De moeder is het niet eens met de schriftelijke aanwijzing. Zij is van mening dat de omgang niet begeleid hoeft plaats te vinden en dat de omgang in uren en in dagen uitgebreid kan worden. Uit de bestreden beschikking blijkt dat de GI bij de kinderrechter naar voren heeft gebracht dat na vijf omgangsmomenten de omgang zou worden geëvalueerd en dat de omgang, indien die positief zou zijn verlopen, onder regie van de GI zou worden opgebouwd en uitgebreid. De moeder heeft sinds december 2019 alle aanwijzingen van de GI opgevolgd en positieve ontwikkelingen doorgemaakt. Zij heeft zelfstandige woonruimte, zij komt haar afspraken na en de GI heeft bericht dat de omgangsmomenten met [de minderjarige] goed verlopen. Nu stelt de GI dat begeleide omgang nodig is voor perspectiefonderzoek. De moeder is van mening dat perspectiefonderzoek losgekoppeld dient te worden van de omgangsregeling.
De GI stelt weliswaar dat de omgang onrust veroorzaakt bij [de minderjarige] en dat daarom de frequentie niet omhoog moet, maar dat is een invulling die de GI daaraan geeft. Ook is immers mogelijk dat de spanningen bij [de minderjarige] omtrent de omgang juist minder worden als de omgang wordt geïntensiveerd.

5.7

Uit het verweerschrift en hetgeen de GI ter zitting naar voren heeft gebracht komt het volgende naar voren. De GI heeft bij het bepalen van de omgangsregeling gekeken naar de verschillende kind- en ouderfactoren om tot een regeling te komen die het meest passend en in het belang van [de minderjarige] is. De GI wil eerst goed zicht krijgen op de opvoedmogelijkheden van de moeder voordat wordt overgegaan tot onbegeleide omgang. Begeleide omgang is daarnaast ook noodzakelijk in de voorbereiding op het perspectiefonderzoek.
De moeder kwam in eerste instantie de bezoekmogelijkheden en belmomenten niet goed na. De laatste tijd heeft zij hierin een positieve ontwikkeling doorgemaakt en komt zij alle bezoekafspraken na. De interactie tussen de moeder en [de minderjarige] gaat beter, maar is nog wat lastig. De GI heeft dat met de moeder besproken. De zorgen van de GI zijn niet zodanig minder geworden dat de GI het voldoende veilig vindt dat [de minderjarige] een hele dag zonder begeleiding bij de moeder is.
kijkt erg uit naar de bezoeken met moeder, maar zij kijkt daar zozeer naar uit dat zij voorafgaand aan de bezoeken en na de bezoeken veel last heeft van spanningen. Dit uit zich in slecht slapen, vermoeidheid en moeilijk corrigeerbaar gedrag. De GI vreest voor nog meer spanningen als de bezoekfrequentie omhoog gebracht wordt. Dit is ook een extra belasting voor het pleeggezin.

5.8

Het hof overweegt als volgt.

Een schriftelijke aanwijzing dient te worden beschouwd als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en moet overeenkomstig de eisen uit de Awb worden voorbereid. Bij de beoordeling van de vraag of de door de GI gegeven schriftelijke aanwijzing de rechterlijke toets kan doorstaan, dient dan ook de vraag beantwoord te worden of dit besluit zorgvuldig tot stand is gekomen.

5.9

De moeder heeft haar verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing tijdig ingediend, zodat zij in haar verzoek kan worden ontvangen.

5.10

Voordat de schriftelijke aanwijzing is afgegeven is de inhoud daarvan met de moeder, de pleegouders en de jeugdbeschermer besproken en is de moeder in de gelegenheid gesteld op de vooraankondiging van de schriftelijke aanwijzing te reageren. Het hof is gelet hierop van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen.

5.11

Ten aanzien van de inhoud van de schriftelijke aanwijzing dient het hof te beoordelen of deze ten dienste staat van de af te wenden concrete bedreigingen in de ontwikkeling van [de minderjarige] . Het hof overweegt daartoe het volgende.

