Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:10747

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-12-2020
Datum publicatie
02-02-2021
Zaaknummer
200.268.618/03
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikelen 1:253a van het Burgerlijk Wetboek en 1:392 (BW); hoofdverblijfplaats kinderen, verdeling zorg- en opvoedingstaken en kinderalimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.268.618/01 en 200.268.618/03

(zaaknummer rechtbank Gelderland 354405)

beschikking van 22 december 2020

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verzoeker,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. J.M. Wigman te Den Haag,

en

[verweerster] ,

wonende op een geheim adres,

verweerster,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. E.M.C. Tinneveld te Arnhem.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Voor het verloop van het geding tot 19 december 2019 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.

1.2

In voormelde tussenbeschikking heeft het hof, voor zover hier van belang:

I. op het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen (met het zaaknummer 200.268.618/03) de raad verzocht op basis van de stukken de volgende vragen te beantwoorden:

  • -

    aan welke ouder dienen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te worden toevertrouwd, en

  • -

    welke voorlopige zorgregeling is het meest in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ?

II. in de hoofdzaak (met het zaaknummer 200.268.618/01) de raad verzocht een onderzoek te (doen) instellen ter beantwoording van de volgende vragen:

  • -

    bij welke ouder is de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] het meest in hun belang?

  • -

    welke zorgverdelingsregeling is het meest in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ?

  • -

    in hoeverre komen uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn gekomen in voornoemde vragen, maar die wel van belang zijn met betrekking tot de te nemen beslissingen, zoals de vraag of een beschermingsonderzoek moet worden uitgevoerd?

en daarover uiterlijk op 26 juni 2020 te rapporteren en te adviseren.

1.3

Het verdere verloop blijkt uit:

- een rapport van de raad van 29 juni 2020;

- twee journaalberichten van mr. Wigman van 30 november 2020 met producties.

1.4

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 december 2020. Aanwezig waren:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en

- [B] namens de raad.

1.5

Het hof laat de bijlagen die mr. Wigman bij het tweede journaalbericht van 30 november 2020, de dag voor de mondelinge behandeling, in het geding heeft gebracht, buiten beschouwing (artikel 87 lid 6 Rv). De goede procesorde verzet zich daartegen niet.

2 De motivering van de beslissing

2.1

Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de (tussen)beschikking van

19 december 2019, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.

de voorlopige voorzieningen (zaaknummer 200.268.618/03)

2.2

Het hof zal bij deze beschikking uitspraak doen in de hoofdzaak. Gelet hierop heeft de vader geen belang meer bij zijn verzoeken tot het treffen van voorlopige voorzieningen. Dit brengt mee dat het hof deze verzoeken zal afwijzen.

de hoofdzaak (zaaknummer 200.268.618/01)

hoofdverblijfplaats kinderen en verdeling zorg- en opvoedingstaken

2.3

De ouders hebben samen het gezag. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten:
a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 377a, derde lid, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;

b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.

2.4

Het hof wijst het verzoek van de vader de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem te bepalen af.

2.5

De moeder is in maart 2019 met de kinderen uit de echtelijke woning gevlucht. Volgens de moeder was tijdens het huwelijk sprake van huiselijk geweld. De vader ontkent dat.

2.6

In het rapport van de raad van 29 juni 2020 staat dat de moeder de afgelopen jaren de hoofdopvoeder is geweest van de kinderen. Zowel tijdens het huwelijk als na het verbreken van de relatie met de vader heeft de moeder de dagelijkse zorg en opvoeding van de kinderen op zich genomen. In het onderzoek van de raad zijn geen zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder naar voren gekomen. De moeder staat open voor hulpverlening en zij biedt de kinderen de structuur en verzorging die zij nodig hebben. Nu de kinderen het goed hebben bij de moeder, zij al ruim anderhalf jaar geen contact meer hebben met de vader en de vader volgens de raad in het rapport weinig actie onderneemt tot contact met de kinderen, is het hof net als de raad van oordeel dat het vanuit de behoefte aan stabiliteit en continuïteit het meest in het belang van de kinderen is dat zij hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben.

