Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:10720

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-12-2020
Datum publicatie
24-12-2020
Zaaknummer
200.179.004/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eindarrest. Vervolg op tussenarrest 12 december 2017 (ECLI:NL:GHARL:2017:10927) en enige nadien gewezen procedure tussenarresten. Aan de hand van deskundigenbericht wordt vraag beantwoord of de taxateur in redelijkheid tot zijn herbouwwaarde is gekomen. Bespreking van indexering, kuberingsmethode en methode vierkante meter prijzen. Zelfstandig oordeel hof. Kanttekeningen bij zorgvuldigheid deskundigenbericht. Vaststelling salaris van deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.179.004/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/377378)

arrest van 22 december 2020

in de zaak van

Tussenholding Van Knippenberg B.V.,

gevestigd te Hedel,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Van Knippenberg B.V.,

advocaat: mr. E.J. Eijsberg, kantoorhoudend te Rotterdam,

tegen

1 Industrieel Taxatiebureau De Kok Iteb V.O.F.,

gevestigd te Nederhorst den Berg,

hierna: De Kok v.o.f.,
2. [geïntimeerde2] ,
wonende te [A] ,
hierna: [geïntimeerde2],

3. [geïntimeerde3] ,
wonende te [A] ,
hierna: [geïntimeerde3],
geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk: [geïntimeerden] c.s.,

advocaat: mr. R.V. de Lauwere, kantoorhoudend te Hilversum.

1 Het verdere verloop in hoger beroep

1.1

Bij tussenarrest van 25 februari 2020 is een comparitie van partijen gelast, waarbij tevens de door het hof bij arrest van 2 mei 2018 benoemde deskundige [B] (hierna: de deskundige) is opgeroepen. Voorts is in het tussenarrest een aanvullend voorschot

op de deskundigenkosten bepaald dat tijdig door Van Knippenberg B.V. is betaald. De comparitie van partijen is gehouden op 9 maart 2020, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Het proces-verbaal is aan de processtukken toegevoegd.

1.2

Op de comparitie van partijen is afgesproken dat de deskundige op een aantal aspecten nog een nadere toelichting zal geven. Dit is vastgelegd bij brief van het hof aan de deskundige van 9 maart 2020. De deskundige heeft bij brief van 30 maart 2020 aanvullende informatie gegeven en bij e-mailbericht van 6 april 2020 bijlage D toegezonden. Partijen hebben op de nadere bevindingen van de deskundige gelijktijdig bij akte en memorie na aanvullend deskundigenbericht gereageerd. Tot slot hebben beide partijen nog een antwoord-memorie genomen. Nadat partijen de aanvullende processtukken hadden gefourneerd, is de datum voor arrest bepaald.

2 Verdere beoordeling

toetsingsnorm

2.1

Het hof heeft de vraag te beantwoorden of [geïntimeerden] c.s. als redelijk handelend en redelijk vakbekwaam taxateurs tot de in 2011 getaxeerde herbouwwaarde van het bedrijfspand van € 1.036.000,-, excl. ontruimingskosten, hebben kunnen komen.

feiten en omstandigheden in 2011

2.2

Bij de beantwoording van deze vraag heeft het hof uit te gaan van de feiten en omstandigheden ten tijde van de uitgebrachte taxatie in 2011. Een reconstructie van de relevante feiten en omstandigheden in 2011 is niet eenvoudig. Het bedrijfspand is in 1999 gebouwd en op 6 maart 2013 (gedeeltelijk) door brand verwoest. Beide partijen beschikken over de bouwtekening uit 1999, maar niet meer over verdere gegevens uit 1999, zoals de aannemingsovereenkomst, facturen etc. Het taxatierapport van [geïntimeerden] c.s. bevat een summiere omschrijving van het bedrijfspand in 2011. Verder zijn er enige foto’s van het oude bedrijfspand en zijn via internet (door partijen en de deskundige) nog enkele gegevens achterhaald.

2.3

Op basis van de beschikbare gegevens gaat het hof in ieder geval uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Het bedrijfspand bestond uit een kantoorgedeelte en een bedrijfshal. In het tussenarrest van 12 december 2017 heeft het hof in randnummer 5.22 vastgesteld, dat de inhoud van het kantoorgedeelte circa 650 m³ en van de bedrijfshal circa 14.700 m³ was.

Nadat de door het hof benoemde deskundige kennis had gekregen van de bouwtekening uit 1999 heeft de deskundige de oppervlakte van de bedrijfshal op 1.800 m² en van de kantoorruimte op 350 m² - waarvan 220 m² uitpandig en 130 m² inpandig - berekend. Tot deze oppervlaktes behoren niet de na 2011 gerealiseerde uitbreidingen. Van Knippenberg B.V. ging van deze oppervlaktes al uit. [geïntimeerden] c.s. hebben naar aanleiding van de laatste rapportage van de deskundige opgemerkt dat volgens hen de deskundige het uitpandige kantoor heeft berekend op 209 m² zodat van die oppervlakte moet worden uitgegaan. Het hof volgt [geïntimeerden] c.s. daarin niet. De deskundige kent het oude bedrijfspand niet en heeft aan de hand van de oorspronkelijke bouwtekening, enige foto’s en Google Earth een reconstructie gemaakt. Op basis van de gegevens van Google Earth kwam de deskundige tot 209 m², met de vermelding dat de afwijking van deze meting maximaal 7% is. In de berekeningen heeft de deskundige vervolgens met 220 m² gerekend, kennelijk op basis van de andere gegevens en ervan uitgaande dat die oppervlakte de juiste oppervlakte van de uitpandige kantoorruimte is en dat die oppervlakte tezamen met 130 m² inpandige kantoorruimte tot het totaal van

350 m² aan kantoorruimte leidt.

Tot het te taxeren object behoren in ieder geval de onderdelen die [geïntimeerden] c.s. in het taxatierapport van 2011 op pagina 5 hebben aangegeven, te weten:

  • -

    (j) de bedrijfsterreinafscheidingen van stalen hekwerken met 3 elektronische rolhekken alsmede overige kleine betimmeringen etc.

  • -

    (k) de bestratingen en/of tuinaanleg rond het bedrijfsgebouw tot ca. 5 meter buiten de gevels, voor zover eigendom en/of voor rekening van Van Knippenberg B.V.

door [geïntimeerden] c.s. getaxeerde waarde in 2011 getoetst aan de hand van indexering

2.4

[geïntimeerden] c.s. hebben het bedrijfspand in het taxatierapport van 27 september 2011 getaxeerd op € 1.166.000,- , excl. btw. Dit getaxeerde bedrag bestaat uit € 1.036.000,- aan bouwwaarde/herbouwwaarde van het bedrijfspand en € 130.000,- aan ‘opruimingskosten’.