De GI heeft de omgangsregeling in de schriftelijke aanwijzing aldus gemotiveerd dat eerst geobserveerd moet worden hoe de eerste bezoeken gaan verlopen, omdat [de minderjarige] uit huis is geplaatst omdat de moeder onvoldoende beschikbaar voor haar is, er zorgen zijn over structuur, regelmaat en voorspelbaarheid, [de minderjarige] geruime tijd in een verwaarloosde omgeving heeft geleefd en er zorgen zijn over de hechting van [de minderjarige] . Voor de beoordeling van het perspectief van [de minderjarige] achtte de GI observaties van contacten tussen de moeder en [de minderjarige] noodzakelijk.

De moeder was voorafgaand aan de schriftelijke aanwijzing twee bezoeken niet nagekomen en tijdens de bezoeken die wel plaatsgevonden was er in eerste instantie weinig interactie zichtbaar tussen de moeder en [de minderjarige] . De GI achtte eerst een tijdelijke omgangsregeling noodzakelijk om de eerste observaties te kunnen doen en te bekijken of deze omgangs-regeling haalbaar en wenselijk is. Na de evaluatie zou opnieuw worden bekeken wat een wenselijke omgang is voor een langere tijd, zo is opgenomen in de schriftelijke aanwijzing.

5.12

Ter zitting van het hof zijn positieve ontwikkelingen naar voren gekomen die zich na afgifte van de schriftelijke aanwijzing hebben voorgedaan. De eerste omgangsmomenten die de GI wilde observeren zijn inmiddels verstreken. De GI heeft daarover verklaard dat de moeder al enige tijd de bezoekafspraken goed nakomt en dat de interactie tussen de moeder en [de minderjarige] – hoewel daar nog wel winst valt te behalen – is verbeterd ten opzichte van eerder. De GI heeft ter zitting als voornaamste bezwaar tegen onbegeleide omgang naar voren gebracht dat het perspectiefonderzoek nog dient plaats te vinden en dat het voor het perspectiefonderzoek noodzakelijk is dat het contact tussen de moeder en [de minderjarige] wordt geobserveerd. De GI ziet daarin redenen gelegen om de omgang blijvend onder begeleiding te laten plaatsvinden.

5.13

Het hof is van oordeel dat het perspectiefonderzoek dat nog moet plaatsvinden en de eventuele contacten die in dat kader tussen de moeder en [de minderjarige] zullen plaatsvinden, buiten het kader vallen waarbinnen het hof toetst of de omgang beperkt mag worden zoals in de schriftelijke aanwijzing is vastgelegd. Met andere woorden: de wijze waarop de omgangsregeling zal worden uitgevoerd in verband met het perspectiefonderzoek, staat los van de vraag naar wat op dit moment de omgangsregeling is die het meest in het belang van [de minderjarige] is.

Het hof acht het gelet op het voorgaande en met name de recente positieve ontwikkelingen op dit moment niet noodzakelijk dat alle omgangsmomenten begeleid blijven plaatsvinden en zal bepalen dat van de huidige omgangsmomenten de ene keer de omgang onder begeleiding zal plaatsvinden en de andere keer zonder begeleiding. Een uitbreiding in uren of dagen acht het hof op dit moment niet wenselijk, gelet op wat de GI daarover heeft verklaard.

5.14

Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen, de schriftelijke aanwijzing vervallen verklaren en een voor [de minderjarige] wenselijk geachte omgangsregeling vaststellen als hierna wordt genoemd.

6
6. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 2 januari 2020 en opnieuw beschikkende:

verklaart de schriftelijke aanwijzing van de GI van 29 oktober 2019 vervallen en stelt als contactregeling tussen de moeder en [de minderjarige] vast:

- dat de moeder en [de minderjarige] eenmaal per twee weken gedurende een uur contact met elkaar hebben, waarbij dit contact:

o de ene keer onder begeleiding van de jeugdzorgwerker van de GI of de pleegzorgwerker van de William Schrikker Groep zal plaatsvinden en

o de andere keer onbegeleid zal plaatsvinden.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, A. Smeeing-van Hees en A.L.H. Ernes, bijgestaan door mr. M. Vodegel als griffier, en is op 22 december 2020 uitgesproken door mr. M.H.F. van Vugt in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.