Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:10568

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-12-2020
Datum publicatie
22-03-2021
Zaaknummer
200.276.905
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden. Peildatum. Gebruiksvergoeding woning. Verrekening banksaldi. Schenkingen behoren niet tot te verrekenen vermogen. Betekenis term ‘zaken’ ten tijde van opmaken huwelijkse voorwaarden in 1988. Waardering aandelen onderneming tegen intrinsieke waarde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2021/87
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.276.905

(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 472034 en 476891)

beschikking van 17 december 2020

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. J. van Andel te Utrecht,

en

[verweerster] ,

wonende te [A] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M.G.G. de Bruin te Sliedrecht.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 31 juli 2019 en 16 januari 2020, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties 1 tot en met 5 (waaronder het procesdossier uit eerste

aanleg), ingekomen op 14 april 2020;

- het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep met producties 40 tot en

met 43 en met ontbrekende stukken uit het procesdossier uit eerste aanleg;

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met producties 6 tot en met 11;

- een journaalbericht van mr. Van Andel van 13 oktober met producties 12 tot en met 15;

- een journaalbericht van mr. De Bruin van 15 oktober 2020 met producties 44a tot en

met 46e;

- een e-mailbericht van mr. Van Andel van 20 oktober 2020 met spreekaantekeningen;

- een e-mailbericht van mr. De Bruin van 21 oktober 2020 met spreekaantekeningen en

producties 47 en 48;

- een journaalbericht van mr. Van Andel van 21 oktober 2020;

- een journaalbericht van mr. De Bruin van 21 oktober 2020.

2.2

In verband met het Covid-19-virus heeft de mondelinge behandeling op 22 oktober 2020 plaatsgevonden via Skype for Business. Daarbij zijn partijen verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2.3

Namens de man is bezwaar gemaakt tegen het overleggen van de producties 47 en 48 bij de spreekaantekeningen van mr. De Bruin. Hoewel deze producties buiten de termijn zijn binnengekomen, heeft het hof beslist dat op deze producties wel acht wordt geslagen. Productie 47 is een reactie op de producties 12 tot en met 15 van de zijde van de man, waaronder een stuk van een register valuator. Het hof heeft er begrip voor dat een reactie op een dergelijk stuk niet op heel korte termijn kan worden gegeven en dat die dus na afloop van de termijn is binnengekomen. Indien de man nog een reactie wil geven op deze producties, kan hij dat bij de op grond van de onderhavige beschikking over te leggen stukken doen.

3 De feiten

3.1

Partijen zijn [in] 1988 op huwelijkse voorwaarden gehuwd.

3.2

De vrouw heeft op 11 december 2018 een verzoek tot echtscheiding en tot het treffen van nevenvoorzieningen ingediend. De man heeft verweer gevoerd en bij wege van zelfstandig verzoek verzocht om nevenvoorzieningen te treffen.

3.3

Bij de beschikking van 16 januari 2020 (hierna ook: de bestreden beschikking) heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 6 maart 2020 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.4

Naast het uitspreken van de echtscheiding heeft de rechtbank in de bestreden beschikking – samengevat – de wijze van verdeling van de eenvoudige gemeenschappen gelast waarbij de man aan de vrouw € 70.783,73 moet voldoen, ook heeft de rechtbank bepaald dat de man uit hoofde van het finaal verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden aan de vrouw € 549.726,63 moet voldoen en is bepaald dat partijen zich dienen te wenden tot een pensioendeskundige om hen bindend advies te geven over een pensioenregeling. De proceskosten zijn gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Deze beslissingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4 De omvang van het geschil

4.1

Tussen partijen is in geschil de verdeling van een banksaldo en de uitvoering van het finaal verrekenbeding uit hun huwelijkse voorwaarden.

4.2

De man is met vijftien grieven in hoger beroep gekomen. Hij verzoekt het hof de beschikkingen van 31 juli 2019 en 16 januari 2020 te vernietigen (het hof begrijpt: de beschikking van 16 januari 2020 alleen voor zover het betreft de beslissingen onder 4.2.3

en 4.3 van het dictum van die beschikking) en te bepalen dat de man uit hoofde van het finaal verrekenbeding en ook anderszins aan de vrouw € 117.086,45 dient te betalen met inachtneming van zijn verzoek onder randnummer 28 van zijn beroepschrift (betaling in termijnen), althans een zodanig bedrag als het hof juist acht en de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.3

De vrouw voert verweer en verzoekt de man in zijn verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans de verzoeken af te wijzen en de beschikking van de rechtbank van

16 januari 2020, zo nodig onder aanvulling dan wel verbetering van de motivering, te bekrachtigen voor zover de vrouw daartegen zelf in haar incidenteel hoger beroep geen grieven heeft gericht.

