Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:10564

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-12-2020
Datum publicatie
22-12-2020
Zaaknummer
200.278.124/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

AVG. Verzoek om verwijdering gegevens uit BKR-register afgewezen. Ook artikel 6 lid 1 onder c AVG vormt grondslag voor BKR-registratie. Het risico op een proceskostenveroordeling staat niet in de weg aan het door artikel 79 AVG gewaarborgde recht op een doeltreffende voorziening in rechte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.278.124/01

(zaaknummer rechtbank Noord Nederland C/17/169522)

beschikking van 17 december 2020

in de zaak van

1 [verzoeker] ,
wonende te [A] ,
hierna: [verzoeker] ,
en
2. [verzoekster] ,
wonende te [A] ,
hierna: [verzoekster] ,
verzoekers in hoger beroep, ook verzoekers in het provisionele verzoek,
in eerste aanleg: verzoekers,
hierna gezamenlijk: [verzoekers] c.s.,
advocaat mr. K.J. Zomer te Oosterhout,

tegen

de coöperatie COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
gevestigd te Utrecht,
verweerster in hoger beroep, ook verweerster in het provisionele verzoek,
in eerste aanleg: verweerster,
hierna: Rabobank,
advocaat mr. P.W. van Kooij te Leiden.

1
1. De procedure bij de rechtbank

Het verloop van de procedure bij de rechtbank blijkt uit de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, locatie Leeuwarden van 19 februari 2020.

2
2. De procedure bij het hof

2.1

Het verloop van de procedure bij het hof blijkt uit:
- het beroepschrift van [verzoekers] c.s. (met bijlagen) van 28 april 2020 (binnengekomen
bij het hof op 30 april 2020);
- het verweerschrift van Rabobank van 29 juli 2020 (op die datum binnengekomen bij
het hof);
- de akte houdende overlegging van bijlagen van [verzoekers] c.s.;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 18 november 2020.

2.2

Het hof heeft een datum voor de beschikking vastgesteld.

2.3

[verzoekers] c.s. verzoeken het hof om de beschikking van de rechtbank te vernietigen en hun oorspronkelijke verzoek alsnog toe te wijzen. Dat verzoek komt erop neer dat Rabobank onder het opleggen van een dwangsom veroordeeld wordt om de bijzonderheidscodering(en) in het Centraal Krediet Informatiesysteem (hierna: het CKI) bij de stichting Bureau Krediet Registratie (hierna: BKR) over [verzoekers] c.s. te verwijderen en verwijderd te houden. [verzoekers] c.s. vorderen ook dat Rabobank wordt veroordeeld in de kosten van de procedure bij de rechtbank en bij het hof.
Ook verzoeken ze het hof prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad en om - dat is het provisionele verzoek - gedurende de periode dat het hof in afwachting van de beantwoording van die vragen door de Hoge Raad nog niet definitief kan beslissen Rabobank te bevelen de coderingen door te halen.

3
3. Waar gaat het in deze zaak om?

3.1

Het gaat in deze procedure om de vraag of Rabobank de door haar verrichte kredietregistraties over [verzoekers] c.s. in het BKR-register moet verwijderen. De achtergrond van het geschil tussen partijen over deze vraag is de volgende.

3.2

Rabobank heeft in 2011 een consumptief krediet verstrekt aan [verzoekers] c.s. van
€ 70.000,-, waarop [verzoekers] c.s. maandelijks € 700,- moesten aflossen. In datzelfde jaar heeft Aegon Hypotheken B.V. (hierna: Aegon) een hypothecaire lening verstrekt van ongeveer € 1.100.000,- in verband met de aankoop en verbouwing van een woning in [A] . Deze woning, een voormalige boerderij, was afkomstig uit de nalatenschap van wijlen de ouders van [verzoeker] .

3.3

[verzoeker] was vanaf 1999 statutair directeur van een internationaal opererend bedrijf in kantoorartikelen. Zijn arbeidsovereenkomst is per 1 augustus 2013 beëindigd. [verzoeker] , die toen 58 jaar oud was, had (inclusief bonussen) een inkomen van ongeveer € 350.000,- bruto per jaar. Aan [verzoeker] is bij de beëindiging een vergoeding van € 200.000,- bruto betaald.