2.5

Op de zitting van 4 oktober 2017 hebben [geïntimeerden] c.s. verklaard dat zij niet meer beschikken over de berekening die in 2011 tot het door hen getaxeerde bedrag heeft geleid. Zij hebben nog wel enige notities/aantekeningen. Zo heeft [geïntimeerde2] ter zitting verklaard dat op het taxatierapport van 2008 ten behoeve van de taxatie in 2011 enige aantekeningen zijn gemaakt. [geïntimeerde2] heeft op dat taxatierapport de datum van 28 juli 2011 geschreven. Dat is de dag waarop [geïntimeerde2] het bedrijfspand ten behoeve van de taxatie in 2011 heeft opgenomen. Verder is met het handschrift van [geïntimeerde3] op dat taxatierapport geschreven dat op de taxatie uit 2008 een waardestijging van 7,25% moet worden toegepast. Daarnaast is er een niet getekend papier met aantekeningen. Daarop staat een waardestijging van 7,25% op de taxatie in 2008 en het inflatiepercentage van 2,3%.

Voorts hebben [geïntimeerden] c.s. verklaard dat in algemene zin hun werkwijze was dat zij het bedrijfspand bezichtigden, contact zochten met bouwbedrijven over kubieke meterprijzen en vervolgens op basis van hun kennis en ervaring tot de getaxeerde herbouwwaarde kwamen.

2.6

[geïntimeerden] c.s. hebben de herbouwwaarde van het bedrijfspand in 2008 gewaardeerd op € 962.000,-. De deskundige is gevraagd (vragen b en e) tot welke herbouwwaarde wordt gekomen als dit bedrag wordt geïndexeerd naar het jaar 2011. De deskundige heeft geantwoord dat de gebruikelijke index de bouwkostenindex is en dat voor die jaren rekening moet worden gehouden met een kostenstijging van 0,6%. Alsdan is de herbouwwaarde in 2011 € 970.000,-.

De deskundige is gevraagd of er ook andere indexen dan de bouwkostenindex zijn om de herbouwwaarde in 2011 aan de hand van de herbouwwaarde uit 2008 te berekenen. De deskundige heeft erop gewezen dat er andere indexen zijn, zoals de zogeheten CPI index, maar dat die andere indexen voor de berekening van de herbouwwaarde niet beter zijn. Het hof volgt de deskundige hierin.

[geïntimeerden] c.s. zijn met de herbouwwaarde van € 1.036.000,- excl. opruimingskosten op een wat hoger bedrag uitgekomen dan de deskundige die een geïndexeerd bedrag van € 970.000,- heeft berekend. In zoverre is de getaxeerde herbouwwaarde in 2011 niet te laag geweest. De deskundige heeft er terecht op gewezen dat bij indexering op basis van de herbouwwaarde in 2008 van de veronderstelling wordt uitgegaan dat de herbouwwaarde in 2008 juist is geweest. Dat staat niet vast. Daardoor kan louter op basis van de indexering aan de hand van de herbouwwaarde in 2008 niet worden beoordeeld of [geïntimeerden] c.s. in redelijkheid tot de getaxeerde herbouwwaarde in 2011 hebben kunnen komen.

2.7

[geïntimeerden] c.s. hebben de herbouw van de nieuwbouw in 1999 getaxeerd op € 746.469,- (NLG 1.645.000,-). [geïntimeerden] c.s. hebben toegelicht dat zij voor de berekening van dat bedrag gebruik hebben gemaakt van de documenten met de daadwerkelijke kosten die Van Knippenberg B.V. voor de bouw van het bedrijfspand heeft gemaakt. [geïntimeerden] c.s. stellen dat zij na het uitvoeren van die opdracht die documenten weer aan Van Knippenberg B.V. ter beschikking hebben gesteld. Die documenten zijn volgens Van Knippenberg B.V. met de brand in 2013 verloren gegaan, zodat die gegevens niet meer voorhanden zijn.

Van Knippenberg B.V. heeft bij de taxatie van de herbouwwaarde in 1999 eenvoudig het getaxeerde bedrag kunnen controleren aan de hand van de kosten die zij toen voor de bouw van het bedrijfspand had gemaakt. Niet gesteld of gebleken is dat Van Knippenberg B.V. toen tegen het getaxeerde bedrag aan herbouwwaarde bezwaar heeft gemaakt, zodat het hof ervan uitgaat dat de herbouwwaarde in 1999 een realistische herbouwwaarde was.

De deskundige is gevraagd de herbouwwaarde van € 746.469 te indexeren naar de herbouwwaarde in 2011 (vraag d). De deskundige komt met de bouwkostenindex tot 35,5% en daarmee op een geïndexeerde herbouwwaarde in 2011 van € 1.012.000,-. Dit bedrag ligt in de nabijheid van het door [geïntimeerden] c.s. in 2011 getaxeerde bedrag aan herbouwwaarde van € 1.036.000,- excl. opruimingskosten. Dit kan op zichzelf een aanwijzing zijn dat het door [geïntimeerden] c.s. in 2011 getaxeerde bedrag een realistische waarde voor de herbouw van het bedrijfspand gaf.

De deskundige heeft erop gewezen dat in de verzekeringswereld voor maximaal 6 jaar een eerder bepaalde herbouwwaarde wordt geïndexeerd. Een indexatie over een langere periode vergroot de kans op een onjuiste herbouwwaarde. Allereerst wordt de kans steeds groter dat de feitelijke situatie is gewijzigd. Ten tweede kan voor de herbouw relevante regelgeving, zoals het Bouwbesluit, zijn gewijzigd. Ten derde kunnen er volgens de deskundige andere materialen op de markt beschikbaar zijn gekomen die bij herbouw kunnen worden gebruikt en kunnen installaties die bij de herbouwwaarde van een pand worden betrokken een prijswijziging hebben ondergaan die niet in de bouwkostenindex is inbegrepen. Het hof neemt deze bezwaren over, zodat met de uitkomst op basis van de indexering van de realistische herbouwwaarde uit 1999 naar de herbouwwaarde (12 jaar later) in 2011 op zichzelf nog niet vast staat dat de door [geïntimeerden] c.s. in 2011 getaxeerde herbouwwaarde een realistische waarde is.

uitgangspunt herbouwwaarde in 2013 in het kader uitkering opstalverzekering

2.8

Het hof heeft de deskundige gevraagd (vraag f) de door Von Reth berekende herbouwwaarde in 2013 van € 1.442.817,- terug te rekenen naar 2011, zodat die uitkomst kan worden vergeleken met de door [geïntimeerden] c.s. in 2011 getaxeerde herbouwwaarde. Op basis van de gebruikelijke bouwkostenindex (2,5%) komt de deskundige voor 2011 tot een bedrag van € 1.406.743,-. Een andere index, de BDB index, komt weliswaar tot een belangrijk lager bedrag (€ 1.367.000,-), maar nu de deskundige de bouwkostenindex in de markt gebruikelijk acht en een redelijke inschatting van de kostenstijging in die periode geeft, zal het hof van het bedrag van € 1.406.743,- uitgaan.

