Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:10752

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-12-2020
Datum publicatie
24-12-2020
Zaaknummer
200.273.900
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie. Terugbetalingsverplichting kan gelet op de omstandigheden van de vrouw gevergd worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2021-0003
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.273.900

(zaaknummer rechtbank Gelderland 356111a)

beschikking van 22 december 2020

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. M.C. Koetze te Arnhem,

en

[verweerster] ,

wonende te [A] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: in eerste aanleg mr. W.D.M. de Boer te Apeldoorn,

thans mr. I.L. Kortenhoff te Apeldoorn.

1 De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 9 januari 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. Verder ook te noemen: de bestreden beschikking.

2 De procedure in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met producties, ingekomen op 3 februari 2020;

  • -

    het verweerschrift met productie a;

  • -

    een journaalbericht van mr. Koetze van 30 oktober 2020 met producties 6 tot en met 14;

  • -

    de pleitnota van mr. Kortenhoff, per email ingekomen op 5 november 2020.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 9 november 2020 via Telehoren plaatsgevonden. Partijen zijn beiden in persoon (digitaal) verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

3.1

Het huwelijk van partijen is [in] 2016 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 17 februari 2016 in de registers van de burgerlijke stand.

3.2

De man en de vrouw zijn de ouders van:

  • -

    [de minderjarige1] (verder te noemen: [de minderjarige1] ), geboren [in] 2007 te [A] , en

  • -

    [de minderjarige2] (verder te noemen: [de minderjarige2] ), geboren [in] 2008 te [A] .

3.3

In het door beide partijen ondertekende ouderschapsplan van 15 februari 2016 dat aan de echtscheidingsbeschikking is gehecht en als in die beschikking opgenomen moet worden beschouwd, zijn partijen een co-ouderschapsregeling overeengekomen.

Partijen zijn in het ouderschapsplan verder overeengekomen dat geen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (verder ook te noemen: de kinderalimentatie) wordt betaald. De ouders betalen ieder de eigen gebruikelijke zorgkosten en delen de extra verblijfsoverstijgende en incidentele kosten bij helfte.

3.4

Deze co-ouderschapsregeling wordt niet meer uitgevoerd, de kinderen wonen nu bij de vrouw en hebben een zorgregeling met de man.

4 Het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank beslist op het verzoek van de vrouw om een kinderalimentatie van € 316,- per kind per maand voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] met ingang van medio 2018 vast te stellen. Met wijziging van de beschikking van 17 februari 2016 heeft de rechtbank - uitvoerbaar bij voorraad - een kinderalimentatie voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] vastgesteld met ingang van 1 augustus 2018 van € 231,- per kind per maand.

4.2

De man is met zes grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de vrouw, zoals zij dat in eerste aanleg heeft gedaan alsnog af te wijzen, kosten rechtens.

4.3

De vrouw voert verweer en verzoekt het hof het verzoek van de man in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De overwegingen voor de beslissing

wijziging van omstandigheden

5.1

Op grond van artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een

rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de

wettelijke maatstaven te voldoen. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van

gewijzigde omstandigheden sinds de periode waarin zij het ouderschapsplan hebben opgesteld en dat deze wijzigingen een beoordeling van de verdeling van de kosten van de kinderen en een eventuele vaststelling van kinderalimentatie rechtvaardigen.

5.2

Verder stelt het hof vast dat partijen het er over eens zijn dat de behoefte van de kinderen in 2016 een bedrag van in totaal € 882,- per maand bedroeg, en dat de behoefte geïndexeerd naar 2018 dan in totaal € 914,-, dat is € 457,- per kind per maand bedroeg.

ingangsdatum

5.3

De eerste grief van de man ziet op de door de rechtbank gehanteerde ingangsdatum bij de vaststelling van de kinderalimentatie, te weten 1 augustus 2018.