3.4

[verzoeker] heeft geen ander werk kunnen vinden. Hij heeft een WW-uitkering ontvangen, die aanzienlijk lager was dan zijn laatstgenoten salaris. Vanaf 1 oktober 2016 ontving [verzoeker] een IOAW-uitkering. [verzoekster] had geen eigen inkomen.

3.5

Aegon heeft in januari 2018 de woning van [verzoekers] c.s. voor € 650.000,- verkocht met behulp van een door [verzoekers] c.s. afgegeven volmacht. Na afkoop van een aan Aegon verpand spaardepot resteerde een schuld aan Aegon van ruim € 250.000,-. De schuld van [verzoekers] c.s. aan Rabobank bedroeg toen ruim € 71.000,-.

3.6

[verzoekers] c.s. hebben zich voor schuldhulpverlening gewend tot Bureau Benedictus. Dat bureau heeft vastgesteld dat de totale schuldenlast van [verzoekers] c.s. (inclusief de vorderingen van Aegon en Rabobank) ruim € 387.000,- bedroeg. Bureau Benedictus heeft namens [verzoekers] c.s. op 13 juni 2018 aan de concurrente schuldeisers een betaling van 9,07% van hun openstaande vorderingen tegen finale kwijting voorgesteld. Het bedrag dat beschikbaar was voor de schuldeisers was afkomstig van de afkoop van een verzekering en (voor een bedrag van € 10.757,-) van een zoon van [verzoekers] c.s. Volgens de toelichting op de schuldregeling zouden de schuldeisers bij acceptatie van de regeling meer ontvangen dan in de (fictieve) situatie dat [verzoekers] c.s. in de WSNP zouden terechtkomen en dan een inkomen uit arbeid van € 2.700,- per maand zouden hebben.

3.7

Rabobank heeft het voorstel geaccepteerd, de andere schuldeisers ook met uitzondering van Aegon. De rechtbank Noord-Nederland heeft vervolgens op verzoek van [verzoekers] c.s. bij beschikking van 18 september 2018 Aegon bevolen in te stemmen met de aangeboden schuldregeling (vgl. artikel 287a Fw). In deze beschikking overwoog de rechtbank onder meer dat [verzoekers] c.s. hebben aangevoerd dat het pensioen van [verzoeker] pas zal ingaan per 1 januari 2023 en dat tegen die tijd de reguliere looptijd van een eventuele WSNP al lang is verstreken.
Aegon heeft het door haar tegen de beschikking van de rechtbank ingestelde beroep op
23 november 2018 ingetrokken.

3.8

In december 2018 heeft [verzoeker] zijn pensioenfonds verzocht hem met ingang van
1 januari 2019 vroegpensioen toe te kennen. Vanaf 1 januari 2019 ontvangt [verzoeker] een (vroeg) pensioenuitkering van ruim € 4.150,- netto per maand.

3.9

[verzoekers] c.s. hebben van het door hun zoon betaalde bedrag voor de schuldenregeling € 5.567,- terugbetaald. Het resterende bedrag van € 5.000,- is door hun zoon kwijtgescholden.

3.10

[verzoekers] c.s. huren vanaf 9 juni 2018 voor de duur van vijf jaren een voormalige pastorie van de gereformeerde kerk van [A] voor een bedrag van € 700,- per maand. Voor de verhuur van de pastorie is een vergunning op grond van artikel 15 van de Leegstandswet verleend.

3.11

Rabobank heeft in het CKI een aantal bijzonderheidscodes betreffende [verzoekers] c.s. laten registreren over het hiervoor genoemde consumptieve krediet en over een betaalrekening van [verzoekers] c.s. Het gaat om zogenaamde A, 2 en 3 coderingen, waarmee wordt aangegeven dat eerst een achterstand op de vordering is ontstaan, deze achterstand vervolgens is opgeëist en er ten slotte een bedrag van € 250,- of meer is afgeboekt op de vordering. De laatste codering dateert van 18 september 2018. In beide gevallen is vermeld dat het contract (en dus de registratie) wordt verwijderd in september 2023, als er geen wijzigingen plaatsvinden.

3.12

Ook Aegon heeft naar aanleiding van de achterstand en de afboeking op haar vordering uit de hypothecaire lening en de restschuld hypotheek bijzonderheidscoderingen in het CKI laten registreren met als einddata mei en september 2023.