2.9

Volgens de deskundige is de door Von Reth berekende herbouwwaarde niet de in redelijkheid te hanteren herbouwwaarde van het bedrijfspand in 2011. Ter zitting van 9 maart 2020 heeft de deskundige toegelicht dat hij de bedragen in de calculatie van Von Reth heeft vergeleken met prijzen uit andere informatiebronnen. Volgens de deskundige zit Von Reth globaal met circa 60% van de prijzen aan de bovenkant van de markt. De deskundige heeft ook acht geslagen op de productie waarin [geïntimeerden] c.s. (in 2017) aan de hand van de posten en bedragen van Von Reth hun inschatting van de prijzen hebben gemaakt en tot een totaalbedrag van € 1.052.000,- komen. De door [geïntimeerden] c.s. genoemde bedragen bij de afzonderlijke posten acht de deskundige, zo liet hij ter zitting weten, aan de te lage kant. De waardes die hij aan de verschillende posten toekent, liggen meestal tussen de prijzen van Von Reth en [geïntimeerden] c.s. in en die geven naar zijn inschatting de realiteit het beste weer. De deskundige heeft dit ter zitting met enige voorbeelden geïllustreerd.

Van Knippenberg B.V. heeft de berekening van Von Reth onder meer onderbouwd met de offerte van Bodavi. Ter zitting van 4 oktober 2017 heeft Van Knippenberg B.V. in dat verband opgemerkt dat uit die offerte van Bodavi blijkt dat de berekening van Von Reth reëel is. De deskundige heeft verklaard dat een onderbouwing van een berekening met slechts één offerte van een aannemer onvoldoende is. Het is gebruikelijk offertes van meerdere aannemers te vragen. Op die wijze kan een reële herbouwwaarde beter worden onderbouwd. Zo heeft de deskundige erop gewezen dat hij de kosten van de verdiepingsvloer in de offerte van Bodavi, zijnde € 145.000,-, extreem hoog vindt. Mede op basis van de foto’s in het dossier acht hij ter zitting de reële kosten € 25.000,- tot € 30.000,-.

Voorts heeft de deskundige ter zitting erop gewezen dat het ongebruikelijk is dat [geïntimeerden] c.s. bij de vaststelling van de herbouwwaarde na de brand niet zijn betrokken. Volgens de deskundige is het gebruikelijk dat op het moment van de schade de taxateur daarvan direct in kennis wordt gesteld en dat de contra-expert er meteen bij betrokken wordt. De taxateur moet dan de berekening overleggen. Er worden meerdere aannemers uitgenodigd voor een offerte. Vervolgens wordt bekeken of de herbouwwaarde van de taxatie de juiste is. De expert van de verzekeraar wil een zo laag mogelijk schadebedrag en de contra-expert een zo hoog mogelijk schadebedrag. In dit spanningsveld wordt getracht tot een redelijk bedrag te komen.

Deze kritiekpunten van de deskundige, die het hof overneemt, leiden er toe dat de door Von Reth in 2013 berekende herbouwwaarde (teruggerekend naar 2011) op zichzelf onvoldoende is om te beoordelen of [geïntimeerden] c.s. in 2011 in redelijkheid tot hun herbouwwaarde zijn gekomen. Het hof laat dan daar dat volgens [geïntimeerden] c.s. Von Reth in de berekening ook na 2011 gerealiseerde veranderingen heeft meegenomen, hetgeen door Van Knippenberg B.V. is bestreden.

kuberingsmethode

2.10

[geïntimeerden] c.s. hebben ter ondersteuning van de door hen in 2011 afgegeven herbouwwaarde in deze procedure nacalculaties op basis van kubieke meterprijzen overgelegd. Op deze wijze wordt de herbouwwaarde berekend volgens de zogeheten kuberingsmethode.

2.11

Ter zitting van 4 oktober 2017 hebben [geïntimeerden] c.s. toegelicht dat zij bij de kuberingsmethode zijn uitgegaan van € 221,- per m³ voor het kantoorgedeelte en

€ 47,- per m³ voor de bedrijfshal. [geïntimeerden] c.s. zijn tot deze prijzen gekomen op basis van de zogeheten Roeb-lijsten (prod. 3 bij memorie van antwoord). Uitgaande van de door het hof vastgestelde inhoud van het bedrijfspand leiden deze kubieke meterprijzen tot een bedrag van € 834.550,- (€ 143.650,- + € 690.900,-).

Dit bedrag moet nog worden vermeerderd, zoals ook [geïntimeerden] c.s. ter zitting van

7 januari 2017 hebben toegelicht en in de als prod. 3 bij memorie van antwoord overgelegde berekening is aangegeven, met de “extra’s” die [geïntimeerden] c.s. niet in die kubieke meterprijzen heeft meegenomen. In de berekening van [geïntimeerden] c.s. zijn dat de entresolvloeren (€ 10.000,-), het intern opgebouwde kantoor (€ 12.000,-), de luifel entree (€ 2.500,-), de uitbreiding krachtstroom (€ 7.500,-), ventilatie/airco (€ 10.000,-) en de terreinafscheiding/hekwerk (€ 22.950,-). Die extra’s bedragen totaal € 65.450,-. Daarmee is volgens [geïntimeerden] c.s. de herbouwwaarde van het bedrijfspand volgens de kuberingsmethode € 900.000,- (€ 834.550,- + 65450,-). [geïntimeerden] c.s. stellen dat uit hun berekening volgens de kuberingsmethode blijkt dat de door hen getaxeerde herbouwwaarde in 2011 niet te laag is geweest.

