Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:10660

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-12-2020
Datum publicatie
24-12-2020
Zaaknummer
200.169.485/02
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De redelijk handelend verzekering bij onjuiste mededelingen.

Dit eindarrest is een vervolg op het tussenarrest van 25 juni 2019 (GHARL:2019:5240) en in dit eindarrest doet het hof onderzoek naar wat de redelijk handelend verzekeraar zou hebben gedaan als die had geweten dat de aspirant-verzekerde was veroordeeld voor handel in (importeren van) drugs (hennep/hasj) en daarvoor gevangenisstraf had gekregen. Op basis van verklaringen van acceptanten van ook andere verzekeraars oordeelt het hof dat ASR in 1998 de verzekering niet zou hebben gesloten bij kennis van de ware stand van zaken. Dus geen uitkering, dit is ook niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Volgt afwijzing vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2021, afl. 2, p. 107
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.169.485

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 356569)

arrest van 22 december 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. O. Hammerstein,

tegen

de naamloze vennootschap

ASR Schadeverzekering N.V.,

gevestigd te Utrecht,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: ASR,

advocaat: mr. M.G. Kos.

1 Het verdere verloop van het geding

Wat vooraf ging

1.1

In het tussenarrest van 25 juni 20191 heeft het hof geoordeeld dat ASR onvoldoende concrete feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die leiden tot de conclusie dat [appellant] bij de aanvraag van de opstalverzekering in 1998 (bij het invullen van het aanvraagformulier) heeft gehandeld met het opzet de verzekeraar (de rechtsvoorganger van ASR) te misleiden (als bedoeld in artikel 7:930 lid 5 BW). Nog wel moet de vraag beantwoord worden of ASR bij kennis van de ware stand van zaken (het strafrechtelijk verleden van [appellant] ) de verzekeringsovereenkomst als redelijk handelend verzekeraar zou hebben gesloten (artikel 7:930 lid 4 BW). ASR heeft gesteld dat zij [appellant] niet als verzekerde zou hebben geaccepteerd als zij op de hoogte was geweest van de strafrechtelijke veroordeling van [appellant] vanwege opiumdelicten en dat haar acceptatiebeleid op dit punt niet afweek van dat van andere, redelijk handelend verzekeraars. [appellant] heeft daartegenover verklaard dat hij, na de opzegging van de verzekeringsovereenkomst door ASR, een verzekering heeft afgesloten bij Centraal Beheer, voor wie het strafrechtelijk verleden van [appellant] geen belemmering was.

Aktenwisseling

1.2

Het hof heeft overwogen dat het nadere informatie wilde van partijen. [appellant] is opgedragen om de strafrechtelijke veroordelingen van 22 april 1998 (vonnis rechtbank) en van 5 december 2000 (arrest hof) over te leggen en eveneens alle bescheiden betreffende de verzekeringsovereenkomst met Centraal Beheer (zoals het aanvraagformulier en de polis). ASR is opgedragen om feitelijke gegevens te verstrekken over het acceptatiebeleid in 1998 van (de rechtsvoorganger van) ASR en van andere verzekeraars. Beide partijen zijn in de gelegenheid gesteld tegelijkertijd de gevraagde stukken bij akte in te dienen. Zij zijn tevens opgedragen hun over te leggen akten aan elkaar op te sturen, zodat zij in hun eigen akten hierop kunnen reageren.

1.3

Bij akte van 31 maart 2020 heeft [appellant] een toelichting gegeven en drie producties (B, C en D) ingediend. ASR heeft op dezelfde datum een akte genomen onder overlegging van drie producties (5, 6 en 7) en een toelichting nog gegeven.

1.4

Het hof heeft vervolgens arrest bepaald op heden.

2 De verdere beoordeling in hoger beroep

Het strafrechtelijk verleden van [appellant]

2.1

Uit de door [appellant] overgelegde strafrechtelijke uitspraak van de rechtbank van 22 april 1998 blijkt dat hij is veroordeeld voor het invoeren van ongeveer 11.020 kilogram hennep/hasj in een (fruit)container afkomstig uit Colombia eind 1994 en voor het in bezit hebben van meer dan 30 gram hasj op meerdere adressen in [B] . [appellant] exploiteerde in die tijd een coffeeshop in [B] . De strafrechtelijke kamer van het hof Arnhem heeft bij arrest van 5 december 2000 de strafrechtelijke bewezenverklaring van de rechtbank in stand gelaten en een gevangenisstraf opgelegd van zes maanden voorwaardelijk en een taakstraf van 240 uur (hetgeen overeenkomt met zes maanden gevangenisstraf). Bij de hoogte van de strafmaat speelde de (te) lange duur van de strafprocedure mee.