Als de rechter een alimentatieverplichting oplegt, wijzigt of laat eindigen, dan heeft hij (op grond van artikel 1:402 BW) grote vrijheid bij het bepalen van de ingangsdatum. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad gelden met betrekking tot de door de rechter te bepalen ingangsdatum van een (gewijzigde) onderhoudsverplichting de volgende regels:

(i) De rechter die beslist op een verzoek tot wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud, zal in het algemeen behoedzaam gebruik moeten maken van zijn bevoegdheid de wijziging te laten ingaan op een vóór zijn uitspraak gelegen datum, met name indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van hetgeen in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald of verhaald.

(ii) Deze behoedzaamheid geldt ook voor de rechter in hoger beroep die met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum een zodanige wijziging brengt in de door de rechter in eerste aanleg vastgestelde of gewijzigde bijdrage dat zij kan leiden tot de hiervoor bedoelde ingrijpende gevolgen.

(iii) Deze behoedzaamheid brengt mee dat de rechter naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd, zal moeten beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen in overeenstemming met diens behoefte aan levensonderhoud reeds is uitgegeven, en dat de rechter, indien dit naar zijn oordeel het geval is, van zijn beoordeling rekenschap zal moeten geven in de motivering.

In deze regels (i)-(iii) ligt besloten dat de rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum, steeds aan de hand van hetgeen ten processe is gebleken, zal moeten beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. Hij is derhalve bij die beoordeling niet afhankelijk van een door de onderhoudsgerechtigde gevoerd, op die terugbetaling betrekking hebbend verweer.

Het hof stelt vast dat de uitvoering van de co-ouderschapsregeling in de loop van 2018 is geëindigd. Uit de stellingen van partijen leidt het hof af dat het partijen niet is gelukt om in onderling overleg tot overeenstemming te komen over een eventuele bijdrage ten laste van de man voor de kosten van de kinderen bij de vrouw. De vrouw heeft hierover pas in het voorjaar van 2019 een advocaat benaderd. Na correspondentie via de advocaat van de vrouw met de man is vervolgens op 9 juli 2019 een verzoekschrift door de advocaat van de vrouw bij de rechtbank ingediend. Het hof is van oordeel dat het voor rekening en risico van de vrouw dient te komen dat zij een lange periode heeft gewacht met het indienen van een verzoek om te komen tot een gerechtelijke vaststelling van een bijdrage voor de kinderen. Het feit dat er een periode discussie is geweest tussen partijen over de zorgregeling en de vrouw eerst wilde proberen in overleg tot een oplossing te komen, maakt dit oordeel niet anders. De man heeft pas vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift door de vrouw rekening kunnen en moeten houden met een gerechtelijke vaststelling van kinderalimentatie. Het hof acht het redelijk om als ingangsdatum voor een eventuele gerechtelijke vaststelling 1 augustus 2019 te hanteren, de eerste dag van de maand volgend op de datum waarop het verzoekschrift door de vrouw is ingediend.

Het vorenstaande betekent dat de eerste grief van de man slaagt en het hof de onderhoudsverplichting van de man jegens zijn kinderen zal beoordelen met ingang van 1 augustus 2019.

5.4

De man heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat hij bij is met het betalen van de kinderalimentatie aan de vrouw. De vrouw heeft dit bevestigd. Dat betekent dat de beslissing van dit hof tot een aanzienlijke terugbetalingsverplichting voor de vrouw zal leiden. Hoewel hiermee in het algemeen behoedzaam moet worden omgegaan, is het hof gelet op de omstandigheden van het geval van oordeel dat dit van de vrouw gevergd kan worden. De betalingsverplichting vanaf 1 augustus 2018 is pas vastgesteld in de bestreden beschikking van 9 januari 2020. De vrouw wist dat de man het in principe niet eens was met de beslissing van de rechtbank, gelet op het door hem ingenomen standpunt in de procedure in eerste aanleg. De vrouw kon en moest er daarom rekening mee houden dat de man misschien in hoger beroep zou gaan, zoals dus ook daadwerkelijk het geval is. Verder blijkt uit de beschikking in eerste aanleg ook dat de vrouw zoveel draagkracht heeft dat zij in staat is om zelf in de behoefte van de kinderen te voorzien. De vrouw heeft de door de man voldane kinderalimentatie dus niet hoeven uitgeven omdat zij anders niet in staat was om in de behoefte van de kinderen te kunnen voorzien. Zij had voldoende financiële middelen om de door de man betaalde kinderalimentatie te reserveren voor het geval het hof een ander oordeel dan de rechtbank zal geven en er een terugbetalingsverplichting voor haar ontstaat.