2.12

De deskundige is gevraagd of de kuberingsmethode een goede methode kan zijn voor de berekening van de herbouwwaarde en tot welke herbouwwaarde de deskundige zou komen als hij de kuberingsmethode toepast (vragen a en g).

2.13

De deskundige heeft ter zitting toegelicht dat op zichzelf de kuberingsmethode voor de berekening van de herbouwwaarde van een bedrijfspand kan worden gebruikt, maar dat voor kubering van belang is dat er doorsnede tekeningen zijn en de juiste bouwhoogte bekend is. Het hof stelt vast dat [geïntimeerden] c.s. het bedrijfspand kenden en dat zij de beschikking hadden over in ieder geval de bouwtekening. Onder deze omstandigheden kunnen [geïntimeerden] c.s. op verantwoorde wijze gebruik maken van de kuberingsmethode.

De deskundige heeft voorts opgemerkt dat bij de kuberingsmethode vergelijkingspanden moeten worden betrokken. De deskundige heeft in zijn brief van 30 maart 2020 opgegeven welke referentiepanden hij heeft gebruikt. [geïntimeerden] c.s. stellen in de antwoord memorie na het deskundigenbericht weliswaar dat zij de vergelijkingsmethode bij hun (na)calculaties hebben gebruikt, maar hebben niet onderbouwd welke concrete panden zij in de vergelijking hebben betrokken. Bovendien is de stelling in de antwoord memorie in strijd met de verklaring van hun advocaat ter zitting van 7 januari 2020, waarin hij heeft verklaard dat [geïntimeerden] c.s. op basis van hun ervaring tot de herbouwwaardes zijn gekomen en dat daarom geen specifieke vergelijkingspanden in de nacalculaties zijn gebruikt.

Verder heeft de deskundige er op gewezen dat de kuberingsmethode in Nederland zelden wordt toegepast en in de omliggende landen bijna niet meer wordt gebruikt. Dit is door [geïntimeerden] c.s. niet gemotiveerd bestreden.

2.14

Volgens de deskundige kunnen de door [geïntimeerden] c.s. gebruikte Roeb-lijsten worden gebruikt voor het berekenen van de herbouwwaarde van woningen, maar die lijsten zijn niet, althans minder, geschikt voor de berekening van de herbouwwaarde van bedrijfspanden. De door [geïntimeerden] c.s. genomen prijs van € 47,- per m³ voor het bedrijfsgedeelte is volgens de deskundige veel te laag. De deskundige acht € 70,- per m³ voor het bedrijfsgedeelte reëel. Desgevraagd heeft de deskundige op de zitting van 9 maart 2020 geantwoord dat

€ 60,- per kubieke meter de absolute onderkant is.

De deskundige gaat voor het kantoorgedeelte van 650 m³ uit van € 325,- per m³ en voor het bedrijfsgedeelte van 14.700 m³ van € 70,- per m³. Dit leidt tot het bedrag aan herbouwwaarde van (afgerond) € 1.240.000,- (€ 211.250,- + € 1.029.000,-). Anders dan in zijn aanvullende brief van 1 november 2018 staat, heeft de deskundige ter zitting toegelicht dat de luifel aan het bedrijfspand vast zit en daardoor in de kubieke meterprijs voor de berekening van het bedrag van de herbouwwaarde van de opstal is inbegrepen. Het hof neemt dit over.

Zowel in de aanvullende brief van 1 november 2018 als ter zitting heeft de deskundige verklaard dat de poort, de tuinaanleg en het hek niet in zijn berekening zijn meegenomen, omdat die objecten meer dan 5 meter van de gevels van het bedrijfspand afstonden en daarmee volgens de deskundige niet onder de verzekerde herbouwwaarde vallen. Van Knippenberg B.V. heeft tegen dit standpunt van de deskundige bezwaar gemaakt.

Zoals het hof hiervoor heeft overwogen is in het taxatierapport van [geïntimeerden] c.s. in 2011 opgenomen dat in de taxatie is begrepen de bestrating en de tuin tot 5 meter buiten het bedrijfsgebouw. Daaruit volgt a contrario dat de bestrating en de tuin op meer dan 5 meter niet in de taxatie is meegenomen. De deskundige heeft daarmee terecht de bestrating en tuin op meer dan 5 meter vanaf de gevel van het bedrijfspand buiten beschouwing gelaten. De tuin en bestrating tot 5 meter dient nog wel in de taxatie te worden opgenomen. Met inachtneming van de taxaties van Von Reth en [geïntimeerden] c.s. stelt het hof de herbouwwaarde voor dit onderdeel op € 18.000,-.

Anders dan de deskundige veronderstelt, is volgens het taxatierapport van 2011 in de taxatie ook begrepen de bedrijfsterreinafscheidingen van stalen hekwerk met drie elektronische rolhekken en kleine betimmeringen (zie taxatierapport [geïntimeerden] c.s. pag. 5 onder j). Met inachtneming van de waardes die Von Reth en [geïntimeerden] c.s. aan dit onderdeel hebben gegeven, stelt het hof de herbouwwaarde op € 17.000,-.

Van Knippenberg B.V. heeft naar aanleiding van het deskundigenrapport aangevoerd dat ten onrechte de onderdelen straalcabine en transformator niet in de kubieke meterprijzen zijn begrepen, zodat ook de waardes van die onderdelen nog bij de opstalwaarde moeten worden opgeteld.

De straalcabine is evenwel geen onderdeel van de opstal en is, zoals uit de door [geïntimeerden] c.s. overgelegde brandschadeverzekering blijkt, als roerend onderdeel apart verzekerd. De straalcabine valt daarmee niet onder de opstalverzekering en de daarvoor te berekenen herbouwwaarde van het bedrijfspand.

In het taxatierapport van 2011 hebben [geïntimeerden] c.s. onder de letters a t/m l kennelijk ter verduidelijking aangegeven welke onderdelen in de getaxeerde herbouwwaarde zijn begrepen. Onder de letter d staat transformator genoemd. Uit de overgelegde berekening van de deskundige blijkt dat hij het transformatorhuis als onderdeel van de opstal heeft meegenomen in zijn taxatie. De transformator is ook een onderdeel van de opstal. Tegen deze achtergrond heeft Van Knippenberg B.V. niet behoorlijk toegelicht waarom alleen dat specifieke onderdeel niet in de kubieke meterprijs voor de opstal is begrepen en de overige genoemde onderdelen onder de letters a t/m i in het bedrijfspand wel. Het hof zal de opstalwaarde na kubering dan ook niet met een bedrag voor het onderdeel transformatorhuis vermeerderen.