3.13

Met brieven van 22 augustus 2019 heeft CoderingVrij namens [verzoekers] c.s. aan Rabobank en Aegon verzocht de registraties te verwijderen. Aan dit verzoek hebben [verzoekers] c.s. artikel 16 en artikel 17 in combinatie met de artikelen 21 en 6 AVG ten grondslag gelegd. Registratie is volgens de brief bovendien in strijd met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Zowel Rabobank als Aegon hebben dit verzoek schriftelijk afgewezen.

3.14

[verzoekers] c.s. hebben de rechtbank daarop verzocht om Rabobank en Aegon Levensverzekering N.V. te bevelen (onder het opleggen van een dwangsom) om binnen 48 uur na betekening van de beschikking van de rechtbank de bijzonderheidscoderingen te verwijderen en verwijderd te houden. Nadat [verzoekers] c.s. het verzoek tegen Aegon Levensverzekering N.V. om formele redenen hadden ingetrokken, heeft de rechtbank het tegen Rabobank gerichte verzoek afgewezen.

4
4 De beoordeling van het geschil

Inleidende opmerkingen
4.1 [verzoekers] c.s. hebben acht beroepsgronden - door hen grieven genoemd, in welke terminologie het hof hen zal volgen - gericht tegen de beschikking van de rechtbank. Met deze grieven leggen [verzoekers] c.s. het geschil tussen partijen in volle omvang aan het hof voor. Het hof zal de geschilpunten behandelen en in dat verband ook de grieven bespreken. Dat betekent dat niet per grief wordt aangegeven of en in hoeverre de grief slaagt dan wel faalt.

4.2

[verzoekers] c.s. wijzen er (in grief 1) op dat de rechtbank bepaalde volgens hen relevante feiten niet heeft vermeld. Zij miskennen dat er geen rechtsregel is die de rechter verplicht alle door de ene partij gestelde en door de andere partij erkende of niet weersproken feiten als vaststaand in de uitspraak te vermelden. Het staat de rechter vrij uit de tussen partijen vaststaande feiten die selectie te maken die hem voor de beoordeling van het geschil relevant voorkomt.

4.3

Ook het hof heeft een selectie gemaakt van de voor de beoordeling van het geschil relevante feiten. Het hof zal bij de bespreking van het geschil tussen partijen uitgaan van de hiervoor vermelde feiten. Als het hof zich bij de beslissing op een specifiek geschilpunt nog baseert op andere feiten, zal het hof die feiten bij dat geschilpunt vermelden.

Grondslag van de verwerking in het CKI

4.4

Partijen verschillen allereerst van mening over de vraag wat de grondslag is van de verwerking van persoonsgegevens - in dit geval gegevens over aangegane financieringen - in het CKI. Artikel 6 lid 1 AVG bepaalt dat de verwerking van persoonsgegevens alleen rechtmatig is indien en voor zover ten minste sprake is van een van de in dat lid vermelde grondslagen (“voorwaarden”) voor verwerking. [verzoekers] c.s. stellen dat deze grondslag in dit geval (alleen) artikel 6 lid 1 onder f AVG kan zijn. Volgens Rabobank is (ook) artikel 6 lid 1 onder c de grondslag voor registratie in het CKI.

4.5

In een eerder arrest1 heeft dit hof overwogen dat en waarom de registratie van kredietgegevens in het CKI plaatsvindt op grond van een wettelijke plicht, als bedoeld in artikel 6 lid 1 onder c AVG, te weten op grond van de artikelen 4:32 lid 1 en 4:34 Wet op het financieel toezicht (Wft). In een uitvoerig gemotiveerde beschikking2 is het hof Den Bosch tot dezelfde conclusie gekomen. In deze beschikking werd de betrokkene bijgestaan door een kantoorgenoot van de advocaat van [verzoekers] c.s. De argumenten die nu door [verzoekers] c.s. zijn aangevoerd voor de stelling van [verzoeker] dat artikel 6 lid 1 onder c AVG niet de grondslag kan zijn voor de registratie van de kredietgegevens over [verzoekers] c.s. in het CKI, zijn door het hof Den Bosch in zijn oordeel betrokken. Het hof ziet daarom geen reden die argumenten opnieuw te bespreken. Dat zou neerkomen op een herhaling, of samenvatting, van de uitgebreide overwegingen van het hof Den Bosch. Het hof sluit zich aan bij wat het zelf in het genoemde arrest en bij wat het hof Den Bosch in de genoemde beschikking over de grondslag van verwerking van persoonsgegevens heeft overwogen en beslist en neemt die overwegingen hier over.
Dat het hof Den Haag in een, door [verzoekers] c.s. aangehaalde, recente beschikking3 tot een ander oordeel komt, doet hieraan niet af. In de beschikking van het hof Den Haag wordt geen (kenbare) aandacht besteed aan de, naar het oordeel van het hof overtuigende, argumenten waarop het hof Den Bosch in zijn beschikking de conclusie baseert dat de registratie van kredietgegevens in het CKI juist wel plaatsvindt op grond van een wettelijke plicht als bedoeld in artikel 6 lid 1 onder c AVG.