4.4

Op haar beurt is de vrouw met vijf grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. Zij verzoekt het hof de beschikking van 16 januari 2020 te vernietigen op de onderdelen waartegen de vrouw grieven heeft gericht en opnieuw beschikkende te bepalen dat de man haar uit hoofde van het finaal verrekenbeding € 558.782,91 dient te betalen en te bepalen dat de notaris het bij hem in depot staande bedrag op eerste verzoek van de vrouw aan haar uitbetaalt, en de beschikking van 16 januari 2020 voor het overige te bekrachtigen.

4.5

De man voert verweer op het incidenteel hoger beroep van de vrouw en hij verzoekt de vrouw in haar incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar verzoeken af te wijzen en haar te veroordelen in de kosten van het incidenteel hoger beroep.

4.6

Beide partijen doen een bewijsaanbod van hun stellingen, onder meer middels het doen horen van getuigen.

5 De motivering van de beslissing

inleiding

5.1

Partijen zijn gehuwd op huwelijkse voorwaarden, inhoudende dat zij zijn gehuwd met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen. In de huwelijkse voorwaarden zijn zij verder een zogenoemd periodiek verrekenbeding overeengekomen, inhoudende kort gezegd dat hetgeen jaarlijks van hun inkomens overblijft bij helfte zal worden gedeeld. Ook zijn partijen een finaal verrekenbeding overeengekomen dat inhoudt dat voor het geval het huwelijk eindigt door echtscheiding, zij kunnen vorderen dat tussen hen wordt afgerekend alsof zij in de wettelijke gemeenschap van goederen gehuwd waren. Van die verrekening is echter uitgesloten hetgeen een echtgenoot door erfstelling, legaat of schenking heeft verkregen.

de peildatum (grief I tot en met IV van de man, grief 1 van de vrouw)

5.2

Voor de omvang en samenstelling van het te verrekenen vermogen uit hoofde van het finaal verrekenbeding is de rechtbank uitgegaan van 11 december 2018 als peildatum. Dat is ook de peildatum die de man had verzocht te hanteren. De man heeft dus gekregen waarom hij gevraagd heeft. De man heeft dan ook geen belang bij zijn eerste vier grieven, nu daaruit nog eens blijkt dat hij met de door de rechtbank gehanteerde peildatum kan instemmen. Het hof zal die grieven dan ook niet bespreken.

5.3

In haar eerste grief stelt de vrouw dat van een andere peildatum uitgegaan dient te worden, namelijk van 20 maart 2017 subsidiair van 31 december 2017. Daarbij wijst de vrouw op artikel 14 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden, welk artikel volgens haar een van deze data aanwijst. De man betwist die stelling.

5.4

Het hof is met de man van oordeel dat de bepaling in artikel 14 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden alleen de datum van indienen van het verzoekschrift tot echtscheiding als peildatum aanwijst. Dit is 11 december 2018. Artikel 14 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden luidt als volgt:

De verrekening heeft plaats naar de toestand ten tijde van ontbinding van het huwelijk door de dood of ingeval van echtscheiding of scheiding van tafel en bed, naar de toestand naar de aanvang van de dag van het instellen van de vordering daartoe.’

Anders gezegd staat daar dat de verrekening in geval van ontbinding van het huwelijk door echtscheiding plaats heeft naar de dag van het instellen van de vordering tot de ontbinding door echtscheiding. Het ‘instellen van de vordering daartoe’ ziet taalkundig op de vordering tot ontbinding van het huwelijk, oftewel het verzoek tot echtscheiding. Een andere datum laat een taalkundige lezing van de bepaling niet toe. Dat op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum zou moeten gelden, zoals de vrouw in haar grief subsidiair nog stelt, volgt het hof niet. Daartoe heeft de vrouw onvoldoende aangevoerd. Grief 1 van de vrouw faalt.

5.5

Aan grief V van de man komt geen zelfstandige betekenis toe, hetgeen ook nog eens namens de man op de mondelinge behandeling is bevestigd. Deze grief zal dan ook niet worden besproken.

gebruiksvergoeding (grief VI van de man)

5.6

In zijn zesde grief komt de man op tegen de beslissing van de rechtbank om aan de vrouw een door hem te betalen gebruiksvergoeding toe te kennen ter hoogte van haar helft van de lasten van de gemeenschappelijke woning. Het is volgens hem niet redelijk dat hij de vrouw een gebruiksvergoeding dient te betalen en de bestreden beschikking dient daarom op dit punt te worden vernietigd. De vrouw is zelf vrijwillig uit de woning vertrokken met medeneming van een groot aantal zaken, waaronder gordijnen en de verwarmingsthermostaat. De man betaalde altijd alle lasten van de woning, zowel voor als na de echtscheiding. De vrouw heeft ook niet om een gebruiksvergoeding verzocht, althans ze heeft niet aangegeven hoe hoog die zou moeten zijn. Het toekennen van een gebruiksvergoeding is in de huidige rechtspraak niet gebruikelijk en een eventuele vergoeding is al helemaal niet zo hoog als de rechtbank die heeft bepaald. Als al een gebruiksvergoeding zou worden toegekend zou dit gelet op de huidige rentestanden hooguit een vergoeding kunnen zijn berekend naar 0,5% van de helft van de overwaarde van de woning. Dit zou dan neerkomen op een vergoeding van € 43,57 per maand.