2.15

Het hof volgt de deskundige in zijn kritiek op de door [geïntimeerden] c.s. gehanteerde kuberingsmethode. De waardes hebben [geïntimeerden] c.s. afgeleid uit de zogeheten Roeblijsten die voor het berekenen van de herbouwwaarde van bedrijfspanden niet, althans minder, geschikt zijn. Voorts is voor de controle van de uitkomst van de herbouwwaarde volgens de kuberingsmethode van belang acht te slaan op referentiepanden. Het is niet duidelijk geworden of en zo ja welke referentiepanden [geïntimeerden] c.s. hebben gebruikt. Bovendien blijkt uit de interne aantekening van [geïntimeerden] c.s. voor de berekening van de herbouwwaarde in 2011 niet dat zij die waarde aan de hand van de kuberingsmethode hebben berekend, maar lijkt het er meer op dat zij de door hen berekende herbouwwaarde in 2011 hebben geïndexeerd aan de hand van de getaxeerde herbouwwaarde in 2008. Bovendien leidt de door de deskundige berekende herbouwwaarde volgens de kuberingsmethode, waarbij acht is geslagen op vergelijkingspanden die door [geïntimeerden] c.s. niet zijn bestreden en waarbij geen gebruik is gemaakt van de niet, althans minder, geschikte Roeblijsten, tot het substantieel hogere bedrag van € 1.275.000,- (€ 1.240.000,- + 18.000,- + € 17.000,-).

Dit alles leidt ertoe dat de door [geïntimeerden] c.s. (achteraf) gegeven onderbouwing van de getaxeerde herbouwwaarde in 2011 volgens de kuberingsmethode geen betrouwbare indicatie geeft dat de in 2011 afgegeven herbouwwaarde van € 1.036.000,- niet te laag is geweest. Integendeel, uit de bevindingen van de deskundige ten aanzien van de kuberingsmethode blijkt dat het er eerder voor dient te worden gehouden dat de door [geïntimeerden] c.s. getaxeerde herbouwwaarde in 2011 te laag is geweest.

berekening deskundige op basis van vierkante meters

2.16

Ter zitting heeft de deskundige toegelicht dat in de praktijk de herbouwwaarde van een bedrijfspand niet zozeer aan de hand van kubieke meters maar aan de hand van vierkante meters wordt berekend.

Zoals hiervoor is overwogen gaat het hof uit van 1.800 m² bedrijfshal, 130 m² inpandige kantoorruimte en 220 m² uitpandige kantoorruimte. Op basis van deze vierkante meters komt de deskundige afgerond op € 1.375.000,-. De onderbouwing van dit bedrag heeft de deskundige in bijlage B bij zijn brief van 30 maart 2020 gegeven en is samengevat:

€ 855.000,- 1.800 m² bedrijfshal, uitgaande van € 475,- per m²;

€ 26.000,- 130 m² inpandig kantoor, uitgaande van € 200 per m²;

€ 275.000,- 220 m² uitpandig kantoor, uitgaande van € 1.250 per m²;

€ 57.800,- fundering;

€ 160.222,- bijkomende kosten zoals honoraria architect en constructeur,

aansluitkosten, heffingen, bouwbegeleiding, directie en

onvoorziene uitgaven;

€ 1.374.022,- totaal

2.17

Zoals uit het hiervoor overwogene volgt moet de luifel begrepen worden geacht in de door de deskundige genomen vierkante meterprijs. De waarde van de bedrijfsterreinafscheidingen van stalen hekwerk met drie elektronische rolhekken en kleine betimmeringen poort (€ 17.000,-) en de tuinaanleg/bestrating tot 5 meter uit de gevel (€ 18.000,-) moeten nog bij de berekende opstalwaarde worden opgeteld. Daarmee is de totale herbouwwaarde van het bedrijfspand aan de hand van de vierkante meterprijzen volgens de berekening van de deskundige € 1.409.022,- (€ 1.374.022,- + 18.000,- + € 17.000,-).

2.18

[geïntimeerden] c.s. kunnen zich inmiddels verenigen met de waarde die de deskundige aan het inpandig kantoor heeft gegeven. [geïntimeerden] c.s. zetten vraagtekens bij het waarderen van de fundering, maar de fundering is een onderdeel van het bedrijfspand. In het taxatierapport van [geïntimeerden] c.s. in 2011 wordt de fundering ook bij de bouwaard genoemd. Bovendien hebben [geïntimeerden] c.s. in deze procedure in hun eigen berekeningen de fundering bij de herbouwwaarde betrokken, zodat de deskundige dit element terecht in de berekening heeft betrokken.

2.19

[geïntimeerden] c.s. hebben terecht opgemerkt dat de deskundige in de onderbouwing van de berekening van de waarde van het uitpandige kantoor in het geval dat de bedrijfshal een oppervlakte heeft van 1.800 m², uitgaat van een prijs van € 1.250,- m², terwijl de deskundige de vierkante meter prijs voor hetzelfde oppervlakte uitpandige kantoor maar met een oppervlakte van de bedrijfshal van 1.690 m² rekent met € 1.050,- per m². Dit verschil heeft de deskundige niet toegelicht. De deskundige hanteert verschillende prijzen en dat leidt in zijn berekeningen tot verschillende uitkomsten zonder dat daarop een behoorlijke toelichting wordt gegeven die de verschillende prijzen en uitkomsten verklaarbaar maakt. Bovendien leidt de berekening van de deskundige tot een uitkomst die niet overeenstemt met zijn ter zitting met voorbeelden geïllustreerde toelichting dat Von Reth in circa 60% van de onderdelen van zijn taxatie aan de bovenkant van de markt zit en dat zijn inschatting voor die onderdelen lager uitkomt, maar hoger dan [geïntimeerden] c.s. voor die onderdelen in het

commentaar op de berekening van Von Reth heeft aangegeven. Op basis van deze berekening van de deskundige op basis van de m² kan het hof niet vaststellen of de door [geïntimeerden] c.s. getaxeerde herbouwwaarde al dan niet juist is geweest.