4.6

Wanneer de verwerking van persoonsgegevens, zoals hier, is gebaseerd op een wettelijke plicht, kan de betrokkene geen beroep doen op het in artikel 17 AVG neergelegde recht op gegevenswissing (vgl. artikel 17 lid 3 onder b AVG). De betrokkene heeft in dat geval ook niet het recht van bezwaar als bedoeld in artikel 21 AVG, omdat dat recht is verbonden aan gegevensverwerking op grond van artikel 6 lid 1 onder e en f AVG. Het beroep van [verzoekers] c.s. op deze rechten gaat dan ook niet op, zodat in het midden kan blijven of, zoals [verzoekers] c.s. bepleiten, in dat geval een andere belangenafweging dient plaats te vinden dan de hierna te bespreken belangenafweging.

Belangenafweging algemeen
4.7 De bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens is een grondrecht, zo blijkt uit overweging 1 bij de AVG. Het fundamentele recht op de bescherming van persoonsgegevens is verder verankerd in artikel 10 van de Grondwet en in artikel 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Het wordt als onderdeel van het privéleven ook beschermd in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en artikel 17 van het Internationaal Verdrag voor de Burgerlijke en Politieke Rechten (IVBPR).

4.8

In artikel 5 lid 1 onder c AVG is bepaald dat de verwerking van persoonsgegevens toereikend, ter zake dienend en beperkt dient te zijn tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt (zie ook overweging 39 van de preambule bij de AVG). Persoonsgegevens mogen alleen worden verwerkt indien het doel van de verwerking niet redelijkerwijs op een andere wijze kan worden verwezenlijkt.
Daarnaast is in overweging 47 van de preambule bij de AVG vermeld dat de gerechtvaardigde belangen van een verwerkingsverantwoordelijke of van een derde een rechtsgrond kunnen bieden voor verwerking, mits de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene niet zwaarder wegen, rekening houdend met de redelijke verwachtingen van de betrokkene op basis van zijn verhouding met de verwerkingsverantwoordelijke. Er is een zorgvuldige beoordeling geboden om te bepalen of sprake is van een gerechtvaardigd belang, als ook om te bepalen of een betrokkene op het tijdstip en in het kader van de verzameling van de persoonsgegevens redelijkerwijs mag verwachten dat verwerking met dat doel kan plaatsvinden.

4.9

Het voorgaande brengt mee dat ook wanneer de verwerking van persoonsgegevens gebaseerd is op een wettelijke verplichting (in dit geval de Wft), de taak om die verplichting uit te voeren niet zonder meer iedere gegevensverwerking rechtvaardigt. Evenals dat het geval was onder de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp), dient iedere verwerking van persoonsgegevens te voldoen aan de eisen proportionaliteit en subsidiariteit en is, gelet op de aard van de inbreuk op de privacy, een belangenafweging van geval tot geval nodig.

In dit verband dient te worden bedacht dat de Hoge Raad in zijn arrest van 9 september 20114 heeft overwogen dat de, toen nog van kracht zijnde, Wbp in overeenstemming met het bepaalde in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens moet worden uitgelegd en dat uit de wetsgeschiedenis van de Wbp volgt dat bij elke gegevensverwerking moet zijn voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dit brengt naar het oordeel van de Hoge Raad mee dat de inbreuk op de belangen van de betrokkene niet onevenredig mag zijn in verhouding tot het met de verwerking te dienen doel, en dat dit doel in redelijkheid niet op een andere, voor de betrokkene minder nadelige, wijze kan worden verwerkelijkt.
Omdat met de AVG niet is beoogd de rechten van natuurlijke personen op bescherming van hun persoonsgegevens (ten opzichte van de Wbp) te beperken, gelden de hiervoor vermelde uitgangspunten ook voor de verwerking van persoonsgegevens krachtens de AVG.