5.5

Het hof zal bij de vaststelling van de bijdrage voor de kinderen de richtlijnen voor de berekening van kinderalimentatie van de Expertgroep Alimentatienormen toepassen.

5.6

Nu het hof van oordeel is dat de kinderalimentatie pas met ingang van 1 augustus 2019 moet worden vastgesteld, indexeert het hof de behoefte van de kinderen naar 2019.

Per 1 augustus 2019 hebben de kinderen behoefte aan in totaal afgerond € 932,- per maand, dat is afgerond € 466,- per kind per maand.

inkomen van de man

5.7

De man heeft in zijn tweede grief gesteld dat de rechtbank zijn draagkracht niet had moeten baseren op zijn voormalige inkomen bij [B] van € 55.176,- bruto per jaar, maar dat zijn draagkracht op zijn werkelijke inkomen moet worden gebaseerd, een inkomen dat aanmerkelijk lager is. De man heeft toegelicht dat hij bij [B] boventallig is verklaard en dat zijn dienstverband per 1 augustus 2018 is geëindigd. De transitievergoeding die hij bij zijn ontslag heeft ontvangen is uitgegeven aan de verbouwing van de woning die hij bewoonde met zijn nieuwe partner, aan de kosten van de huishouding en aan de kosten voor omscholing tot leraar wiskunde. In september 2018 is hij gestart met de opleiding en hij is ook direct gaan werken op middelbare scholen. Hij kan steeds verschillende invalfuncties vervullen voor een beperkt aantal uren per week. Tot maart 2020 werd zijn inkomen aangevuld met een WW-uitkering (salaris € 1.731,43 en

WW € 2.003,76 per maand). Inmiddels heeft hij voor het huidige schooljaar vier afzonderlijke contracten die gezamenlijk leiden tot een contract voor 0,7 Fte (28 uur per week) tot 1 augustus 2021. Het bruto salaris van de man bedraagt op dit moment € 2.854,60 bruto per maand en de man heeft aanspraak op een eindejaarsuitkering en vakantiegeld. Hij verwacht zijn opleiding medio of eind 2021 af te ronden en hoopt dan een vaste aanstelling bij een school te kunnen krijgen.

De man stelt dat verder van belang is dat hij een geregistreerd partnerschap was aangegaan met zijn nieuwe partner, maar dat dit partnerschap per 6 mei 2020 is ontbonden. De woning die hij met deze partner in eigendom had, is inmiddels verkocht en zij wonen niet meer samen. Hij heeft na de verkoop van de woning een bedrag van € 30.000,- tot zijn beschikking gekregen. Daarvan heeft hij schulden en achterstallige betalingen, waaronder de onderhoudsbijdragen, voldaan. Er is nog ongeveer € 9.000,- over en dat heeft hij nodig om van te leven, omdat hij met de thans geldende alimentatieverplichtingen en zijn overige maandlasten nog € 35,27 per maand te besteden overhoudt. Bovendien heeft hij dit geld nodig om in aanmerking te komen voor renteaftrek als hij weer een woning wil kopen.

De man is van mening dat vanwege de diverse wijzigingen in zijn situatie zijn draagkracht moet worden berekend over drie periodes.

5.8

De vrouw voert verweer tegen deze stellingen. De man heeft in 2018 een transitievergoeding ten bedrage van € 71.517,- ontvangen. Deze is bedoeld ter aanvulling van lagere inkomsten als gevolg van zijn ontslag tot zijn oorspronkelijk inkomen. Van de man mag worden gevergd dat hij zijn inkomen met andere werkzaamheden aanvult, zo nodig buiten het onderwijs. Met behulp van de transitievergoeding kan hij zich juist omscholen met behoud van salaris.

