Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:10566

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-12-2020
Datum publicatie
14-01-2021
Zaaknummer
200.265.782
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden en partneralimentatie. Vaststelling waarde woning, belastinglatentie lijfrente/koopsompolis, geen verknochtheid schadevergoeding na ongeval, geen gebruiksvergoeding echtelijke woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0072
JPF 2021/62 met annotatie van Reinhartz, B.E.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.265.782

(zaaknummers rechtbank Gelderland 341206 en 346613)

beschikking van 17 december 2020

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. N. van de Gevel te Doetinchem,

en

[verweerster] ,

wonende te [A] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J.M. Hoogsteen te Ede.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 11 juni 2019, uitgesproken onder voormelde zaaknummers, hierna aangeduid als ‘de bestreden beschikking’.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 10 september 2019 met producties;

- het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep met producties;

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met producties;

- een journaalbericht van mr. Hoogsteen van 8 april 2020 met producties;

- een journaalbericht van mr. Hoogsteen van 14 oktober 2020 met producties;

- een journaalbericht van mr. Van de Gevel van 15 oktober 2020 met producties;

- een journaalbericht van mr. Hoogsteen van 21 oktober 2020 met producties;

- een journaalbericht van mr. Hoogsteen van 26 oktober 2020 met producties;

- een journaalbericht van mr. Van de Gevel van 29 oktober 2020 met spreekaantekeningen;

- een journaalbericht van mr. Hoogsteen van 2 november 2020 met spreekaantekeningen.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 5 november 2020 plaatsgevonden. In verband met het coronavirus heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden door middel van een Skype-verbinding. Via deze verbinding waren partijen aanwezig, bijgestaan door hun advocaten.

3 De vaststaande feiten

3.1

Partijen zijn [in] 1976 met elkaar gehuwd op huwelijkse voorwaarden, die zij bij notariële akte op 13 september 1976 hebben vastgelegd. Partijen hebben bij notariële akte van 20 augustus 2002 de huwelijkse voorwaarden aangevuld/gewijzigd. Daarbij zijn zij in artikel 9, voor zover hier van belang, het volgende overeengekomen:

“Verplicht wederkerige afrekening na ontbinding van het huwelijk (bij overlijden en na echtscheiding of na scheiding van tafel en bed) als ware er algehele gemeenschap van goederen; pensioenverevening .

Artikel 9

  1. Ingeval het huwelijk wordt ontbonden of tussen de echtgenoten scheiding van tafel en bed wordt uitgesproken, vindt er verrekening van hun vermogens plaats zo, dat ieder van de partijen gerechtigd is tot een waarde gelijk aan die, waartoe hij gerechtigd zou zijn indien tussen de echtgenoten de algehele gemeenschap van goederen had bestaan.

  2. De verrekening heeft plaats naar de toestand ten tijde van de ontbinding van het huwelijk door de dood of ingeval van echtscheiding of scheiding van tafel en bed, naar de toestand per de aanvang van de dag van het instellen van een verzoekschrift daartoe. (…)”

3.2

De man heeft op 7 augustus 2018 een verzoek tot echtscheiding bij de rechtbank Gelderland ingediend. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank - voor zover hier van belang - de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk vastgesteld en het meer of anders verzochte afgewezen. Behalve ten aanzien van de uitgesproken echtscheiding is de bestreden beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.3

De echtscheidingsbeschikking is op 7 oktober 2019 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4 De omvang van het geschil

4.1

De man is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Grief 1 heeft betrekking op de verdeling van de inboedel en grief 2 op een vergoedingsrecht in verband met een door hem ontvangen schadevergoeding.

De man verzoekt in hoger beroep (na wijziging, kort gezegd) de bestreden beschikking wat betreft de beslissingen onder 4.11 en 4.22 te vernietigen en de vrouw te veroordelen tot afgifte van een aantal door hem gewenste inboedelgoederen, op straffe van een dwangsom, met veroordeling van de vrouw aan de man € 3.000,- te voldoen ter zake van de verdeling van de inboedel en voorts te bepalen dat de man een vergoedingsrecht dan wel verrekenvordering heeft voor een bedrag van € 14.842,16 ter zake van de schadevergoeding.