4.10

Een gegevensverwerking die in strijd komt met de hiervoor vermelde beginselen en waarbij de belangen van de betrokkene zwaarder dienen te wegen dan het met de verwerking te dienen belang, moet daarom als onrechtmatig worden aangemerkt. Het gaat bij die belangenafweging om een toetsing van het doel van de registraties van coderingen aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. In het kader van die toetsing wordt het belang van de betrokkene bij de verwijdering van de coderingen afgewogen tegen het achterliggende belang van de (handhaving) van de coderingen.

Belangenafweging in dit geval
4.11 Het hof stelt voorop dat namens [verzoekers] c.s. bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep is aangevoerd dat zij weliswaar hinder ondervinden van de registratie, maar dat bij hen geen sprake is van een schrijnende situatie ten gevolge van de registratie5. Indien de registratie in het CKI (ook) gebaseerd kan worden op artikel 6 lid 1 onder c AGV valt een belangenafweging volgens [verzoekers] c.s. per definitie in hun nadeel uit, tenzij sprake is van een schrijnende situatie6. Wat daar ook van zij, en daargelaten of [verzoekers] c.s. daarmee hun bezwaren tegen het resultaat van de door de rechtbank gemaakte belangenafweging hebben ingetrokken, is het hof van oordeel dat de belangen van [verzoekers] c.s. bij de verwijdering van de codering niet zwaarder wegen dan het belang van Rabobank bij (handhaving van) de registratie van de coderingen. Daarbij is het volgende van belang.

4.12

Aanbieders van kredieten mogen geen krediet verlenen aan consumenten indien dat vanwege overkreditering onverantwoord is (vgl. artikel 4:34 lid 2 Wft). De informatie in het CKI biedt de kredietverlener informatie om het risico van overfinanciering en het ontstaan (of verergeren) van onverantwoorde schuldsituaties te kunnen inschatten. In het verlengde daarvan levert BKR voor haar zakelijk aangeslotenen een bijdrage aan het beperken van de financiële risico’s bij kredietverlening door deze kredietverstrekkers te informeren over relevante bijzonderheden die zich in het recente verleden hebben voorgedaan. Betalingsachterstanden of andere onregelmatigheden die ontstaan tijdens de looptijd van een krediet worden daartoe in het CKI weergegeven met een bijzonderheidscode. Als de vordering is voldaan, wordt bij het contract een einddatum genoteerd en gaat een termijn van vijf jaar lopen, waarna de bijzonderheidscode wordt verwijderd.

4.13

Gelet op deze doelstelling van het systeem van het CKI, is de registratie van de bijzonderheidscodes betreffende [verzoekers] c.s. dan ook in beginsel proportioneel. [verzoekers] c.s. hebben in het verleden immers (forse) schulden gehad. De registratie is in beginsel ook in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel, aangezien er voor kredietverstrekkers geen ander middel bestaat om kennis te nemen van het financiële verleden van [verzoekers] c.s. dan door raadpleging van het CKI.

4.14

Gelet op deze doelstelling van het systeem van het CKI is het belang bij continuering van de BKR-registraties in beginsel ook gegeven. Het verwijderen of aanpassen van de BKR-registraties zou immers een onjuiste weergave in het CKI van het betalingsverkeer van [verzoekers] c.s. en de geschiedenis daarvan opleveren en daarmee het doel van BKR ondermijnen.

4.15

Hiervoor is driemaal de woorden “in beginsel” gebruikt. [verzoekers] c.s. hebben aangevoerd dat het risico van overkreditering en het ontstaan van problematische schulden, en daarmee ook het bestaan van een kredietrisico bij hen in hoge mate abstract is. Zij hebben erop gewezen dat zij geheel buiten hun schuld - als gevolg van het onverwachte ontslag van [verzoeker] en de daaropvolgende langdurige werkloosheid - in een situatie zijn beland waarin zij hun schulden niet meer konden aflossen. In dat verband hebben zij er ook op gewezen dat de volgens hen weinig welwillende houding van Aegon ertoe heeft geleid dat hun woning met een forse restschuld is verkocht. Het is uiterst onwaarschijnlijk dat die situatie zich zal herhalen. Zij hebben op dit moment een goed en stabiel inkomen en geen schulden, aldus [verzoekers] c.s.