5.9

Het hof is van oordeel dat de transitievergoeding die de man heeft ontvangen ook is bedoeld om het inkomen van de man aan te vullen tot het in zijn dienstverband laatst verdiende salaris. Het hof gaat voorbij aan de stelling van de man dat hij daarvan niet op de hoogte was en dat hij, wanneer hij dat wel had geweten, mogelijk andere keuzes zou hebben gemaakt. De man was wel bekend met het feit dat op hem jegens [de minderjarige1] en [de minderjarige2] een onderhoudsverplichting rust. Van ouders wordt verwacht dat zij zoveel mogelijk bijdragen in de kosten van de verzorging en opvoeding van hun kinderen. Het feit dat de vrouw in staat is om in een aanzienlijk deel van de behoefte van de kinderen te voorzien, is niet van invloed op de verantwoordelijkheid van de man op dit punt. Gelet op het laatst verdiende inkomen dat de man heeft genoten, is zijn verdiencapaciteit € 55.176,- bruto per jaar. Het feit dat de man er voor kiest zich om te scholen tot wiskundeleraar en dat hij geen baan meer wil zoeken in zijn oude branche of ergens anders is een keuze die de man mag maken, maar die keuze dient er niet toe te leiden dat hij minder mogelijkheden heeft om in de kosten van de kinderen te kunnen bijdragen. Dat was ook niet nodig omdat hij bij zijn vertrek bij [B] een flinke som geld heeft ontvangen. De man mocht naar het oordeel van de rechtbank met het oog op zijn onderhoudsverplichting jegens de kinderen vanwege zijn lagere inkomen niet de keuze maken om de transitievergoeding te investeren in de verbouwing van de woning met zijn partner. Deze keuze dient voor zijn rekening en risico te komen. Gelet op de hoogte van het bedrag zou de man een flink aantal jaren in staat zijn geweest om zijn inkomen aan te vullen tot het oude niveau. Daarbij komt nog dat de man met onderliggende stukken niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij de transitievergoeding exact heeft besteed en welk bedrag hij na verkoop van de woning met zijn partner heeft ontvangen en welk gedeelte van dat bedrag waaraan is uitgegeven.

Het hof is daarom van oordeel dat de tweede grief van de man faalt. De draagkracht van de man moet worden gebaseerd op zijn voormalige inkomen zoals de rechtbank ook heeft gedaan. Daarvoor hoeven geen verschillende periodes te worden gehanteerd.

5.10

Indien het hof dit inkomen hanteert en rekening houdt met de tarieven 2019 (tweede helft) dan leidt dit inkomen voor de man tot een netto besteedbaar inkomen (verder NBI) van € 3.106,- per maand. Het hof zal de berekening aan deze beschikking hechten.

woonforfait in de formule

5.11

De draagkracht van de man wordt berekend aan de hand van een formule, die in 2019 als volgt is: 70% [NBI - (0,3 x NBI + 950)].

De derde grief van de man houdt in dat hij van mening is dat de rechtbank het woonlastenforfait in de draagkrachtformule ten onrechte heeft gehalveerd. De vrouw voert ook op dit punt verweer.

Het hof overweegt dat de man een deel van zijn NBI nodig heeft om zijn noodzakelijke lasten te betalen: het draagkrachtloos inkomen. Daarbij wordt uitgegaan van een woonlast van 30% van het NBI. De forfaitaire wijze van berekening van de draagkracht voor kinderalimentatie is gebaseerd op het uitgangspunt dat de alimentatieplichtige een budget ter beschikking heeft waarbinnen de alimentatieplichtige een vrije keuze heeft hoe dit budget te besteden. Besparingen op bepaalde lasten leveren meer ruimte op om andere lasten te voldoen en andersom. Het hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de situatie van de man onvoldoende aanleiding geeft om af te wijken van het forfaitaire stelsel. Het enkele feit dat de man een lagere feitelijke woonlast had dan het forfait is daarvoor niet genoeg. Bovendien wordt de draagkracht van de man vastgesteld aan de hand van zijn voormalige inkomen, terwijl hij het afgelopen jaar een lager feitelijk inkomen heeft gehad, een inkomen dat hij geacht wordt aan te vullen.