herbouwwaarde bedrijfspand volgens hof

2.20

De deskundige heeft ter zitting gemotiveerd en overtuigend zijn kritiek op de door Von Reth gegeven waardes gegeven. Daardoor moet de herbouwwaarde lager uitvallen dan de naar 2011 berekende herbouwwaarde van Von Reth. De deskundige heeft eveneens gemotiveerd en overtuigend toegelicht dat de door [geïntimeerden] c.s. gegevens waardes in hun commentaar op de berekening van Von Reth te laag zijn en dat hij hoger en meestal tussen beide waardes inkomt. Rekening gehouden met

  • -

    de berekening van Von Reth,

  • -

    de opvatting van de deskundige dat globaal 60% van de posten met prijzen van Von Reth te hoog is en het midden houdt tussen de prijzen van Von Reth en [geïntimeerden] c.s. en dat de deskundige voor de overige 40% posten van de door Von Reth getaxeerde herbouwwaarde tot dezelfde prijzen komt,

  • -

    de elementen de bedrijfsterreinafscheidingen van stalen hekwerk met drie elektronische rolhekken en kleine betimmeringen poort (€ 17.000,-) en de tuinaanleg/bestrating tot 5 meter uit de gevel (€ 18.000,-) onderdelen zijn van de herbouwwaarde

stelt het hof de herbouwwaarde van het bedrijfspand op € 1.275.000,-. Dit bedrag aan herbouwwaarde komt ook overeen met de door de deskundige berekende herbouwwaarde van het bedrijfspand volgens de kuberingsmethode, die [geïntimeerden] c.s. naar zij stellen hebben toegepast.

2.21

Het hof passeert het bewijsaanbod van [geïntimeerden] c.s. de door hen vermelde waarden van de verschillende posten te bewijzen. Dat bewijsaanbod heeft geen betrekking op feiten en omstandigheden, maar op een waardering van het deskundigenoordeel waarover het hof een zelfstandig oordeel heeft geveld met inachtneming van hetgeen partijen hebben aangevoerd. Bovendien hebben [geïntimeerden] c.s. alle gelegenheid gehad op de bevindingen van de deskundige te reageren en daarbij zo nodig bewijzen te overleggen.

redelijkheid tot getaxeerde bedrag gekomen?

2.22

Alsdan rijst de vraag of [geïntimeerden] c.s. in redelijkheid tot het getaxeerde bedrag van € 1.036.000,- hebben kunnen komen indien het er voor dient te worden gehouden dat de werkelijke herbouwwaarde van het bedrijfspand € 1.275.000,- is geweest.

2.23

Het verschil tussen beide bedragen is € 239.000,-. De door het hof aangenomen werkelijke herbouwwaarde ligt daarmee circa 23% hoger dan de herbouwwaarde die [geïntimeerden] c.s. in 2011 hebben getaxeerd. Voor dit grote verschil hebben [geïntimeerden] c.s. geen toereikende verklaring gegeven.

In het voordeel van [geïntimeerden] c.s. weegt mee dat zij het bedrijfspand voor de brand feitelijk hebben kunnen opnemen, terwijl de deskundige (en de partijdeskundige Von Reth) na de brand een inschatting hebben moeten maken van de kwaliteit van de materialen en dergelijke voor de brand. Tegen dit voordeel van [geïntimeerden] c.s. kan worden ingebracht dat [geïntimeerden] c.s. in hun taxatierapport een summiere beschrijving van het bedrijfspand hebben gegeven en ook overigens weinig feitelijke aanknopingspunten hebben geboden waaruit zou kunnen worden afgeleid dat hun inschatting van de mindere kwaliteit juist is en daarmee ook minder dan de door de deskundige aangenomen gemiddelde kwaliteit en de daaraan toe te kennen waardes die mede zijn afgeleid uit (nog bestaande) referentiepanden. Die door [geïntimeerden] c.s. gestelde mindere kwaliteit is daardoor niet komen vast te staan.

Voorts weegt mee dat [geïntimeerden] c.s. slechts zeer summiere aantekeningen hebben van hun in 2011 gegeven taxatie van de herbouwwaarde. Die summiere aantekeningen wijzen niet op een waardering volgens de kuberingsmethode maar op een indexatie van de herbouwwaarde van het bedrijfspand in 2008. Niet gebleken is dat die herbouwwaarde in 2008 is gebaseerd op een nauwkeurige gedetailleerde berekening van de herbouwwaarde aan de hand van een calculatie van onderdelen zoals Von Reth heeft gedaan, de kuberingsmethode met vergelijkingspanden of vierkante meterprijzen zoals in de branche gebruikelijk is.

Tot slot heeft de deskundige weliswaar verklaard dat [geïntimeerden] c.s. een waardering aan de onderkant van de markt hebben gegeven en in dat licht naar zijn opvatting in redelijkheid tot de herbouwwaarde van € 1.036.000,- hebben kunnen komen, maar hij is zelf ook niet op enigerlei wijze tot die door [geïntimeerden] c.s. aangenomen herbouwwaarde kunnen komen.

2.24

Het hof is van oordeel dat [geïntimeerden] c.s. in redelijkheid niet tot de herbouwwaarde van € 1.036.000,- hebben kunnen komen en daarom niet de zorg van een goed opdrachtgever hebben betracht en daarmee tekort zijn geschoten in de verplichtingen uit de overeenkomst van opdracht.

schade

2.25

Van Knippenberg B.V. vordert een schadevergoeding van € 291.077,-. De door Van Knippenberg B.V. gedane berekening van dat bedrag heeft het hof in r.ov. 5.9 van het tussenarrest van 12 december 2017 weergegeven.

2.26

Het hof heeft in r.ov. 5.11 van het tussenarrest van 12 december 2017 overwogen dat de schade bestaat uit het verschil tussen het bedrag dat Van Knippenberg B.V. zou hebben ontvangen in geval de herbouwwaarde bij correcte uitvoering van de overeenkomst op het juiste bedrag zou zijn getaxeerd en het bedrag dat Van Knippenberg B.V. op basis van de door [geïntimeerden] c.s. gegeven (lagere) taxatie heeft ontvangen.

2.27

Uit de akte van taxatie van 25 oktober 2013 in samenhang met de begroting van Von Reth van 28 augustus 2013 blijkt dat in het kader van de verzekeringsovereenkomst de herbouwwaarde van het bedrijfspand is gewaardeerd op € 1.442.817,- en dat de waarde na de brand € 359.932,- was, zodat de herstelkosten € 1.082.885 bedroegen.