2.7

Met de raad is het hof van oordeel dat het nodig is dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] weten wie hun vader is. Ze hebben lange tijd geen contact met hem gehad en moeten hem opnieuw leren kennen. Het is nodig dat zij weer een affectieve relatie met hem aan mogen en kunnen gaan. Dit is goed voor het zelfvertrouwen en zelfbeeld van beide kinderen. Het hof is met de raad van oordeel dat het in het belang van de kinderen noodzakelijk is dat dit contact in eerste instantie onder begeleiding wordt opgestart. Het verzoek van de vader tot vaststelling van een zorg- en contactregeling tussen hem en de kinderen stuit helaas af op zijn onwil om begeleid contact met de kinderen te accepteren. Het hof vindt het zorgelijk dat de kinderen opgroeien zonder de vader. De eerste jaren van hun leven was de vader aanwezig en hebben de kinderen een hechtingsrelatie met hem ontwikkeld. Die hechtingsrelatie is abrupt verbroken en dat is niet goed. Het ontbreken van de vader in het leven van de kinderen kan een negatieve invloed hebben op hun zelfbeeld en hun zelfvertrouwen.

2.8

Hoewel de moeder achter contact tussen de vader en de kinderen staat, mits dit begeleid is, en de vader zegt dat hij de kinderen enorm mist, lukt het toch nog niet om stappen in die richting te zetten. Zo is de vader uitgenodigd door het wijkteam in [C] om in gesprek te gaan over contactherstel met de kinderen. De vader heeft dit geweigerd. Volgens hem kunnen de kinderen “gewoon” bij hem thuis komen. Namens de raad is op de mondelinge behandeling benadrukt dat begeleiding van het contact belangrijk is voor de kinderen, niet alleen omdat de ouders in 2019 op een roerige manier uit elkaar zijn gegaan, maar ook omdat er inmiddels al geruime tijd geen contact meer is geweest tussen de vader en de kinderen. Desondanks bleek de vader op de mondelinge behandeling niet bereid tot het accepteren van begeleid contact. Met deze houding laat de vader zien dat hij onvoldoende in staat zich te verplaatsen in de kinderen en in hun belang te handelen. Wanneer de vader alsnog bereid is tot begeleid contact met de kinderen, dan kan hij zich tot het wijkteam wenden. In dat geval kan worden gekeken hoe het contact zich ontwikkelt en kan,, als het contact tussen de vader en de kinderen naar wens verloopt, toegewerkt worden naar een onbegeleid contact.

alimentatie

2.9

De moeder stelt dat de vader als zelfstandige werkzaam is. Zij heeft hem verzocht de aangiften en aanslagen IB over de jaren 2016 tot en met 2018 te overleggen. Zij stelt dat de vader een ruim inkomen geniet en dat zij verwacht dat hij een bijdrage van € 500,- per kind per maand zou kunnen voldoen. De vader voert aan dat de behoefte van de kinderen lager is dan € 500,- per kind en dat hij geen draagkracht heeft om in die behoefte te voorzien. Hij heeft toegezegd in de loop van de procedure de stukken die nodig zijn voor de berekening van de alimentatie en een berekening van de behoefte en draagkracht over te leggen. Het hof moet constateren dat hij dat niet heeft gedaan. Hij heeft de stelling van de moeder weliswaar betwist maar dat onvoldoende toegelicht. Het hof gaat daarom uit van de juistheid van wat de moeder stelt en moet het ervoor houden dat de behoefte € 500,- per kind per maand is en dat de vader voldoende draagkracht heeft om dat te betalen.

3 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van de kinderen, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen bekrachtigen.

4 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

in de zaak net nummer 200.268.618/03

wijst het verzoek van de vader tot het treffen van voorlopige voorzieningen af;

in de zaak met nummer 200.268.618/01

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van

15 augustus 2019 met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van de kinderen, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, voorzitter, E.B. Knottnerus en

K.A.M. van Os - ten Have, bijgestaan door mr. J.M. van Gastel-Goudswaard als griffier, en is op 22 december 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.