De derde grief van de man slaagt naar het oordeel van het hof. Aan de hand van het voormelde NBI en de formule waarin de forfaitaire woonlast wordt meegenomen, is de draagkracht van de man € 857,- per maand.

bijdrage voor [C]

5.12

De man heeft ook een grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat geen rekening hoeft te worden gehouden met de bijdrage die hij voldoet aan zijn meerderjarige dochter [C] als bijdrage in haar kosten van levensonderhoud en studie. Hij heeft geen contact met [C] en kent haar situatie niet, maar betaalt wel een onderhoudsbijdrage voor haar. Uit de door de man in hoger beroep overgelegde stukken blijkt dat de man de door hem genoemde bijdrage van € 255,50 in 2019 en € 261,79 in 2020 daadwerkelijk aan [C] heeft voldaan, zij het op onregelmatige basis. De vrouw heeft dit in hoger beroep erkend en heeft daarover opgemerkt dat haar bekend is dat [C] haar opleiding in 2020 hoopt af te ronden en dat het de bedoeling is dat [C] dan zelf in haar kosten van levensonderhoud gaat voorzien met een eigen inkomen. Subsidiair stelt de vrouw dat de bijdrage zal eindigen omdat [C] 21 jaar wordt. De vrouw verzoekt het hof daarom de bijdrage voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te berekenen in de huidige situatie, maar ook in de situatie dat de man geen bijdrage meer voor [C] hoeft te betalen.

Het hof is van oordeel dat de draagkracht van de man uitsluitend op basis van de huidige situatie moet worden vastgesteld en rekening moet worden gehouden met de bijdrage voor [C] in 2019 van € 255,50 per maand. Op dit moment staat nog niet vast per welke datum de bijdrage voor [C] zal eindigen en welke tarieven dan gelden. Partijen kunnen aan de hand van de huidige door het hof gegeven uitgangspunten met hulp van hun advocaten in onderling overleg de bijdrage aanpassen op het moment dat de bijdrage voor [C] eindigt.

De vierde grief van de man slaagt eveneens. Het hof vermindert de draagkracht van de man met de bijdrage van [C] , zodat een bedrag van in totaal € 602,- voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] per maand resteert.

onderhoudsplicht van de man jegens zijn stiefkinderen

5.13

In de vijfde grief stelt de man dat de rechtbank ook rekening had moeten houden met zijn onderhoudsplicht jegens de kinderen van zijn nieuwe partner met wie hij tot mei 2020 heeft samengewoond. Er was sprake van een geregistreerd partnerschap en deze kinderen verbleven een aanzienlijk deel van de tijd in zijn gezin in het kader van een co-ouderschap-regeling. Hij heeft veel voor de kinderen van zijn partner gezorgd omdat hij in die periode veel tijd thuis doorbracht. In beginsel zijn alle onderhoudsverplichtingen van gelijke rang.

Of de ouders zelf in de behoefte van deze kinderen kunnen voorzien is niet zozeer van belang. Nu de situatie vanaf mei 2020 is veranderd, moet de kinderalimentatie worden berekend in meerdere situaties.

De vrouw voert verweer en stelt dat onzeker is of de man moet bijdragen, omdat de gegevens om dat te kunnen bepalen ontbreken.