4.2

De vrouw voert verweer en is op haar beurt met zeven grieven in incidenteel hoger beroep gekomen.

In het principaal hoger beroep verzoekt de vrouw de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, althans de verzoeken van de man af te wijzen. In het incidenteel hoger beroep verzoekt zij te bepalen (samengevat):

  • -

    dat de man met ingang van de datum van de echtscheiding maandelijks een gebruiksvergoeding van € 1.656,- dan wel € 695,- aan de vrouw dient te voldoen;

  • -

    dat de man € 2.555,- bruto per maand aan partneralimentatie aan de vrouw dient te betalen, met ingang van 7 augustus 2018 dan wel met ingang van de datum van de echtscheiding;

  • -

    dat de man inzake de lijfrentepolis van [B] € 8.876,- aan de vrouw dient te voldoen;

  • -

    dat de vrouw de Volvo zal verkopen en dat de man, op straffe van een dwangsom, binnen een week de benodigde documenten, sleutels en dakdragers aan de vrouw ter beschikking stelt, dat partijen de opbrengst bij helfte zullen delen en dat de verzekering en wegenbelasting voor rekening van de man zijn;

  • -

    dat punt 4.12 van de bestreden beschikking (afgifte van kopieën van foto’s, films en dia’s) wordt aangevuld met een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat de man hiermee in gebreke blijft;

  • -

    dat de man € 156,- ter zake van de aanslag waterschapsbelasting aan de vrouw dient te voldoen.

4.3

De man verzoekt het incidenteel hoger beroep van de vrouw af te wijzen en verzoekt het hof aanvullend (samengevat):

- primair te bepalen dat de vrouw de helft van de overwaarde van de woning van ten minste € 198.319,50 vermeerderd met de helft van de eventuele (netto) opbrengst van de woning boven € 396.639,- aan de man dient te voldoen, subsidiair de vrouw te verplichten de woning te koop te zetten, haar te verplichten alle medewerking te verlenen aan spoedige verkoop en vast te stellen dat aan de man na verkoop en overdracht van de woning ten minste € 198.319,50 zal toekomen, te vermeerderen met de helft van de opbrengst boven € 396.639,-;

- voorwaardelijk, indien het hof een gebruiksvergoeding ten laste van de man toekent: vast te stellen dat de vrouw een bijdrage in de woonlast dient te voldoen van € 202,- per maand met

ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, welke bijdrage direct kan worden verrekend met de op te leggen gebruiksvergoeding;

- te bepalen dat de man met betrekking tot de afrekening inzake de Volvo € 5.660,- van de vrouw zal ontvangen, waarna de man de papieren en de sleutels aan de vrouw zal overhandigen;

- te bepalen dat de vrouw over de periode na de datum van de echtscheidingsbeschikking aan de man zal voldoen de kosten die hij moet maken voor de Volvo, terwijl deze in het bezit is van de vrouw, zijnde de verzekering en de belasting, nader vast te stellen op de verkoopdatum van de Volvo;

kosten rechtens.

4.4

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing

afwikkeling huwelijksvoorwaarden

5.1

Partijen hebben met betrekking tot de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden grieven gericht tegen de beslissing van de rechtbank over de volgende onderdelen:

a. de voormalige echtelijke woning met hypotheekschuld,

b. een auto Volvo V60,

c. lijfrente/koopsompolis [B] ,

d. inboedel

a. woning

5.2

De vrouw is eigenaar van de woning. De rechtbank heeft bepaald dat de vrouw verplicht is de helft van de overwaarde van de woning (zijnde de verkoopprijs van de woning minus de hypothecaire geldlening minus de verkoopkosten) aan de man te voldoen na verkoop en overdracht van de woning. Volgens de rechtbank hadden partijen hierover overeenstemming. De vrouw heeft in haar eerste grief aangevoerd dat zij degene is die kan bepalen welke makelaar de verkoop op zich zal nemen. Dit punt is in zoverre achterhaald dat de woning inmiddels is verkocht. Ten tijde van de mondelinge behandeling had nog geen levering plaatsgevonden, maar die stond op korte termijn gepland. De verkoopprijs bedraagt € 450.000,-. De man heeft in hoger beroep verzocht te bepalen dat aan hem in ieder geval € 198.319,50 toekomt. Daarbij is hij ervan uitgegaan dat de woning ten minste € 560.000,- zou opleveren. Het genoemde bedrag is de helft van de overwaarde bij die verkoopprijs, aangezien de hypotheekschuld € 163.361,- bedroeg.

5.3

Het hof is van oordeel dat het verzoek van de man inhoudelijk behandeld dient te worden en in de gegeven omstandigheden niet in strijd is met de zogeheten tweeconclusieregel. Daarbij is van belang dat de verkoopprijs van de woning aanzienlijk lager is dan waarvan in elk geval de man bij het instellen van het hoger beroep nog uitging en redelijkerwijs kon uitgaan. Dit is een nieuwe omstandigheid die maakt dat de aanpassing van zijn verzoek op dit punt niet in strijd komt met de tweeconclusieregel of anderszins met de regels van een goede procesorde.

5.4

Het hof stelt voorop dat tussen partijen geen sprake is van een gemeenschap van goederen. Partijen moeten afrekenen alsof zij in gemeenschap van goederen gehuwd waren. Dat betekent echter niet dat ook voor de waardepeildatum moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die gelden bij een verdeling van een gemeenschap. Partijen zijn overeengekomen dat de verrekening plaatsheeft naar de toestand per de aanvang van de dag van het indienen van het echtscheidingsverzoek, oftewel 7 augustus 2018. Dit sluit aan bij artikel 1:142 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Hierin is ook bepaald dat die datum bepalend is voor de omvang van het te verrekenen vermogen. Partijen zijn hiervan niet afgeweken. De waarde van de woning op 7 augustus 2018 is dus bepalend. Deze staat tussen partijen niet vast. Het hof neemt in aanmerking dat de WOZ-waarde van de woning per 1 januari 2018 € 515.000,- bedroeg en per 1 januari 2019 € 540.000,-. Hoewel de man ter zitting heeft verklaard dat de gemeente in de regel laag taxeert, heeft hij die stelling niet onderbouwd. In eerste instantie was het juist de vrouw die niet wenste uit te gaan van de WOZ-waarde, wat een aanwijzing is dat zij de mening van de man op dit punt niet deelt. Gelet op alle omstandigheden stelt het hof de waarde van de woning per 7 augustus 2018 in goede justitie vast op € 530.000,-. Hierop komt de hypotheekschuld in mindering zoals die per 7 augustus 2018 bestond. Van het restbedrag dient de vrouw de helft aan de man te betalen.

b. Volvo

5.5

Ter zitting heeft de vrouw haar grief met betrekking tot de auto ingetrokken. Hierop hoeft het hof dus niet meer te beslissen.

5.6

De man heeft in de spreekaantekeningen het hof verzocht te bepalen dat de vrouw aan hem de door hem betaalde kosten vergoedt ter zake van de Volvo. Dit verzoek acht het hof in strijd met de tweeconclusieregel. De man had dit verzoek kunnen en moeten doen in het beroepschrift. Het hof wijst dit verzoek daarom af. Nu de vrouw geen grief heeft gericht tegen de beslissing van de rechtbank over de in eerste aanleg door de man gevorderde kosten, blijft de verplichting van de vrouw het door de rechtbank vastgestelde bedrag van € 1.094,- aan de man te vergoeden overigens in stand.

c. polis [B]