5.7

De vrouw kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank. Zij voert verder aan wel degelijk een verzoek te hebben gedaan tot het vaststellen van een gebruiksvergoeding. Zij heeft sinds 20 maart 2017 niet meer het genot van de woning gehad. Het is dan redelijk dat de man haar een vergoeding betaalt voor dit gemiste genot. Hoe hoog de vergoeding is hangt af van de omstandigheden van het geval. In dit geval is een vergoeding ter hoogte van de helft van de lasten redelijk, aldus de vrouw.

5.8

De woning, [a-straat] 11 te [A] , is eind december 2019 verkocht aan een derde. Vast staat dat de partijen in juli 2017 feitelijk uit elkaar zijn gegaan en dat de vrouw is gaan inwonen bij haar nieuwe partner. Vast staat ook dat de man alle kosten van de woning betaalde. Gelet daarop ziet het hof geen aanleiding om de man te veroordelen aan de vrouw een gebruiksvergoeding te voldoen wegens gederfd woongenot. Grief VI van de man slaagt.

het saldo op de [a-bank] Internetspaarrekening eindigend op [000] (grief VII van de man)

5.9

De zevende grief van de man richt zich ertegen dat de rechtbank het saldo op de op naam van de man staande bankrekening die eindigt op [000] als gemeenschappelijk heeft aangemerkt en heeft bepaald dat de man de helft van dit saldo – volgens de rechtbank € 141.567,45 – aan de vrouw dient te betalen. De grief komt er kort gezegd op neer dat het saldo niet gemeenschappelijk is en dat de rechtbank bovendien ten onrechte niet van het saldo op de peildatum is uitgegaan, maar van het saldo op 31 december 2017. Op de peildatum stond er namelijk € 62.764,55 op die rekening en dat dient te worden verrekend.

5.10

Uit het verweer van de vrouw volgt dat zij zich kan vinden in het oordeel van de rechtbank.

5.11

Het hof overweegt als volgt. Vast staat dat de rekening alleen op naam van de man staat. Vast staat ook dat het restant van de verkoopopbrengst van de vorige woning destijds - in 2005 - op deze rekening van de man is gestort, hoewel partijen nog wel van mening verschillen of dit nu € 138.500,12 of € 141.567,45 was. Vast staat ook, want door de vrouw is niet betwist, dat het saldo van deze rekening op de peildatum € 62.764,55 was. De rechtbank heeft het saldo als een eenvoudige gemeenschap aangemerkt die zich leent voor verdeling. Daarbij is de rechtbank uitgegaan van het saldo ten tijde van de mediation, ofwel van het saldo op 31 december 2017 van € 141.567,45. De rechtbank heeft dit saldo gehanteerd, omdat de bankrekening tussen 31 december 2017 en de peildatum 11 december 2018 een groot verloop heeft gehad en de man naar het oordeel van de rechtbank daarin onvoldoende inzicht heeft gegeven.

5.12

In beginsel is de peildatum bepalend voor de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden. Indien het saldo op de rekening op enig moment vóór de peildatum hoger of lager is geweest dan het saldo óp de peildatum is dit in beginsel niet relevant. In de onderhavige zaak echter is het saldo van deze rekening vanaf 31 december 2017 tot aan de peildatum 11 december 2018 aanzienlijk afgenomen. De man kon of wilde tot op heden geen inzage geven in en een toelichting geven op het verloop van die rekening, terwijl de vrouw daar wel bij hem om heeft verzocht. In artikel 15 van hun huwelijkse voorwaarden hebben partijen opgenomen dat zij verplicht zijn van hun inkomen en vermogen behoorlijk boek te houden en aan de andere echtgenoot de boeken en bijbehorende bescheiden op eerste vordering ter inzage te verschaffen. Het hof kan over de stelling van de man dat het geld op die rekening geen eenvoudige gemeenschap is niet oordelen zonder inzage in het verloop van die rekening. Het hof zal daarom de man opdracht geven de bankafschriften van deze bankrekening in het geding te brengen vanaf 1 januari 2018 tot aan 11 december 2018, waaruit het verloop en saldo van die rekening blijkt tot en met 11 december 2018. De verdere behandeling op dit punt zal het hof aanhouden.

het verrekenbeding (grief VIII tot en met XIII van de man, grief 2 tot en met 4 van de vrouw)

5.13

Het merendeel van de grieven van partijen ziet op de uitvoering van het finaal verrekenbeding, waarbij de te hanteren waarde van de aandelen van de onderneming van de man het zwaartepunt is. Over dit laatste gaat grief IX van de man, welke grief het hof als laatste zal bespreken.