Doordat er sprake is van onderverzekering is de herbouwwaarde gecorrigeerd met inachtneming van de taxatie van de herbouwwaarde van [geïntimeerden] c.s. van € 1.036.000,-, geïndexeerd naar 2013, zijnde € 1.054.951,-. De waarde na de brand is op basis van de taxatie van [geïntimeerden] c.s. aangepast en verlaagd naar € 263.173,-. Het verschil leidt op basis van de taxatie van [geïntimeerden] c.s. tot een schade onder de verzekeringsovereenkomst van € 791.778,-.

2.28

In de fictieve situatie is uitgangspunt de herbouwwaarde van € 1.442.817,-, zoals vastgesteld tussen de experts van Van Knippenberg B.V. en de verzekeraar. Voorts zou de volgens het hof aangenomen werkelijke herbouwwaarde in 2011 van € 1.275.000,- met het door de deskundige genoemde percentage van 2,5% zijn geïndexeerd naar de waarde in 2013 en leiden tot het bedrag van € 1.306.875,-. Ook in de fictieve situatie zou daardoor tussen Van Knippenberg B.V. en de verzekeraar zijn aangenomen dat er sprake is van onderverzekering. De restantwaarde was in de relatie van de verzekeraar gesteld op € 359.932,- en zou in de fictieve situatie zijn gesteld op afgerond € 326.000,- (€ 1.306.875 gedeeld door € 1.442.817 maal € 359.932,-). In de fictieve situatie zou het verschil tussen waarde voor de brand en de restantwaarde na de brand € 980.875,- (€ 1.306.875,- minus € 326.000,-) zijn.

2.29

In de werkelijke situatie heeft de verzekeraar op basis van de taxatie van [geïntimeerden] c.s. het schadebedrag gesteld op € 791.778,-. In de fictieve situatie van de door het hof aangenomen werkelijke herbouwwaarde zou het schadebedrag zijn gesteld op € 980.875,-. Het verschil tussen beide bedragen is € 189.097,- en dat bedrag zou Van Knippenberg B.V. meer van de verzekeraar hebben ontvangen.

redelijkheid en billijkheid en matiging

2.30

In eerste aanleg hebben [geïntimeerden] c.s. op de comparitie van partijen nog een beroep gedaan op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid en het verweer gevoerd dat het bedrag aan schade moet worden gematigd. Ter ondersteuning van dit beroep en verweer hebben [geïntimeerden] c.s. aangevoerd dat zij de taxatie naar eer en geweten hebben uitgevoerd, de kosten van de taxatie in 2011 slechts € 1.000,- zijn geweest en aan [geïntimeerden] c.s. geen beroep op de exoneratie clausule in de algemene voorwaarden toekomt omdat zij hebben verzuimd de algemene voorwaarden ter hand te stellen. In het bestreden vonnis is dit beroep en verweer in de samenvatting van het standpunt van [geïntimeerden] c.s. opgenomen.

2.31

In het kader van de devolutieve werking van het hoger beroep heeft het hof op dit beroep en verweer nog acht te slaan. De door [geïntimeerden] c.s. genoemde omstandigheid waardoor de exoneratie clausule in de algemene voorwaarden van [geïntimeerden] c.s. niet van toepassing is, is het gevolg van hun eigen handelen. Een taxatie naar eer en geweten uitvoeren betekent op zichzelf niet dat een wederpartij schade ten gevolge van een fout heeft te accepteren. Een schade als in dit geval vastgesteld, is op zichzelf niet uitzonderlijk en ligt bij foutief handelen van [geïntimeerden] c.s. als taxateurs besloten. Voor dergelijke schade kunnen zij zich ook laten verzekeren, wat zij kennelijk niet hebben gedaan. Al met al zijn deze omstandigheden onvoldoende om toepassing te geven aan de strenge en tot terughoudende toepassing nopende karakter van de maatstaf van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Deze omstandigheden brengen evenmin mee dat de schade moet worden gematigd. Het beroep daarop wordt verworpen.

wettelijke rente

2.32

Het hof zal het bedrag van € 189.097,- als schade toewijzen. Van Knippenberg B.V. vordert het schadebedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de brand, zijnde 6 maart 2013. [geïntimeerden] c.s. hebben hiertegen verweer gevoerd.

2.33

De grondslag van de vordering van Van Knippenberg B.V. is een tekortkoming uit de overeenkomst van opdracht, zodat de wettelijke rente eerst toewijsbaar is vanaf de dag dat [geïntimeerden] c.s. in verzuim verkeren. Van Knippenberg B.V. heeft bij brief van 3 maart 2014 [geïntimeerden] c.s. in gebreke gesteld en gesommeerd het gevraagde schadebedrag binnen 10 dagen te voldoen. Het hof zal de wettelijke rente toewijzen vanaf 14 maart 2014.

buitengerechtelijke kosten

2.34

Van Knippenberg B.V. heeft voorts gevorderd betaling van een bedrag van € 5.160,- aan buitengerechtelijke incassokosten.

2.35

Voor het incasseren van de vordering heeft Van Knippenberg B.V. enige buitengerechtelijke werkzaamheden verricht, waaronder correspondentie met [geïntimeerden] c.s. voorafgaande aan de procedure. Het hof zal de vergoeding voor die werkzaamheden toewijzen overeenkomstig de staffel en gebaseerd op het in dit arrest toegewezen bedrag aan schade. Dat leidt tot het bedrag van € 2.645,97 incl. btw, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de inleidende dagvaarding.

kosten deskundige

2.36

De deskundige heeft voor aanvang van zijn werkzaamheden een uurtarief opgegeven van € 200,- incl. alle kosten. Met inachtneming van dat uurtarief en het door de deskundige ingeschatte aantal uren heeft het hof in het tussenarrest van 22 mei 2018 het voorschot van de deskundige bepaald op € 5.000,- (incl. btw en kosten). Bij tussenarrest van 25 februari 2020 heeft het hof een aanvullend voorschot bepaald op € 2.000,- (incl. btw en kosten). Van Knippenberg B.V. heeft beide voorschotbedragen betaald.

De raadsheer-commissaris heeft bij begrotingsbeschikking van 30 november 2018 een bedrag van € 5.009,40 incl. btw aan de deskundige betaalbaar gesteld.

2.37

De deskundige maakt aanspraak op het totaalbedrag van € 7.000,- onder aftrek van het bedrag dat al aan hem is uitgekeerd. De in rekening gebrachte uren zijn circa 28 uur, waarbij de deskundige heeft toegevoegd dat zijn werkzaamheden in 2020 omvangrijker zijn geweest dan in rekening is gebracht.