5.7

De rechtbank heeft bepaald dat de polis bij [B] op naam van de man moet worden gesplitst. De vrouw is hiertegen opgekomen. Wat haar betreft kan de man de polis behouden, maar dient hij aan haar de helft van de netto waarde te vergoeden. Zij heeft deze berekend op € 8.876,- te weten de helft van de (bruto) waarde van € 21.959,- verminderd met een latente belastingclaim, die zij contant gemaakt heeft berekend op 19,15%. De man is primair van mening dat de rechtbank een juiste beslissing heeft genomen. Voor zover hij aan de vrouw iets dient te betalen, dient te worden uitgegaan van een waarde van € 20.452,70 te verminderen met een latente belastingclaim, die niet contant dient te worden gemaakt. Ook heeft hij erop gewezen dat bij voortijdige beëindiging van de polis revisierente verschuldigd zal zijn aan de Belastingdienst als sanctie op het - achteraf bezien, als gevolg van de voortijdige beëindiging - in strijd met de regels in aftrek brengen van de premies op het belastbaar inkomen.

5.8

Het hof is van oordeel dat ook voor de waarde van de polis dient te worden uitgegaan van 7 augustus 2018 als peildatum. Het hof gaat ervan uit dat de waarde niet wezenlijk afwijkt van de waarde per 9 juli 2018 die uit de stukken blijkt (productie M bij aanvullend verweerschrift tegen (aanvulling van de) zelfstandige verzoeken in eerste aanleg), die € 21.959,- beloopt. Nu het hof - zij het fictief - uitgaat van uitkering van de waarde op de peildatum brengt dat mee dat voor de berekening van de daarop in mindering te brengen latente belastingvordering ervan moet worden uitgegaan dat de belasting op de peildatum wordt verschuldigd over de op dat tijdstip uitgekeerde afkoopwaarde (HR 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:281 rov. 3.3.2)

5.9

In het kader van de vaststelling van de partneralimentatie heeft de man aangevoerd dat zijn inkomen in 2018 € 1.942,50 bruto per maand oftewel € 23.310,- op jaarbasis bedroeg. Het hof zal daarmee rekenen voor de bepaling van de fiscale claim. Dit betekent dat de fiscale claim 40,85% (tarief 2018) van € 21.959,- oftewel € 8.970,- bedraagt. De netto waarde bedraagt daarmee € 12.989,-. Het hof ziet geen aanleiding daarbovenop ook nog rekening te houden met revisierente. Uit niets volgt namelijk dat de man genoodzaakt is de polis daadwerkelijk voortijdig te beëindigen. In elk geval bestaat die noodzaak niet uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden omdat de vrouw per saldo een bedrag aan de man zal moeten betalen vanwege de overwaarde van de woning en het door de man aan haar verschuldigde bedrag hiermee kan worden verrekend. Daarom kan niet worden vastgesteld dat er op enig moment revisierente verschuldigd zal zijn. De eventuele keuze van de man de polis voortijdig te beëindigen dient ook in dit opzicht daarom niet van invloed te zijn op de waarde die aan de vrouw toekomt. De man dient dus aan de vrouw de helft van € 12.989,- oftewel € 6.494,50 te betalen.

d. inboedel

5.10

Over de feitelijke verdeling van de inboedelgoederen hebben partijen overeenstemming bereikt. Aan de man zullen de stalen ladekast en de sidetable worden toegedeeld. Voor het overige houdt ieder wat hij of zij in bezit heeft. Daarnaast zal de vrouw de laptop aan de man ter beschikking stellen waarna de man (binnen twee weken na ontvangst van de laptop) daarop kopieën van de digitaal beschikbare foto’s zal zetten. De vrouw ontvangt vervolgens de laptop met daarop de foto’s retour. Gelet op deze nadere afspraken ziet het hof geen aanleiding een dwangsom te bepalen.