De acceptatie van [appellant] bij Centraal Beheer

2.2

[appellant] heeft het aanvraagformulier voor de ‘woongarantverzekering’ bij Centraal Beheer niet kunnen overleggen. De ‘woongarantverzekering’ (opstal en inboedel) is ingegaan op 25 maart 2010. Omdat de laatste strafrechtelijk veroordeling van het jaar 2000 was (en buiten de acht jaren voorafgaand aan de verzekering) behoefde [appellant] hierover ook geen inlichtingen meer te verstrekken aan Centraal Beheer, zo heeft ASR gesteld in haar akte van 31 maart 2020 (onder 6.4). De stelling van [appellant] dat Centraal Beheer hem heeft geaccepteerd ondanks bekendheid met zijn strafrechtelijk verleden is niet komen vast te staan. Dit punt laat het hof daarom verder onbesproken.

De vragenlijst voor andere verzekeraars over hun acceptatiebeleid

2.2

ASR heeft een vragenlijst opgesteld die zowel aan een eigen medewerker (toen werkzaam als acceptant Particulier Woudsend Verzekeringen) als aan acceptanten (niet zijnde voormalige ASR-medewerkers) van andere verzekeraars (Nationale-Nederlanden en Allianz) zijn voorgelegd. Deze medewerkers waren ook al in 1998 werkzaam bij de verzekeraars. Uit de antwoorden op de vragen volgt dat er in 1998 bij twee van de drie verzekeraars (vermoedelijk) wel protocollen waren met betrekking tot het acceptatiebeleid bij particuliere opstalverzekeringen, maar die zijn niet meer te reproduceren.

2.3

De acceptant van de rechtsvoorganger van ASR heeft onder meer de volgende antwoorden gegeven: de vragen over het strafrechtelijk verleden van de afgelopen acht jaren waren belangrijk; als zo’n vraag met “ja” werd beantwoord dan werd deze nader beoordeeld en voorgelegd aan de directeur van het bedrijf. Daarvoor werden ook de strafrechtelijke veroordelingen opgevraagd om te beoordelen of de aanvraag voor de verzekering kon worden geaccepteerd; een en ander zou afhangen van de moraliteit alsmede van het strafrechtelijk verleden van de aanvrager. Als een aanvrager van meerdere strafbare feiten werd verdacht dan was dat een verzwarende omstandigheid waarbij de kans op acceptatie werd verkleind. Het hebben van een coffeeshop of aanverwante zaken of frauduleus handelen “zou zeker niet worden geaccepteerd”. Voor overtredingen van de Opiumwet waren al geen acceptatiemogelijkheden; “het importeren van hennep is al voldoende om deze niet te accepteren”, evenals het in bezit hebben van hasj. Dat de aanvrager toen in 1998 een coffeeshop exploiteerde of een sepot had staan (in 1987) voor een vuurwapendelict was voldoende om een dergelijk risico (opstalverzekering woonhuis) niet te accepteren.

2.4

De acceptant van de andere verzekeraar (toentertijd werkzaam als Specialist Brand bedrijven) heeft de vragen als volgt beantwoord. Voor personen met een strafrechtelijk verleden en/of een exploitant van een coffeeshop gold “non-acceptatie”. Als het antwoord bevestigend luidde op de vraag naar eerdere strafrechtelijke veroordelingen dan werden deze uitspraken ook opgevraagd en ook werd gevraagd naar de aard van de strafrechtelijke veroordeling. Het ging bij de aanvraag/acceptatie om aanraking met justitie in de laatste acht jaar wegens verdenking van een misdrijf en niet het moment (jaar) van veroordeling. Of de strafrechtelijke uitspraak op het moment van de aanvraag al dan niet onherroepelijk was, was niet relevant voor de acceptatie. In zijn algemeenheid gold voor personen die waren veroordeeld voor de overtreding van de Opiumwet, zoals importeren van hennep, een non-acceptatiebeleid. De hoeveelheid hennep zou niet ter zake doen of het land van herkomst van de hennep. Niet ter zake voor de acceptatie zouden de eerdere strafrechtelijke verdenkingen (vuurwapendelict in 1987 of een vals-geld-delict in 1985) zijn; hetzelfde geldt voor de exploitatie van een coffeeshop: ook dat zou geen rol hebben gespeeld.