Het hof is van oordeel dat de vijfde grief van de man faalt. De man heeft zijn stellingen niet nader met gegevens onderbouwd en hij heeft de stelling van de vrouw dat de ouders van deze kinderen voldoende inkomen hebben om zelf in de behoefte van deze kinderen te kunnen voorzien op zichzelf niet betwist. De man heeft verder niet onderbouwd in welke mate de kinderen van zijn partner tot hun gezin behoorden, waar deze kinderen stonden ingeschreven en wat de behoefte van deze kinderen is. Financiële gegevens van het inkomen van zijn voormalige partner en van de vader van deze kinderen ontbreken. Het hof is daarom niet in staat om te beoordelen of het redelijk is dat de man ook bijdroeg in een deel van de kosten van deze kinderen. Dat dient daarom voor risico van de man te komen. Om die reden is het hof net als de rechtbank van oordeel dat geen rekening met een bijdrage voor de kinderen van zijn partner mag worden gehouden.

verdeling van de kosten voor de kinderen

5.14

De zesde grief van de man betreft een zogeheten veeggrief. Volgens de man heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat zijn aandeel in de kosten van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in totaal € 508,- moet zijn.

5.15

Het hof stelt vast dat de man geen grief heeft gericht tegen de wijze waarop de rechtbank de draagkracht van de vrouw heeft berekend. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de man nog opgemerkt dat het inkomen van de vrouw mogelijk is gestegen en dat zij daarom recente inkomensgegeven had moeten overleggen. De vrouw heeft daarop verklaard dat haar inkomen niet is gestegen. De stellingen van partijen geven geen aanleiding om aan te nemen dat het inkomen van de vrouw substantieel is gewijzigd en het hof berekent de draagkracht van de vrouw bovendien per 1 augustus 2019. Het hof gaat daarom uit van hetzelfde inkomen dat de rechtbank heeft gehanteerd, te weten een inkomen van € 47.011,- bruto per jaar. Rekening houdend met het kindgebonden budget waarop de vrouw recht heeft en met de heffingskortingen leidt dat in 2019 tot een NBI van € 3.291,- per maand.

Na toepassing van dezelfde formule die het hof ook bij de man heeft gebruikt, heeft de vrouw een draagkracht van € 948,- per maand in totaal.

Het hof zal deze berekening eveneens aanhechten.

5.16

Na een vergelijking van de draagkracht van de man en de vrouw, dient de man een bedrag van € 362,- van zijn draagkracht van € 602,- per maand aan te wenden voor de behoefte van de kinderen van in totaal € 932,- per maand. De vrouw dient van haar draagkracht van € 948,- per maand een bedrag van € 570,- per maand aan te wenden voor de behoefte van de kinderen.

Per kind moet de man dan € 181,- per maand en de vrouw € 285,- per maand voldoen.

5.17

De kosten van de verdeling van de zorg worden in aanmerking genomen als een percentage van de behoefte, de zorgkorting. Het percentage van de zorgkorting is afhankelijk van de frequentie van de zorg. Tussen partijen is niet in geschil dat op het aandeel van de man een zorgkorting van 5% in mindering moet worden gebracht.

5.18

Uit de aangehechte berekening en de verdeling van de kosten van de kinderen volgt dat de man na aftrek van de zorgkorting van € 23,- per kind per maand met ingang van
1 augustus 2019 een bedrag van € 158,- per kind per maand dient te betalen. In 2020 dient de man na wettelijke indexering een bedrag van € 162,- per kind per maand te voldoen.

De slotsom

5.19

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slagen de grieven van de man gedeeltelijk. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als hierna

onder 6 zal worden vermeld.

5.20

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen (gewezen) echtgenoten zijn en de procedure de bijdrage aan de uit die relatie geboren kinderen betreft.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 9 januari 2020,

en opnieuw beschikkende:

wijzigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, en het in die beschikking opgenomen ouderschapsplan ten aanzien van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van partijen:

  • -

    [de minderjarige1] , geboren [in] 2007 te [A] , en

  • -

    [de minderjarige2] , geboren [in] 2008 te [A] ;

bepaalt dat de man met ingang van 1 augustus 2019 als bijdrage voor de kinderen een bedrag van € 162,- per kind per maand en met ingang van 1 januari 2020 een bedrag van
€ 162,- per kind per maand aan de vrouw dient te betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Smeeïng-van Hees, E.B. Knottnerus en M.E.L. Klein, bijgestaan door de griffier, en is op 22 december 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.