5.14

Aan de achtste grief van de man komt naar het oordeel van het hof geen zelfstandige betekenis toe. De man stelt hierin enkel dat hij, in tegenstelling tot hetgeen de rechtbank heeft overwogen, wel een deugdelijke vermogensopstelling heeft overgelegd. Wat hier ook van zij, het hoger beroep heeft ook een herstelfunctie. In randnummer 25 van zijn beroepschrift heeft de man een vermogensopstelling gemaakt, zodat dat verzuim – zo daar sprake van was – in hoger beroep is hersteld.

saldi op drie bankrekeningen (grief X van de man)

5.15

In zijn tiende grief komt de man op tegen de overweging van de rechtbank dat de Raborekeningen eindigend op 984 en [001] (saldi respectievelijk € 16.974,47 en € 4.679,-) tot het te verrekenen vermogen van de man behoren. Van het saldo van € 16.974,47 op de rekening eindigend op 984 is een gedeelte van € 10.624,- door hem verkregen van zijn vader ten titel van schenking, en schenkingen behoren op grond van de huwelijkse voorwaarden niet tot het te verrekenen vermogen. Het saldo van € 4.679,- op de rekening eindigend op [001] dat de rechtbank in aanmerking heeft genomen is onjuist. Deze rekening was op de peildatum al opgeheven. Het saldo op die rekening is op 26 oktober 2018 overgemaakt naar zijn rekening eindigend op [000] . Dit blijkt uit de door de vrouw bij het verzoekschrift in eerste aanleg overgelegde productie 10.

De rechtbank is verder vergeten om de gezamenlijke bankrekening eindigend op 630 in de verrekening te betrekken. Op de peildatum stond daarop een negatief saldo van € 2.387,90 zoals de man in zijn verweer in eerste aanleg heeft vermeld. Dit negatieve saldo moet nog worden meegenomen in de verrekening.

5.16

De vrouw betwist de stelling van de man dat de door hem ontvangen schenkingen van zijn vader niet in de verdeling betrokken dienen te worden. Ze verwijst daarvoor naar haar verweer in eerste aanleg. Dit verweer komt erop neer dat in (artikel 14.1 van) de huwelijkse voorwaarden is opgenomen dat van de verrekening zijn uitgesloten ‘zaken, die door de echtgenoten krachtens erfstelling, legaat of schending zijn of zullen worden verkregen’. De juridische term “zaken” ziet op voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten. Een geldsom is geen zaak en daarom dienen de schenkingen in de verrekening betrokken te worden.

De vrouw betwist de stelling van de man dat het saldo van de rekening eindigend op [001] is overgeboekt naar zijn rekening eindigend op [000] . Daar is geen bewijs van overgelegd. Bovendien heeft ze zich ten aanzien van die gestelde overboeking beroepen op artikel 1:135 lid 3 BW (verzwijging). Het negatieve saldo op de gezamenlijke rekening eindigend op 630 – die een eenvoudige gemeenschap vormt en dus niet in de verrekening thuishoort – dient voor rekening van de man te komen. De man voedde deze rekening met zijn inkomen en híj heeft er een negatief saldo op laten ontstaan. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid is het onaanvaardbaar dat de man vraagt dat de vrouw in het negatieve saldo bijdraagt.

5.17

Het hof overweegt als volgt. De vrouw betwist niet dat de man van zijn vader € 10.624,- geschonken heeft gekregen en dat deze schenkingen onderdeel zijn van het saldo op de rekening eindigend op 984. Het hof passeert het verweer van de vrouw dat deze schenkingen tot het te verrekenen vermogen gerekend dienen te worden. Inderdaad staat in de huwelijkse voorwaarden de term ‘zaken’, maar ten tijde van het opmaken van de huwelijkse voorwaarden in juni 1988 had deze term een andere juridische betekenis. Destijds waren ‘zaken’ stoffelijke voorwerpen en vermogensrechten (zie artikel 555 BW oud) en was ‘goed’ de aanduiding voor stoffelijke voorwerpen. In 1992 is het Burgerlijk Wetboek gewijzigd en heeft de term ‘zaken’ de betekenis gekregen die de vrouw heeft genoemd. Feitelijk zijn in 1992 de juridische definities van de termen ‘zaken’ en ‘goederen’ omgedraaid. De bepaling in de huwelijkse voorwaarden dient echter te worden gelezen in de toenmalige context. De door de man van zijn vader ontvangen schenkingen behoren daarom niet tot het te verrekenen vermogen. In zoverre slaagt grief X van de man. Het hof zal bepalen dat de bankrekening eindigend op 984 tot een bedrag van € 6.350,47 in de verrekening wordt betrokken.