Beide partijen hebben tegen de hoogte van de declaratie van de deskundige bezwaar gemaakt.

2.38

Voorop wordt gesteld dat het hof geen twijfel heeft over de deskundigheid van de deskundige ten aanzien van de herbouwwaarde van bedrijfspanden. De deskundige heeft zijn werkzaamheden evenwel niet met de zorgvuldigheid gedaan die van hem, zeker met inachtneming van het door hem gevraagde substantiële uurtarief, mocht worden verwacht.

In het tussenarrest van 22 mei 2018, waarbij de deskundige is benoemd, heeft het hof onder meer bepaald dat de deskundige op de voet van het bepaalde in artikel 198 Rv bij zijn onderzoek partijen (via hun advocaten) in de gelegenheid zal stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen en dat daarvan uit het schriftelijk bericht zal blijken. In zijn aanvullend deskundigenbericht van 1 november 2018 heeft de deskundige gemeld dat aan hem is gevraagd om een bijeenkomst met partijen. De deskundige is op dit verzoek niet ingegaan en heeft als reden opgegeven dat het hof hem heeft gevraagd een zelfstandig oordeel te vormen. Op zichzelf is het juist dat de deskundige een zelfstandig oordeel had te vormen over de door het hof gestelde vragen. In het kader van vraag c had het hof aan de deskundige gevraagd gelet op het partijdebat te beoordelen welke feitelijke onderdelen bij de taxatie van het bedrijfspand in 2011 moesten worden betrokken. Op een bijeenkomst met partijen en hun advocaten had de deskundige de mogelijkheid gehad de feitelijke technische gegevens van het bedrijfspand in het dossier beter te beoordelen en daarover ook aan partijen vragen kunnen stellen. Een bespreking had wellicht ook voorkomen dat bij de deskundige het misverstand ontstond dat er geen verdiepingsvloer in het bedrijfspand was, op welke fout hij na een reactie van partijen in zijn aanvullend rapport is teruggekomen.

Voorts is onzorgvuldig geweest dat de deskundige aan Van Knippenberg B.V. een nader uitstel had verleend voor een reactie op het concept-deskundigenrapport en zonder die reactie binnen de gestelde termijn af te wachten al het definitieve deskundigenrapport zond waardoor later een aanvullend deskundigenrapport moest volgen met een reactie op de bevindingen van Van Knippenberg B.V.

In het deskundigenrapport ontbraken berekeningen van de door de deskundige gestelde waardes, waardoor partijen gehinderd werden de bevindingen van de deskundige te controleren en hun standpunt over de door de deskundige aangenomen waardes te bepalen. De vragen die het deskundigenrapport opriep is na het op verzoek van [geïntimeerden] c.s. gehouden pleidooi ook voor het hof aanleiding geweest een comparitie van partijen te gelasten in aanwezigheid van de deskundige. Op de zitting heeft de deskundige een duidelijke toelichting gegeven, maar zijn rapportage van 30 maart 2020 riep weer enige vragen op. De onzorgvuldigheid kwam ook in de bepaling van de herbouwwaarde volgens de m² prijs tot uiting, zodat het hof het door de deskundige berekende bedrag in het licht van zijn voor juist gehouden opmerkingen tijdens de comparitie heeft moeten herstellen.

2.39

Gelet op voornoemde omstandigheden, waarbij het hof de inhoudelijke deskundigheid niet betwijfeld en zwaar laat wegen, stelt het hof de kosten van de deskundige op € 6.000,- incl. btw en kosten.

3 Slotsom

3.1

Van Knippenberg B.V. is ook in hoger beroep gekomen van het tussenvonnis van

17 december 2014 waarbij een comparitie van partijen is gelast. Tegen dat tussenvonnis staat geen hoger beroep open, zodat Van Knippenberg B.V. in zoverre niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

3.2

De grieven 3 t/m 8 slagen. De overige grieven falen. Het eindvonnis van 29 april 2015 zal worden vernietigd. Het hof zal als schade toewijzen het bedrag van € 189.097,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2014.

3.3

[geïntimeerden] c.s. zullen in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep worden veroordeeld. Het salaris van de advocaat in hoger beroep zal worden vastgesteld op tarief VI, 6 punten. Bij de punten heeft het hof voor de aktes en de memories voor en na deskundigenbericht en na de tweede comparitie met aanvullende rapportage van de deskundige in totaal 1 punt gerekend.

3.4

Voorts zal [geïntimeerden] c.s. worden veroordeeld in de deskundigenkosten tot een bedrag van € 6.000,-. Van Knippenberg B.V. heeft dat bedrag bij wege van voorschot voldaan, zodat [geïntimeerden] c.s. € 6.000,- aan Van Knippenberg B.V. hebben te betalen. De griffier zal worden opgedragen het teveel betaalde bedrag aan voorschot van € 1.000,- aan Van Knippenberg B.V. te restitueren.

De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verklaart Van Knippenberg B.V. niet ontvankelijk in het tussenvonnis van 17 december 2014 van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad,

vernietigt het vonnis van 29 april 2015, gewezen door de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad,

opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerden] c.s. tot betaling aan Van Knippenberg B.V. van € 189.097,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2014 tot aan de dag der algehele voldoening,

veroordeelt [geïntimeerden] c.s. tot betaling van € 2.645,97 incl. btw aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de inleidende dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening,

veroordeelt [geïntimeerden] c.s. in de proceskosten in eerste aanleg en bepaalt deze kosten, voor zover aan de zijde van Van Knippenberg B.V. gevallen op € 3.829,- aan griffierecht en € 4.000,- aan salaris van de advocaat,

veroordeelt [geïntimeerden] c.s. in de proceskosten in hoger beroep en bepaalt deze kosten, voor zover aan de zijde van Van Knippenberg B.V. gevallen op € 5.160,- aan griffierecht en € 23.514,- aan salaris van de advocaat,

veroordeelt [geïntimeerden] c.s. tot betaling aan Van Knippenberg B.V. van € 6.000,- aan kosten van de deskundige,

draagt de griffier op € 990,60 aanvullend aan de deskundige uit het gestorte voorschot te betalen,

draagt de griffier op € 1.009,40 uit het gestorte voorschot voor deskundige kosten aan Van Knippenberg B.V. terug te betalen,

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,


wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. D.H. de Witte, mr. I.F. Clement en mr. S.E. Vlaanderen-Schüttenhelm en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 22 december 2020.