5.11

Partijen zijn bij de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld nader te onderbouwen welke goederen van waarde aan de ander zijn toegedeeld. Op basis van hun verklaringen kan het hof niet vaststellen dat een van beide partijen duidelijk is overbedeeld. Daarom zal het hof bepalen dat de verdeling van de inboedel zonder nadere waardeverrekening zal plaatsvinden.

schadevergoeding van de man

5.12

De man heeft in augustus 2005 een auto-ongeluk gehad. In verband hiermee heeft hij een bedrag van in totaal € 47.000,- als schadevergoeding ontvangen, bestaande uit een voorschot van € 2.000,- en een eindafrekening van € 45.000,-. Het laatste bedrag heeft de man op 8 december 2015 ontvangen. De schadevergoeding heeft betrekking op het feit dat de man niet langer in staat is zelf werkzaamheden in en aan de woning te verrichten. Dit volgt uit een e-mail van de letselschadeadvocaat van de man aan de man van 2 oktober 2015 (productie R bij aanvullend verweerschrift tegen (aanvulling van de) zelfstandige verzoeken). De man stelt dat dit bedrag niet in de verrekening dient te worden betrokken, omdat deze uitkering aan hem verknocht is. De vrouw bestrijdt dit.

5.13

De beantwoording van de vragen of een goed wegens het hoogstpersoonlijke karakter daarvan in afwijking van de hoofdregel van artikel 1:94 lid 2 BW aan een echtgenoot verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed in een huwelijksgemeenschap valt, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder met name de aard van dat goed, zoals deze mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald (vergelijk Hoge Raad 7 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0957). Dat deze regel ook geldt in de situatie waarin op grond van huwelijksvoorwaarden moet worden afgerekend alsof sprake is van een gemeenschap van goederen volgt uit Hoge Raad 26 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF2295. Uit het arrest van 7 december 2012 blijkt dat het feit dat de vergoeding betrekking heeft op schade die een echtgenoot heeft geleden als gevolg van een ongeval niet zonder meer maakt dat sprake is verknochtheid. Ook dan hangt dit af van de omstandigheden van het geval, met name van de vraag op welke schade de vergoeding betrekking heeft. Zo is bijvoorbeeld van belang of de vergoeding betrekking heeft op schade die de betrokken echtgenoot als gevolg van het ongeval na ontbinding van de gemeenschap in de toekomst zal lijden, zoals toekomstige inkomensschade wegens door het ongeval blijvend verloren arbeidsvermogen.

5.14

De man heeft aangevoerd dat ook in dit geval sprake is van deels toekomstige schade, omdat hij ook na het huwelijk slechts zeer beperkt in staat zal zijn aan een toekomstige woning zelf onderhoudswerkzaamheden te verrichten. Die enkele stelling acht het hof echter niet voldoende. Uit de stellingen van de man volgt dat sprake is van een vergoeding van materiële schade. Uit de vaststellingsovereenkomst met [C] kan niet worden afgeleid waarop het bedrag van € 45.000,- concreet betrekking heeft en hoe de hoogte van dit bedrag tot stand is gekomen. Uit de overeenkomst blijkt dat er onzekerheid is over de aansprakelijkheid en de omvang van de geleden en nog te lijden schade. Het hof leidt uit de gedingstukken af dat dit er met name mee te maken heeft dat de man al vóór het ongeval nek- en schouderklachten had, waardoor het causale verband tussen het ongeluk en de beperkingen van de man onzeker was. Beide partijen lijken hun risico’s te hebben willen afkopen door zonder nader onderzoek tot een afkoopbedrag te komen. In dat licht is niet voldoende vast te stellen dat en - zo ja - in hoeverre het bedrag betrekking heeft op schade die de man lijdt na de peildatum, mede gelet op het lange tijdsverloop tussen het ongeluk en de uitbetaling. Gelet hierop moet het beroep van de man op verknochtheid worden afgewezen. Aan de vraag of het bedrag na ontvangst beschikbaar en identificeerbaar is gebleven komt het hof daarom niet toe.

5.15

Grief 2 van de man faalt. De beslissingen van de rechtbank over de banksaldi en de terugstorting door de man van een bedrag van € 45.000,- blijven in stand.

overige verrekeningen

5.16

De rechtbank heeft aan de man het voortgezette gebruik van de woning toegekend voor een termijn van zes maanden na de echtscheiding. De vrouw is in hoger beroep gekomen van de afwijzing van de door haar in verband daarmee verzochte gebruiksvergoeding.