5.18

Ten aanzien van de rekening eindigend op [001] zal het hof de man in de gelegenheid stellen stukken in het geding te brengen waaruit blijkt dat het saldo van deze rekening vóór de peildatum op nul is gezet en waaruit blijkt naar welke rekening het toen aanwezige saldo is overgemaakt. De verwijzing naar productie 10 bij het inleidend verzoek van de vrouw uit de eerste aanleg is in dit kader onvoldoende. Ten eerste is die productie onleesbaar en ten tweede is daarop kennelijk niet het saldo op de peildatum vermeld. Tevens dient de man een bewijsstuk over te leggen waaruit blijkt dat deze rekening op de peildatum was opgeheven. De verdere behandeling zal het hof op dit onderdeel aanhouden.

5.19

De vrouw betwist niet dat partijen een rekening op beider naam hadden met een negatief saldo van € 2.387,90. Het hof volgt de vrouw niet in haar verweer dat dit negatieve saldo uitsluitend ten laste van de man dient te komen. Zo de man al een negatief saldo op deze rekening heeft laten ontstaan, betekent dit dat daartegenover op een andere rekening een meer positief saldo staat. In de uiteindelijke verrekening zal dit per saldo dus niet uitmaken. Overigens heeft de vrouw ook niet aangetoond waarom het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als het negatieve saldo mede ten laste van haar zou komen. Uit praktische overwegingen zal het hof het negatief saldo van deze rekening tot het te verrekenen vermogen rekenen en de helft van het negatieve saldo in de vermogensopstelling van iedere echtgenoot opnemen. Grief X van de man slaagt ook op dit onderdeel.

saldo op bankrekening van de vrouw (grief XI van de man)

5.20

De rechtbank heeft het saldo op de Rabobankrekening van de vrouw eindigend op [002] in de verrekening betrokken. Daarbij is de rechtbank uitgegaan van het saldo van € 2.200,21 op 4 december 2018, zoals dat blijkt uit een door de vrouw overgelegde productie. De man stelt dat uit de door de vrouw overgelegde productie weliswaar het saldo op 4 december 2018 blijkt, maar niet dat op de peildatum 11 december 2018.

5.21

Het hof zal de vrouw in de gelegenheid stellen stukken in het geding te brengen waaruit blijkt wat het saldo van deze rekening op de peildatum was. Verdere behandeling op dit onderdeel zal het hof aanhouden.

5.22

Aan grief XII van de man komt geen zelfstandige betekenis toe (veeggrief), zodat het hof die onbesproken zal laten.

erfenissen en schenkingen (grief XIII van de man)

5.23

De rechtbank heeft de stellingen van de man dat hij schenkingen en erfenissen heeft gehad die niet tot het te verrekenen vermogen behoren, als onvoldoende onderbouwd en onvoldoende geconcretiseerd gepasseerd. De man stelt dat hij wel degelijk heeft onderbouwd dat hij schenkingen en een erfenis heeft gehad. Bij zijn brief van 4 juli 2019 aan de rechtbank heeft hij zover als mogelijk bankafschriften overgelegd en ook het testament van zijn moeder waarin een uitsluitingsclausule is opgenomen. In ieder geval dient een bedrag van € 34.941,- buiten de verrekening te blijven, zijnde de erfenis van zijn moeder.

5.24

De vrouw betwist de stellingen van de man. De man heeft geen bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat hij een erfenis van zijn moeder heeft ontvangen. Ten aanzien van de schenkingen verwijst ze wederom naar haar verweer in eerste aanleg. En al zouden de erfenissen en schenkingen buiten te verrekening blijven, de inkomsten daaruit vallen daar wel in. Het is aan de man om aan te tonen wat die inkomsten zijn.

5.25

Het hof stelt voorop dat op grond van de huwelijkse voorwaarden en de uitvoering van het daarin opgenomen verrekenbeding in de uiteindelijke berekening rekening dient te worden gehouden met verkrijgingen krachtens erfrecht en schenking, in die zin dat die niet in de verrekening dienen te worden betrokken. Het beroep van de man op de uitspraak van de Hoge Raad van 5 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:504) gaat hier echter niet op, nu die uitspraak betrekking had op een zaak waarin tussen partijen de wettelijke gemeenschap van goederen gold. Daarvan in is dit geval geen sprake, ook al rekenen partijen af alsof tussen hen een gemeenschap van goederen heeft bestaan.