2.5

De derde acceptant die de vragenlijst heeft ingevuld (toentertijd werkzaam als teamleider Frontoffice) heeft onder meer geantwoord dat personen die betrokken waren bij de handel in en het telen van (soft)drugs niet werden geaccepteerd. Als sprake was van een strafrechtelijke veroordeling (binnen de periode van acht jaar voor de ingangsdatum van de verzekering) dan werd de uitspraak niet opgevraagd, maar wel werd gevraagd naar de aard van de veroordeling. Als de aanvrager ook verdacht was geweest van andere strafbare feiten werden daarover geen nadere vragen gesteld, maar speelde dit gegeven wel mee in het vaststellen van de moraliteit. De zwaarte van de opgelegde straf speelde wel een rol, maar ook hoe lang geleden de veroordeling plaatsvond. Voor personen die waren veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet, dan wel het invoeren van hennep waren de (te verzekeren) risico’s “onacceptabel”. De hoeveelheid deed niet ter zake. In het algemeen gold dat risico’s die verband hielden met de handel of teelt van (soft)drugs niet acceptabel waren. De hoeveelheid van 11.020 kilogram hennep zou hier wel van belang zijn. Dat de aanvrager een coffeeshop exploiteert zou wel een rol hebben gespeeld bij de acceptatie.

Zou ASR de verzekering hebben gesloten bij kennis van de ware stand van zaken?

2.6

Het hof heeft in het tussenarrest van 25 juni 2019 onder rechtsoverweging 3.9 al het juridische beoordelingskader geschetst voor het antwoord op de vraag of ASR als redelijk handelend verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken de verzekeringsovereenkomst met [appellant] zou hebben gesloten. Bij het beantwoorden van deze vraag kan ook (groot) gewicht toekomen aan het acceptatiebeleid van andere verzekeraars (Hoge Raad 5 oktober 20182).

Het hof constateert dat er geen protocollen of ander schriftelijke stukken zijn overgelegd betreffende het acceptatiebeleid van verzekeraars in 1998, hetgeen ook niet zo verwonderlijk is nu het gaat om gegevens van 22 jaar geleden. Dit neemt echter niet weg dat er, ook zónder protocollen, beleid was van verzekeraars betreffende het sluiten van een verzekeringsovereenkomst als de onderhavige met een aspirant-verzekerde met een (vergelijkbaar) strafblad als [appellant] . Hierover hebben twee medewerkers van ándere, grote verzekeraars gegevens verstrekt naar aanleiding van de gestelde vragen. Daarnaast heeft een medewerker van de rechtsvoorganger van ASR (Woudsend) ook die vragen beantwoord. Het hof gaat uit van de juistheid en waarheid van de beantwoording van die vragen nu er geen enkele aanleiding bestaat om daaraan te twijfelen. ASR die deze informatie op verzoek van het hof heeft overgelegd heeft immers ook een eigen verantwoordelijkheid voor het inbrengen van verklaringen die op waarheid berusten (artikel 21 Rv); dat de vragen ook zijn ingevuld door een medewerker van de rechtsvoorganger van ASR maakt niet dat deze medewerker de vragen niet naar waarheid zou hebben ingevuld. Uit de beantwoording van de vragen door de drie medewerkers blijkt naar het oordeel van het hof zonneklaar dat voor overtredingen (veroordelingen) van de Opiumwet, in het bijzonder het importeren van hennep, in 1998 een non-acceptatiebeleid gold. ASR heeft mede in het licht daarvan genoegzaam aangetoond en onderbouwd dat zij bij kennis van de ware stand van zaken betreffende de strafrechtelijke veroordeling van 22 april 1998 (als in hoger beroep bevestigd bij arrest van 5 december 2000) van [appellant] voor het importeren van 11.020 kg hennep/hasj uit Colombia, als redelijk handelend verzekeraar de verzekeringsovereenkomst met [appellant] niet zou hebben gesloten. Of, zoals ASR het ook verwoordt: de moraliteit en betrouwbaarheid van de aspirant-verzekerde speelt een rol bij het aangaan van de verzekering. De recente, strafrechtelijk veroordeling van [appellant] kon en mocht voor ASR als redelijk handelend verzekeraar een beletsel zijn om in november 1998 een verzekeringsovereenkomst aan te gaan met [appellant] , mede gegeven het feit dat het uitgangspunt in deze ook is de contractsvrijheid van ASR om al dan niet een verzekeringsovereenkomst met een aspirant-verzekerde als [appellant] te willen sluiten.