5.17

De woning is eigendom van de vrouw. De vrouw heeft het genot van de woning moeten missen gedurende de zes maanden dat de man daar mocht verblijven. De rechtbank heeft overwogen dat de man de vaste lasten van de echtelijke woning volledig voor zijn rekening heeft genomen en dat het om die reden niet redelijk is een gebruiksvergoeding vast te stellen. Het hof komt via een iets andere weg tot dezelfde uitkomst. Enerzijds is sprake van een aanzienlijke overwaarde in de woning. De lasten die de man hiervoor heeft gedragen zijn relatief laag. Te meer omdat de vrouw enig eigenaar van de woning is, en sprake is van een aanzienlijke overwaarde, is de vrouw in beginsel niet voldoende gecompenseerd door het feit dat de man de hypotheekrente heeft betaald. Een gebruiksvergoeding zou echter wel beperkt dienen te blijven tot de periode van zes maanden waarin de man op grond van de uitspraak het voortgezette gebruik van de woning had (7 oktober 2019 tot 7 april 2020). Daar staat bovendien tegenover dat de man ook na 7 april 2020 de hypotheeklast is blijven voldoen, terwijl daartoe in feite geen grond meer bestond. Verder heeft de man een rekening voor onderhoud van de cv-ketel betaald, waarvan de vrouw evenzeer voordeel heeft gehad in het kader van de verkoop van de woning. Het hof acht het in de gegeven omstandigheden redelijk om deze posten tegen elkaar weg te strepen en dus per saldo zowel het verzoek van de vrouw om een gebruiksvergoeding als het verzoek van de man om vergoeding van de nota voor de cv-ketel en de hypotheekrente die de man na 7 april 2020 heeft betaald af te wijzen.

5.18

De vrouw heeft onbetwist gesteld dat zij de aanslag watersysteemheffing gebouwd over 2019 van € 156,05 heeft betaald. Gelet op de aanslagdatum is dat na de peildatum gebeurd. De man heeft aangevoerd dat deze aanslag voor rekening van de vrouw moet komen, omdat zij eigenaar van de woning is. Het hof volgt de man daarin. De aanslag is aan de vrouw opgelegd als eigenaar van de woning (anders zou het moeten gaan om watersysteemheffing ingezetenen, zie voor het onderscheid artikel 117 lid 1 letters a en d van de Waterschapswet). Het hof ziet daarom geen aanleiding voor verrekening.

partneralimentatie

5.19

De rechtbank heeft voor het bepalen van de behoefte van de vrouw aansluiting gezocht bij de zogeheten hofnorm. Dit betekent dat ervan wordt uitgegaan dat de behoefte gelijk is aan 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van het uiteengaan van partijen. De rechtbank heeft deze behoefte berekend op € 1.848,- netto, gebruteerd en vervolgens hierop het bruto inkomen van de vrouw in mindering gebracht. Aldus heeft de rechtbank de bruto aanvullende behoefte van de vrouw berekend op € 1.173,51 per maand.

5.20

Bij de vaststelling van de draagkracht van de man is de rechtbank enkel uitgegaan van een pensioeninkomen van € 1.942,50 bruto per maand. Anders dan de vrouw heeft de rechtbank geen aanleiding gezien rekening te houden met inkomsten uit royalty’s.

5.21

De vrouw heeft grieven gericht tegen de vaststelling van de behoefte en de vaststelling van de draagkracht.