5.26

Ten aanzien van het verweer van de vrouw dat de schenkingen geen ‘zaken’ zijn en in de huwelijkse voorwaarden enkel door erfenis, legaat of schenking verkregen zaken buiten de verrekening blijven, verwijst het hof naar zijn overweging hiervoor onder 5.17.

5.27

Op grond van de door de man in eerste aanleg overgelegde stukken bij zijn brief van 4 juli 2019 (waaronder een uittreksel uit de overlijdensakte en een aanslag recht van successie) oordeelt het hof aannemelijk dat de man (netto) € 32.211,- van zijn moeder heeft geërfd. Dit bedrag behoort dan ook niet tot zijn te verrekenen vermogen en zal daarop in mindering worden gebracht. De man heeft over de verkrijging successierecht betaald. Dit betreft een bedrag van in totaal € 1.893,- zoals de man ter zitting heeft bevestigd. De totale (bruto) verkrijging bedroeg dus € 34.104,-. Het hof ziet geen aanleiding een hoger bedrag dan € 32.211,- buiten het te verrekenen vermogen te laten, omdat het successierecht een privéschuld van de man betreft.

5.28

De man heeft erop gewezen dat in 2018 zijn vader is overleden. Voor zover de man heeft bedoeld te stellen dat hij ook uit diens nalatenschap een bedrag heeft ontvangen dat buiten de verrekening dient te blijven, heeft hij die stelling niet onderbouwd. Het hof gaat daar om die reden aan voorbij.

5.29

De schenkingen die de man van zijn vader heeft ontvangen in 2016 van € 5.304,- en in 2017 van € 5. [000] ,- (tezamen € 10.624,-) zijn hiervoor onder 5.17 reeds besproken als onderdeel van grief X.

5.30

Aan de stelling van de vrouw dat de inkomsten die de man heeft ontvangen uit schenkingen/erfenissen wel in de verrekening betrokken dienen te worden wordt tegemoet gekomen door de systematiek van het verrekenbeding. Immers, alleen de nominale bedragen blijven buiten de verrekening. Voor zover de man inkomsten uit erfenissen/schenkingen heeft gehad en deze op de peildatum nog aanwezig zijn, zullen deze onderdeel zijn van zijn vermogen(sopstelling). Aldus worden die inkomsten verrekend.

de waarde van de onderneming (kapsalon) van de vrouw (grief 2 van de vrouw)

5.31

De rechtbank heeft de onderneming van de vrouw in de verdeling betrokken tegen een waarde van € 10.000,-. De vrouw stelt dat deze waarde nergens op gebaseerd en onjuist is. De onderneming dient tegen een waarde van € 2.000,- in de verrekening te worden betrokken. Dit is de waarde die door de accountant van de man is berekend.

5.32

De man betwist de door de vrouw gestelde waarde van € 2.000,-. Gelet op de resultaten en de onttrekkingen in 2016 en 2017 zoals die blijken uit de jaarstukken 2017 is de door de vrouw gestelde waarde niet reëel en dient haar grief te falen.

5.33

De onderneming van de vrouw, [B] te [A] , is een eenmanszaak waarin enkel de vrouw werkzaam is. Uit de jaarstukken 2017 volgt dat het eigen vermogen van de onderneming in 2016 (€ 4.132,-) en in 2017 (€ 3.080,-) nagenoeg gelijk was aan de waarde van de activa in die jaren. Het betreft een kleine onderneming, zonder personeel, die staat of valt met de eigen werkzaamheden van de vrouw. Hoe de rechtbank tot een waarde van € 10.000,- is gekomen op basis van kennelijk de jaarlijkse onttrekkingen en de FOR-dotatie is het hof niet duidelijk. De onttrekkingen uit de onderneming lopen blijkens de stukken in de pas met de resultaten, zodat het hof niet inziet hoe die onttrekkingen (of resultaten) de waarde van de onderneming zouden bepalen en dus ook niet hoe die waarde op € 10.000,- uit zou komen. Veeleer lijkt het logischer om voor de waarde van de onderneming uit te gaan van het eigen vermogen van de onderneming. In de onderhandelingsfase inzake de afwikkeling van het huwelijk is tussen partijen, blijkens een door de vrouw in eerste aanleg naar aanleiding van een gevoerde bespreking overgelegde

e-mail van [C] , gesproken over een waarde van € 2.000,- die ‘in goede justitie is ingeschat’. Gelet daarop en gezien de overgelegde jaarstukken zal het hof de onderneming van de vrouw in de verrekening betrekken tegen een waarde van € 2.000,-. Over een hogere waarde is nimmer door partijen gesproken en een hogere waarde volgt ook niet uit de jaarstukken. Grief 2 van de vrouw slaagt.

de waarde van de auto (BMW) van de vrouw (grief 3 van de vrouw)

5.34

De rechtbank heeft, nu partijen het omtrent de waarde niet eens waren, de auto van de vrouw in de verdeling betrokken tegen een waarde van € 10.000,-. De vrouw stelt dat deze waarde te hoog is. Zij heeft de auto aangekocht voor € 8.000,- zodat deze op de peildatum niet meer dan dat waard kan zijn. Een waarde op de peildatum van € 6.950,- is volgens haar reëler, waarbij zij zich baseert op een uitdraai van de ANWB Auto koerslijst.