4.16

Het hof volgt [verzoekers] c.s. niet in dit betoog. Uit wat hiervoor is vastgesteld over het inkomen van [verzoekers] c.s. in de periode dat (onder meer) de schuld bij Rabobank is ontstaan, volgt dat [verzoekers] c.s., ondanks het toen bepaald riante inkomen van [verzoeker] , forse schulden zijn aangegaan en geen (substantiële) reserves hadden opgebouwd. Een goed inkomen heeft hen toen kennelijk niet behoed voor het ontstaan van een penibele financiële situatie en die situatie is ook niet (en zeker niet geheel) buiten hun toedoen ontstaan. Onder die omstandigheden is het risico op overkreditering en het ontstaan van problematische schulden bij [verzoekers] c.s. bij een goed inkomen niet slechts een abstractie, maar een risico dat zich in het verleden heeft gerealiseerd en daarmee een voldoende concreet risico.

4.17

Bovendien hebben [verzoekers] c.s. onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij alles hebben gedaan wat in hun vermogen lag om hun schulden te voldoen. Uit de gang van zaken rond de schuldregeling volgt dat [verzoeker] kort nadat de schuldregeling definitief werd, met vroegpensioen is gegaan en toen een inkomen ontving dat aanzienlijk hoger is dan het inkomen op (samengevat) bijstandsniveau waarvan in de schuldregeling werd uitgegaan. Het hof vindt de verklaring van [verzoekers] c.s. voor deze, op het eerste gezicht merkwaardige, samenloop van omstandigheden niet bevredigend. [verzoeker] stelt dat hij door Aegon op het idee is gebracht met vroegpensioen te gaan. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom hij toen hem duidelijk werd dat hij met vroegpensioen zou gaan het aanbod aan zijn schuldeisers, waaronder Rabobank, niet heeft herzien. In dit verband is van belang dat [verzoekers] c.s. een deel van het bedrag waarmee de schuldeisers werden voldaan geleend hebben van hun zoon (en dus niet geschonken hebben gekregen) en dat zij de schuld aan hem (wèl) voor meer dan de helft hebben terugbetaald.
4.18 Gelet op wat hiervoor is overwogen is het belang bij continuering van de kredietregistraties over [verzoekers] c.s. gegeven. Het verwijderen of aanpassen van deze registraties zou een onjuiste weergave in het CKI van de kredietverlening en de afwikkeling daarvan opleveren en daarmee het (toekomstgerichte) doel van de registratie ondermijnen.

4.19

Tegen dit belang weegt het belang van [verzoekers] c.s. niet op. De registratie leidt, zoals namens [verzoekers] c.s. ook al is aangevoerd, voor hen niet tot een schrijnende situatie. [verzoekers] c.s. hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij hun wens om een woning te kopen door de registratie niet kunnen realiseren en dat het voor hen ook lastig is om een woning in de vrije sector te huren. Daar staat tegenover dat [verzoekers] c.s. op dit moment een woning huren. Dat die woning niet geheel aansluit bij hun wensen zal zo zijn, maar daar staat tegenover dat de huur van de woning relatief gering is. De huurovereenkomst eindigt op 8 juni 2023. Op dat moment is de registratietermijn nog niet geëindigd, maar Rabobank heeft aangegeven, en bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep herhaald, dat indien tegen het einde van de huurperiode mocht blijken dat de registratie [verzoekers] c.s. dan nog belemmert in het vinden van andere woonruimte, zij een verzoek om het beëindigen van de registratie in welwillende overweging zal nemen.

4.20

Het hof volgt [verzoekers] c.s. niet in het betoog dat door de wijze waarop de kredietregistratie wordt gehanteerd het stelsel van kredietregistratie - naar het hof begrijpt: bij [verzoekers] c.s. - een punitief karakter krijgt. Het kan zo zijn dat [verzoekers] c.s. zich door de registratie gestraft voelen. Het hof zal dat gevoel ook niet kunnen wegnemen. Uit wat het hof hiervoor heeft overwogen, blijkt dat de registratie niet bedoeld is om [verzoekers] c.s. te straffen, maar om hen te beschermen tegen overkreditering en, in het verlengde daarvan, eventuele kredietverleners tegen het risico dat zij daardoor lopen.
Beslissing op grond van artikel 34 UAVG
4.21 Volgens [verzoekers] c.s. voldoet de reactie van Rabobank op het namens [verzoekers] c.s. gedane verzoek (vgl. rov. 3.13) niet aan de maatstaven van de AVG. [verzoekers] c.s. verwijzen in dat verband naar de artikelen 34 en 35 UAVG. Het hof volgt [verzoekers] c.s. daarin niet.

