Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:10758

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-12-2020
Datum publicatie
01-02-2021
Zaaknummer
200.277.227
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 1:377e BW. Afwijzing verzoek omgangsregeling vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.277.227

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 489503)

beschikking van 22 december 2020

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. D.I.A. Schröder te Utrecht,

en

[verweerster] ,

wonende te [A] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. I.P.J. van den Heuvel-Beerens te De Meern.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (verder te noemen: de rechtbank), van 17 januari 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (verder te noemen: de bestreden beschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 16 april 2020;

- het verweerschrift, tevens houdende incidenteel hoger beroep, met producties;

- een journaalbericht van mr. Van den Heuvel van 10 november 2020 met een akte met

producties.

2.2

Na te noemen [de minderjarige1] heeft bij brief van 31 juli 2020 aan het hof zijn mening kenbaar gemaakt met betrekking tot de verzoeken.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 20 november 2020 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad voor de kinderbescherming (verder te noemen: de raad) is [B] verschenen.

3 De feiten

3.1

Partijen zijn de ouders van:

- [de minderjarige1] , verder te noemen: [de minderjarige1] , geboren [in] 2007 te [C] ;

- [de minderjarige2] , verder te noemen: [de minderjarige2] , geboren [in] 2009 te [C] , en

- [de minderjarige3] , verder te noemen: [de minderjarige3] , geboren [in] 2011 te [C] ,

gezamenlijk ook te noemen: de kinderen.

3.2

De kinderen hebben van 15 november 2013 tot 15 augustus 2018 onder toezicht gestaan van de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland (hierna: de GI).

3.3

Bij beschikking van 30 juni 2017 heeft de rechtbank de moeder alleen belast met het gezag over de kinderen. Het hof heeft die beschikking bij beschikking van 17 mei 2018 bekrachtigd.

3.4

Tussen partijen zijn meerdere procedures geweest bij de rechtbank en dit hof over de omgang tussen de vader en de kinderen. Voor het laatst heeft de rechtbank bij beschikking van 10 november 2017 bepaald dat er vooralsnog geen omgang tussen de vader en de kinderen is en dat de GI de omgangsregeling kan hervatten als dat in het belang is van de kinderen.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, voor zover hier van belang, het verzoek van de vader om een omgangsregeling vast te stellen, afgewezen.

4.2

De vader is met ongenummerde grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan het hof voor te leggen. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen, en opnieuw beschikkende, primair te bepalen dat zijn inleidend verzoek alsnog wordt toegewezen en subsidiair een onderzoek door de raad te gelasten onder aanhouding van de beslissing op het primaire verzoek, kosten rechtens.

4.3

De moeder voert verweer in het principaal hoger beroep en is op haar beurt in incidenteel hoger beroep gekomen. De moeder verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- in het principaal hoger beroep de verzoeken van de vader af te wijzen;

- in het incidenteel hoger beroep te bepalen dat de vader in haar feitelijke proceskosten zal worden veroordeeld.

4.4

De vader voert mondeling verweer in het incidenteel hoger beroep.

5. De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge artikel 1:377e van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of van één van hen of van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

5.2

Elke afwijzing van een verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling is tijdelijk van aard, in die zin dat de ouder wiens verzoek is afgewezen zich in geval van wijziging van omstandigheden en in ieder geval na verloop van een jaar opnieuw tot de rechter kan wenden teneinde een omgangsregeling te doen vaststellen.

5.3

Het hof acht zich op grond van de stukken en de mondelinge behandeling voldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen, zodat geen noodzaak bestaat om een nader onderzoek te gelasten.

5.4

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het verzoek van de vader om een omgangsregeling tussen hem en de kinderen vast te stellen moet worden afgewezen.

Het hof verwijst daartoe naar de motivering van de rechtbank in de bestreden beschikking, neemt deze na eigen onderzoek over en maakt deze tot de zijne. Het hof voegt daaraan nog het volgende toe.

5.5

De vader heeft in het verleden met zijn houding en gedrag, (mede) veroorzaakt door zijn persoonlijkheidsproblematiek, de veiligheid van de kinderen geschaad. De vader stelt dat hij nu meer inzicht heeft in zijn handelen en op de mondelinge behandeling heeft hij gezegd dat zijn gedrag verkeerd was, maar uit de stukken blijkt ook dat hij de schuld buiten zichzelf legt en dat het door de bemoeienis van de GI komt dat hij de kinderen niet ziet. De vader lijkt onvoldoende te beseffen welke invloed zijn handelen op de kinderen heeft gehad. [de minderjarige1] en [de minderjarige3] hebben hun behandeltraject om het verleden een plek te geven afgerond, maar [de minderjarige2] zit nog midden in zijn behandeltraject. Het is in het belang van de rust en de stabiliteit die de kinderen nodig hebben, dat zij op dit moment niet worden gedwongen tot een omgangsregeling met de vader. Rekening dient te worden gehouden met de draagkracht en het tempo van de kinderen. Bij de kinderen bestaat op dit moment onvoldoende draagvlak voor een omgangsregeling, maar de kinderen zoeken wel af en toe contact met de vader via WhatsApp of door hem te bellen. Door de huidige contacten te koesteren en de druk van een omgang weg te nemen, zal bij de kinderen in de toekomst mogelijk ruimte komen voor het herstel van de omgang met de vader. Tot op heden heeft de vader het aan de kinderen overgelaten of zij contact met hem willen. Met de raad begrijpt het hof deze afwachtende houding van de vader, maar zoals de raad heeft gezegd is het ook nodig dat de vader uit zichzelf de kinderen laat zien dat hij met hen meeleeft door af en toe een berichtje aan hen te sturen. De moeder heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat zij daar niet afwijzend tegenover staat. Mogelijk is dit een eerste stap om de weerstand van de kinderen tegen omgang te doorbreken.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

6.2

Het hof ziet in hetgeen de moeder heeft aangevoerd geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten compenseren.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en incidenteel hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van

17 januari 2020;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Smeeïng-van Hees, als voorzitter,

R. Feunekes en M.H.F. van Vugt, bijgestaan door de griffier, en is op 22 december 2020 door mr. Van Vugt uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.