5.35

De man betwist de door de vrouw gestelde waarde. Volgens hem is de auto € 12.500,- subsidiair € 11.000,- waard.

5.36

Het hof zal de auto van de vrouw in de verdeling betrekken tegen een waarde van € 8.000,-. Dit is de waarde waartegen de vrouw de auto op 5 april 2018 van de onderneming van de man heeft gekocht. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat de werkelijke waarde op dat moment hoger was. De peildatum voor de verrekening is 11 december 2018 en het is niet aannemelijk dat de auto in de tussenliggende periode substantieel in waarde is gedaald. Grief 3 van de vrouw slaagt in zoverre dat het hof van een lagere waarde van de auto uitgaat dan de rechtbank.

vergoedingsvordering wegens betaalde gemeenschappelijke kosten (grief XIV van de man)

5.37

In deze grief komt de man op tegen de afwijzing van zijn verzoek om de vrouw te veroordelen de helft van de lasten van de woning te voldoen vanaf de peildatum tot de levering van de woning aan een derde, door de man berekend op € 11.642,50.

5.38

In haar verweer voert de vrouw aan dat de man tijdens het huwelijk die kosten betaalde, omdat hij een goed inkomen had terwijl de vrouw slechts een bescheiden inkomen had. Het is redelijk en billijk als de man die lasten ook na het huwelijk voor zijn rekening neemt.

5.39

Deze grief sluit aan bij de grief van de man omtrent de gebruiksvergoeding. Ten aanzien daarvan heeft het hof overwogen dat, nu de man de hypotheeklasten betaalde, er geen ruimte is om de man ook nog een gebruiksvergoeding te laten betalen. Daar blijft het hof bij, met dien verstande dat de man dan wel de hypotheeklasten dient te blijven betalen tot aan de levering aan een derde. Op zichzelf is dit ook redelijk nu hij tot aan die levering ook het volledig gebruik van de woning heeft gehad. Grief XIV van de man faalt.

uitvoerbaarverklaring bij voorraad (grief XV van de man)

5.40

In deze grief stelt de man dat de rechtbank de bestreden beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad had moeten en mogen verklaren. Door de vrouw is immers niet gesteld dat ze daar belang bij had en bovendien is het ook niet door de vrouw gevraagd. Daarmee is de rechtbank buiten de rechtsstrijd getreden.

5.41

Deze grief faalt. Anders dan in de dagvaardingsprocedure, waar uitvoerbaarverklaring gevorderd moet worden (art. 233 lid 1 Rv), hoeft een uitvoerbaarverklaring in een verzoekschriftprocedure niet verzocht te worden. De rechter kan (cursivering hof) de eindbeschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaren (art. 288 Rv).

de waarde van de aandelen [D] B.V. (grief IX van de man)

5.42

Het zwaartepunt van de verrekening ligt bij de waardering van de door de man gehouden aandelen in [D] B.V., waarvan hij ook enig bestuurder is. Deze holding houdt op zijn beurt alle aandelen in een werkmaatschappij genaamd [E] B.V. Partijen verschillen van mening over de te hanteren waarde van de aandelen in de holding. Bij de waardering speelt als complicerende en nog onzekere factor dat niet duidelijk is op welke wijze het in de holding in eigen beheer opgebouwde pensioen en een extern verzekerd pensioen bij [F] aan partijen ten goede zal komen en welke financiële gevolgen dit heeft voor de holding. Ten aanzien van het pensioen is door de rechtbank in de bestreden beschikking bepaald dat partijen zich tot een pensioendeskundige dienen te wenden die een bindend advies zal geven over de pensioenregeling. Dat bindend advies is nog niet voorhanden, nu de betreffende pensioendeskundige daarmee nog doende is. Partijen zijn het er echter over eens dat de uitkomst daarvan van invloed zal zijn op de waarde van de aandelen van de holding.