5.22

Er is sprake geweest van opnames in rekening-courant uit de onderneming van de man. De man heeft onbetwist gesteld dat dit geld is besteed aan een verbouwing van de woning. Daarmee kan naar het oordeel van het hof in zoverre niet worden gesteld dat sprake is van (structureel) consumptieve bestedingen. Op dit punt is er dus geen aanleiding het NBGI hoger vast te stellen. Het hof volgt de rechtbank echter niet voor zover de rechtbank het inkomen van de vrouw buiten beschouwing heeft gelaten. In elk geval in 2016 verdiende de vrouw € 750,- netto per maand. Weliswaar moet worden aangenomen dat zij dit niet meer verdiende in de laatste maanden voor het uiteengaan van partijen, maar in de regel duurt het enige tijd voordat gewenning aan een lager inkomen intreedt. Het is niet altijd mogelijk direct de tering naar de nering te zetten. Aannemelijk is dat partijen nog niet echt gewend waren aan het lagere gezinsinkomen op het moment van uiteengaan. In dat licht acht het hof het redelijk het bedrag van € 750,- bij het NBGI op te tellen. Dit betekent dat de netto behoefte van de vrouw met 60% van dit bedrag (oftewel € 450,-) moet worden verhoogd tot € 2.298,-. Grief III in incidenteel appel slaagt hiermee deels.

5.23

Anders dan de rechtbank heeft gedaan, dient overigens voor de het bepalen van de behoeftigheid het netto inkomen van de vrouw op dit bedrag in mindering te worden gebracht en het verschil te worden gebruteerd, omdat over partneralimentatie inkomensafhankelijke bijdrage ZVW verschuldigd is, die in de benadering van de rechtbank niet op juiste wijze kan worden vastgesteld. Het hof zal deze berekening nu achterwege laten vanwege het hierna te geven oordeel over de draagkracht van de man.

5.24

De vrouw heeft ten slotte aangevoerd dat van de man gevergd kan worden dat hij weer aan het werk gaat. Het hof volgt de vrouw hierin niet. Uit de omvangrijke stukken die de man heeft aangeleverd volgt dat hij in de afgelopen jaren diverse medische ingrepen en behandelingen heeft moeten ondergaan. Het is niet nodig dat de man tot in detail inzicht geeft in zijn medische situatie of dat een arts bevestigt dat en hoe lang de man precies niet zou kunnen werken. Met hetgeen de man heeft overgelegd, heeft hij voldoende gemotiveerd onderbouwd dat van hem op dit moment niet kan worden gevergd aan het werk te gaan en dat dit voorlopig niet anders zal zijn. Daarbij neemt het hof overigens ook de leeftijd van de man (inmiddels 66 jaar) in aanmerking.

5.25

Tussen partijen is niet in geschil dat de man in de gegeven omstandigheden geen draagkracht heeft. Dat betekent dat de rechtbank terecht het verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie heeft afgewezen. In zoverre falen de grieven van de vrouw.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slaagt de eerste grief van de man deels en faalt deze grief voor het overige, evenals de tweede grief van de man. De eerste, tweede en vierde grief van de vrouw slagen ook deels; grief 3 faalt. Grief 5 van de vrouw is ingetrokken en grief 6 behoeft geen (verdere) bespreking. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en beslissen als hierna onder 7 is vermeld.

6.2

In het feit dat partijen ex-echtelieden zijn en de procedure betrekking heeft op de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun huwelijk ziet het hof aanleiding de proceskosten te compenseren.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 11 juni 2019, voor zover het de beslissingen in 4.3, 4.10, 4.11 en 4.12 betreft, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de vrouw aan de man dient te voldoen de helft van de overwaarde van de woning, te berekenen op € 530.000,- verminderd met de hypotheekschuld zoals die per 7 augustus 2018 bestond;

bepaalt dat de man aan de vrouw € 6.494,50 dient te voldoen ter zake van de [B] polis;

deelt aan de man de stalen ladekast en de sidetable toe;

bepaalt dat de man aan de vrouw, binnen twee weken nadat de vrouw haar laptop aan de man ter beschikking heeft gesteld, de laptop retourneert, voorzien van kopieën van de digitaal beschikbare foto’s van partijen;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 11 juni 2019, voor zover aan het oordeel van het hof voorgelegd, voor het overige;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.A. Eskes, A. Smeeing-van Hees en J.U.M. van der Werff, bijgestaan door mr. T.H.M. Lueb als griffier, en is op 17 december 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.