4.22

Het verzoek is allereerst gebaseerd op het in artikel 16 AVG vastgelegde rectificatierecht. [verzoekers] c.s. hebben in het genoemde verzoek niet duidelijk gemaakt dat de over hen geregistreerde gegevens onjuist zijn. In punt 3 van hun beroepschrift hebben ze uitdrukkelijk gesteld dat “de juistheid van de geplaatste codering überhaupt niet ter discussie staat.” Zoals hiervoor is overwogen, zijn het recht op gegevenswissing (artikel 17 AVG) en het recht van bezwaar (artikel 21 AVG) gezien de grondslag van de gegevensverwerking niet aan de orde. Dat betekent dat Rabobank kon volstaan met een belangenafweging. Die belangenafweging heeft Rabobank ook gemaakt, zoals uit haar reactie van 1 oktober 2019 op het verzoek blijkt. Het hof volgt [verzoekers] c.s. niet in het betoog dat de belangenafweging niet is gebaseerd op een feitenonderzoek. Uit de brief blijkt dat Rabobank onder meer onderzoek heeft gedaan naar het ontstaan van de schulden en naar het door [verzoekers] c.s. gestelde woonbelang.

4.23

De conclusie is dat de afwijzing door de Rabobank van het namens [verzoekers] c.s. gedane verzoek zowel wat betreft de inhoud als wat betreft de motivering de toets van de kritiek kan doorstaan.

Prejudiciële vragen
4.24 [verzoekers] c.s. hebben het hof verzocht om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad. Rabobank heeft zich tegen het stellen van prejudiciële vragen verzet. Het hof zal geen prejudiciële vragen stellen. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat het hof de rechtsvragen die van belang zijn voor de beslissing van het geschil tussen partijen al heeft beantwoord (grotendeels onder verwijzing naar eerdere uitspraken van dit hof en van het hof Den Bosch). Het staat [verzoekers] c.s. uiteraard vrij om tegen de beslissing van het hof in cassatie te gaan. Anders dan volgens [verzoekers] c.s. in vergelijkbare geschillen over kredietregistraties het geval is, eindigt de kredietregistratie van [verzoekers] c.s. over meer dan twee jaar na deze beschikking. [verzoekers] c.s. hebben dan ook, anders dan volgens hen vaak in vergelijkbare geschillen het geval is, belang bij het instellen van beroep in cassatie.
Provisionele voorziening
4.25 Omdat het hof geen prejudiciële vragen zal stellen en meteen een eindbeschikking zal geven, hebben [verzoekers] c.s. geen belang bij het verzochte provisionele verzoek. Het hof zal dat verzoek dan ook afwijzen.
Conclusie en proceskostenveroordeling
4.26 De grieven van [verzoekers] c.s. falen. Het verzoek van [verzoekers] c.s. is ook in hoger beroep niet toewijsbaar. De beschikking van de rechtbank kan dan ook bekrachtigd worden.

4.27

Het hof zal [verzoekers] c.s. veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep (geliquideerd salaris van de advocaat: 2 punten, tarief II – het hof zal geen aparte vergoeding toekennen voor het provisionele verzoek omdat niet aannemelijk is dat voor het verweer tegen dat verzoek extra kosten zijn gemaakt).

4.28

Het hof merkt op dat het, anders dan het hof Den Bosch in de meergenoemde beschikking ambtshalve heeft overwogen en beslist, geen reden ziet om een proceskostenveroordeling achterwege te laten. Het hof Den Bosch verwijst in dit verband naar de uitspraak van het Europese Hof van Justitie (HvJ EU) van 27 september 2017 (Puškár)7. In die uitspraak overwoog het HvJ EU onder meer:
Gelet op al het voorgaande moet op de eerste prejudiciële vraag worden geantwoord dat

artikel 47 van het Handvest aldus moet worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan

nationale wettelijke bepalingen op grond waarvan een persoon die beweert dat zijn door richtlijn 95/46 gewaarborgde recht op bescherming van persoonsgegevens is geschonden, pas beroep in rechte kan instellen nadat hij eerst de beschikbare administratieve beroepswegen heeft uitgeput, mits de wijze waarop in concreto over die beroepswegen kan worden beschikt, het in die bepaling bedoelde recht op een doeltreffende voorziening in rechte niet onevenredig aantast. In het bijzonder mag voorafgaande uitputting van de beschikbare administratieve beroepswegen de instelling van beroep in rechte niet in aanzienlijke mate vertragen, moet de verjaring van de betrokken rechten erdoor worden geschorst en mogen er geen buitensporig hoge kosten aan verbonden zijn.”

4.29

Uit overweging 9 van de preambule bij de AVG volgt dat de doelstellingen en beginselen van de Richtlijn 95/46/EU, de voorganger van de AVG, overeind blijven. De Puškár-uitspraak van het HvJ EU is dan ook van belang onder de toepasselijkheid van de AVG, ook omdat het HvJ EU zijn beslissing baseert op artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) in relatie tot artikel 22 van Richtlijn 95/46/EU. Laatstgenoemde bepaling is vervangen door artikel 79 lid 1 AVG, waarvan de inhoud - hoewel de formulering wat verschilt - overeenkomt met artikel 22 van Richtlijn 95/46/EG. Op grond van artikel 79 AVG heeft de betrokkene het recht een doeltreffende voorziening in rechte in te stellen indien hij van mening is dat zijn rechten op grond van de AVG zijn geschonden.

4.30

Volgens het HvJ EU in Puškár mogen geen buitensporige kosten worden verbonden aan een administratieve beroepsgang, die voorafgaat aan een procedure bij de rechter. Het HvJ EU heeft zich in deze uitspraak niet uitgesproken over een proceskostenveroordeling in een civiele procedure tussen een betrokkene en een particuliere verwerker. De laatste kan een grote instelling zijn zoals, in dit geval, een bank. Maar het kan ook een kleine winkelier met een klantenbestand zijn, een non-profit-instelling of de plaatselijke sportvereniging. Hooguit kan uit deze uitspraak worden afgeleid dat ook een civiele procedure geen buitensporige kosten voor de betrokkene met zich mag meebrengen.

4.31

Het is in civiele procedures gebruikelijk om het bedrag van de proceskosten vast te stellen op basis van het liquidatietarief. In zaken als deze zal daarbij, zoals het hof ook doet, vrijwel altijd worden uitgegaan van tarief II (op basis van een vordering of verzoek van onbepaalde waarde). Onder deze omstandigheden, waarin het HvJ EU het in rekening brengen van kosten (in een administratieve rechtsgang) niet ontoelaatbaar acht, mits geen sprake is van buitensporige kosten, ziet het hof geen reden om in gerechtelijke procedures af te wijken van het gebruikelijke systeem van proceskostenveroordelingen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat niet alleen de betrokkene maar ook de particuliere verwerker - niet per sé een kapitaalkrachtige entiteit - kosten moet maken voor het voeren van een procedure. Het risico op deze (gematigde) proceskostenveroordeling staat naar het oordeel van het hof niet in de weg aan het door artikel 79 AVG gewaarborgde recht op een doeltreffende voorziening in rechte.

5
5 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 19 februari 2020;

wijst het verzoek tot het treffen van een provisionele voorziening af;

veroordeelt [verzoekers] c.s. in de proceskosten van het hoger beroep en begroot deze kosten, voor zover tot nu toe aan de zijde van Rabobank gevallen, op € 760,- aan verschotten en op € 2.148,- voor geliquideerd salaris van de advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.


Deze beschikking is gegeven door mrs. H. de Hek, S.B. Boorsma en W.F. Boele en is in het openbaar uitgesproken op 17 december 2020 door de rolraadsheer, in aanwezigheid van de griffier.

1 Hof Arnhem-Leeuwarden 3 december 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:10345.

2 Hof Den Bosch 6 augustus 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:2536.

3 Hof Den Haag 8 september 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1569.

4 ECLI:NL:HR:2011:BQ8097 (Santander).

5 Pleitnotitie mr. K.J. Zomer nr. 11.

6 Pleitnotitie mr. K.J. Zomer nr. 10.

7 HvJ EU 27 september 2017, ECLI:EU:C:2017:725.