5.43

Ten aanzien van de waardering van de aandelen hebben beide partijen een eigen deskundige ingeschakeld die op hun beurt ieder een waarderingsrapport hebben opgesteld. Er zijn dus twee rapporten voorhanden. Uit die rapporten blijkt dat zowel de deskundige van de man als die van de vrouw voor de waardering van de aandelen de balans van de holding per 31 december 2018 als uitgangspunt heeft genomen. Het hof zal dat daarom ook doen. Uit de stellingen en de stukken volgt dat de man de werkmaatschappij gewaardeerd wil zien volgens de discounted cashflowmethode, terwijl de vrouw de onderneming wil waarderen op basis van de intrinsieke waarde, zijnde de taxatiewaarde. De activiteiten van die onderneming bestaan uit het exploiteren van zakelijk onroerend goed. De activa zijn de verhuurde onroerende zaken. De taxatie van de onroerende zaken is mede gebaseerd op de daarmee behaalde en te behalen rendementen. In zoverre zit de toekomst als het ware al voor een deel in de waarde verdisconteerd. Ook is van belang dat het in deze zaak niet de verdeling in de toekomst van de gemeenschap betreft, maar verrekening van de waarde van de onderneming van de man tegen een moment dat al achter ons ligt te weten 1 december 2018. Gelet op die van belang zijnde omstandigheden is het hof van oordeel dat waardering tegen de intrinsieke waarde het meest in aanmerking komt.

5.44

Nu partijen het erover eens zijn dat de pensioenregeling van invloed is op de waardering van de aandelen, en nu het bindend advies daaromtrent nog niet voorhanden is, kan het hof de uiteindelijke verrekenaanspraak ter uitvoering van het finaal verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden nu nog niet vaststellen. Op dit moment is zelfs niet vast te stellen wie uiteindelijk een vordering op de ander zal overhouden. Het hof kan dan ook nog geen eindbeschikking geven.

5.45

Het hof zal daarom een beslissing op dit punt aanhouden, totdat het bindend advies ten aanzien van de pensioenen voorhanden is. Bij de uiteindelijke waardering zal tevens rekening dienen te worden gehouden met belastinglatenties (tarief 2018), zulks met inachtneming van de daarvoor geldende jurisprudentie ten aanzien van het al dan niet contant maken van die latente belastingschuld(en) (zoals ECLI:NL:HR:2014:3462 en ECLI:NL:HR:2018:281). Ten aanzien van de discussie in de laatste stukken tussen de deskundigen [G] en [H] zal het hof nu nog niet beslissen. Partijen dienen, zodra dit voorhanden is, het bindend advies met betrekking tot het pensioen over te leggen, waarbij zij tevens dienen aan te geven wat volgens hen daarvan het getalsmatige effect is op de intrinsieke waarde van de aandelen.

5.46

Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden in afwachting van de door partijen over te leggen stukken. Het hof zal dan ook pas later beslissen op de grieven 4 en 5 van de vrouw. Het hof geeft partijen nog mee het hen vrijstaat na het ontvangen van het bindend advies inzake het pensioen (opnieuw) in overleg te treden om alsnog tot algehele overeenstemming te komen.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en in het incidenteel hoger beroep:

6.1

stelt de man in de gelegenheid om van de rekening bij de [a-bank] eindigend op [000] de afschriften in het geding te brengen die betrekking hebben op de periode 1 januari 2018 tot en met 11 december 2018, waaruit het verloop van die rekening blijkt en het saldo van die rekening op 11 december 2018, uiterlijk op de datum dat de hierna onder 6.4 over te leggen stukken worden overgelegd;

6.2

stelt de man in de gelegenheid om van de rekening bij de [a-bank] eindigend op [001] de afschriften in het geding te brengen waaruit blijkt dat het saldo vóór de peildatum op nul is gezet en waaruit blijkt naar welke rekening het toen aanwezige saldo is overgemaakt, daarbij dient de man ook een bewijsstuk in het geding te brengen waaruit blijkt dat deze rekening op de peildatum was opgeheven, uiterlijk op de datum dat de hierna onder 6.4 over te leggen stukken worden overgelegd;

6.3

stelt de vrouw in de gelegenheid om van de rekening bij de [a-bank] eindigend op [002] de afschriften in het geding te brengen waaruit het saldo van deze rekening op de peildatum blijkt, uiterlijk op de datum dat de hierna onder 6.4 over te leggen stukken worden overgelegd;

6.4

stelt partijen in de gelegenheid partijen om, zodra dit voorhanden is, het bindend advies met betrekking tot het pensioen in het geding te brengen en daarbij aan te geven wat volgens hen daarvan het getalsmatige effect is op de intrinsieke waarde van de aandelen van de holding;

6.5

houdt iedere verdere beslissing pro forma aan tot 18 maart 2021.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.U.M. van der Werff, M.L. van der Bel en

R.A. Eskes, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier, en is op 17 december 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.