Dat betekent dat met toepassing van artikel 7:930 lid 4 BW de verzekeraar (hier: ASR) geen uitkering is verschuldigd (ook wel het ‘altijd-niets-beginsel’ genoemd).

Subsidiair ingenomen standpunt van [appellant]

2.7

Het subsidiair ingenomen standpunt van [appellant] (memorie van grieven onder 4.26) dat ASR de verzekeringsovereenkomst bij kennis van de ware stand van zaken wel zou zijn aangegaan, maar dan tegen andere voorwaarden verwerpt het hof nu hiervoor geen onderbouwende feiten en omstandigheden zijn gesteld of uit de overgelegde schriftelijke verklaringen zijn gebleken.

Het meer subsidiair ingenomen standpunt van [appellant]

2.8

heeft tot slot nog aangevoerd (memorie van grieven onder 4.38-4.39) dat een algeheel verval van uitkering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Hij voert daartoe aan dat er geen causaal verband is tussen de verzwijging van zijn strafrechtelijk verleden en de verwezenlijking van het risico (het ontstaan van de brand) en dat ASR daardoor ook niet is benadeeld; hij heeft bovendien elf jaar lang de premie altijd op tijd betaald en zich een keurig verzekeringnemer betoond. ASR heeft hierop gemotiveerd gerespondeerd.

2.9

Het hof oordeelt hierover als volgt. [appellant] beroept zich de op beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 6:248 lid 2 BW. Het hof heeft al geoordeeld dat geen sprake is (geweest) van verzwijging als bedoeld in artikel 7:930 lid 5 BW. Wel staat vast dat [appellant] niet aan zijn mededelingsplicht heeft voldaan door zijn strafrechtelijk verleden te verzwijgen. In artikel 7:930 lid 2 BW is opgenomen, kort gezegd, dat als er geen causaal verband bestaat tussen de niet opgegeven feiten en het verwezenlijken van het risico de uitkering ‘onverkort’ geschiedt (hetgeen [appellant] bepleit). Indien aan lid 2 niet is voldaan bestaat er een recht op een verminderde uitkering als de verzekeraar, kort gezegd, een hogere premie zou hebben bedongen of de verzekering tot een lager bedrag zou hebben gesloten (lid 3). In afwijking van lid 2 en lid 3 is in lid 4 van artikel 7:930 BW bepaald dat geen uitkering is verschuldigd indien de (redelijk handelend) verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken geen verzekering zou hebben gesloten. Dit laatste is hier het geval, zo heeft het hof hier onderzocht en geoordeeld. De door [appellant] aangevoerde feiten en omstandigheden (het op tijd betalen van de premie gedurende elf jaren is een ‘gewone’ contractuele verplichting) zijn niet voldoende om met een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid van ASR te vergen dat zij alsnog tot uitkering zou moeten overgaan.

2.10

[appellant] heeft, ten slotte, bij zijn bewijsaanbod (in eerste aanleg en in hoger beroep) geen relevante stellingen betrokken die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. Dit bewijsaanbod passeert het hof dan ook.

3 De slotsom

3.1

De grieven I en II van [appellant] slagen weliswaar (beroep op verjaring door ASR kan niet worden gehonoreerd), maar dat leidt niet tot een ander resultaat (dictum) van het bestreden vonnis van 21 januari 2015: het hof heeft immers de zaak in volle omvang getoetst en geoordeeld dat ASR niet gehouden is tot uitkering op grond van de verzekeringsovereenkomst over te gaan. Dat betekent dat de vordering van [appellant] (ook) door het hof wordt afgewezen, zij het op andere gronden dan de rechtbank heeft gedaan. Het bestreden vonnis zal dan ook worden bekrachtigd onder aanvulling van rechtsgronden.

3.2

Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van ASR zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 5.517,-

- salaris advocaat € 14.034,- (3 punten x tarief VII/€ 4.678)

3.3

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van 21 januari 2015 van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht onder aanvulling van rechtsgronden;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van ASR vastgesteld op € 5.517,- voor verschotten en op € 14.034,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt [appellant] in de nakosten, begroot op € 157,- , met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in geval [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. Dozy, L. Janse en D. Stoutjesdijk, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 22 december 2020.

1 ECLI:NL:GHARL:2019:5240

2 ECLI:NL:HR:2018:1841