Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:10559

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-12-2020
Datum publicatie
17-12-2020
Zaaknummer
21-003404-20
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2020:4767, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wildplassen, beroep op buiten beschouwing laten van APV verworpen. Beroep op afwezigheid van alle schuld verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003404-20

Uitspraak d.d.: 17 december 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de militaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de militaire kantonrechter Gelderland van 17 september 2020 met parketnummer 96-135250-19 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1970,

wonende te [woonplaats] ,

majoor,

Staf CLAS.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van de militaire kamer van het hof van 3 december 2020 en,.

De militaire kamer heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing overgelegd. De militaire kamer heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadslieden, mr. G.G.J.A. Knoops en mr. R.S. van Essen, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Bij vonnis van de militaire kantonrechter van 17 september 2020 is verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 140,00, subsidiair 2 dagen hechtenis, met een proeftijd van één jaar.

De militaire kamer zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij, op of omstreeks 3 maart 2019 te 's-Hertogenbosch, op of aan de weg, te weten de Parade, althans op of aan een weg, binnen de bebouwde kom, zijn natuurlijke behoefte heeft gedaan buiten een daarvoor bestemde inrichting of plaats.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Mede gelet op de bekennende verklaring van verdachte dat hij zich op de in de tenlastelegging genoemde tijd en plaats heeft schuldig gemaakt aan wildplassen, acht de militaire kamer door wettige bewijsmiddelen - zoals die later eventueel in een aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt - wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij, op of omstreeks 3 maart 2019 te 's-Hertogenbosch, op of aan de weg, te weten de Parade, althans op of aan een weg, binnen de bebouwde kom, zijn natuurlijke behoefte heeft gedaan buiten een daarvoor bestemde inrichting of plaats.

De militaire kamer acht niet bewezen wat verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat verdacht daarvan zal worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente ’s-Hertogenbosch in het onderhavige geval buiten werking moet worden gelaten waardoor het bewezenverklaarde niet strafbaar is. De verdediging heeft daarbij expliciet aangegeven dat het verweer niet strekt tot het onverbindend verklaren van de APV.

Ter onderbouwing is, kort gezegd, aangevoerd (a) dat verdachte urologische problemen heeft en daarom zijn plas niet lang kan ophouden, (b) dat er op 3 maart 2019 te weinig toiletten waren gelet op het aantal bezoekers in Den Bosch en (c) dat er sprake was van de voor verdachte onvoorziene omstandigheid dat de Korte Putstraat was afgesloten. Voor wat betreft het onder (b) gestelde heeft de verdediging ter onderbouwing verwezen naar een door [naam] opgemaakt rapport “De sanitaire voorzieningen in Oeteldonk op 3 maart 2019” van 11 juni 2019, op grond waarvan zij concludeert dat de gemeente ’s-Hertogenbosch niet heeft voldaan aan haar zorgplicht.

Volgens de verdediging moet de combinatie van deze factoren leiden tot het buiten beschouwing laten van de APV-bepaling, te meer omdat het vervolgens handhavend optreden een willekeurig vervolgings (strafbeschikkings) beleid oplevert.

De militaire kamer acht aannemelijk geworden dat verdachte als gevolg van urologische problemen vaker dan gemiddeld moet plassen. De militaire kamer kan evenwel niet vaststellen dat de gemeente ’s-Hertogenbosch haar zorgplicht niet is nagekomen doordat niet zou zijn gezorgd voor voldoende sanitaire voorzieningen in de stad. Ook op basis van het rapport van [naam] kan de militaire kamer dat -gelet op de vele onzekerheden en de vele aannames in dat rapport waardoor de conclusies daarin onvoldoende zijn onderbouwd- niet vaststellen. De militaire kamer acht hierbij nog van belang op te merken dat naar zijn oordeel van de gemeente in redelijkheid ook niet kan worden verwacht dat zij er voor zorgt dat er tijdens de carnavalsviering zó veel toiletten zijn dat ook iemand met een urologisch probleem, nooit (lang) hoeft te wachten.

De omstandigheid dat de Korte Putstraat op 3 maart 2019 was afgesloten toen verdachte daar naar het toilet wilde gaan, rechtvaardigt ook niet het buiten beschouwing laten van de APV, ook niet in combinatie met de urologische problemen van verdachte, omdat dit een omstandigheid is waarmee verdachte in verband met de grote drukte tijdens carnaval rekening moest houden. Dat straten om veiligheidsredenen – tijdelijk – worden afgesloten als het te druk is, is namelijk niet ongebruikelijk en niet onredelijk.

Het verweer dat sprake zou zijn van een willekeurig vervolgingsbeleid als handhavend wordt opgetreden terwijl sprake is van een chronisch tekort aan sanitaire voorzieningen tijdens een drukke carnavalsavond behoeft geen verdere bespreking, alleen al omdat de militaire kamer, zoals hiervoor al is overwogen, van oordeel is dat niet is komen vast te staan dat sprake was van een chronisch tekort aan sanitaire voorzieningen.

Op basis van het bovenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, wordt het verweer strekkende tot het buiten beschouwing laten van de APV dan ook verworpen.

Het bewezenverklaarde levert op het strafbare feit:


Overtreding van artikel 4:5 van de Algemene Plaatselijke Verordening
’s-Hertogenbosch.

Strafbaarheid van de verdachte

De vraag die de militaire kamer vervolgens heeft te beantwoorden, is of er sprake is van een strafbare dader.

De verdediging stelt dat dat niet geval is omdat verdachte een beroep toekomt op afwezigheid van alle schuld (AVAS).

Zoals hiervoor reeds is overwogen, acht de militaire kamer het aannemelijk dat verdachte urologische klachten heeft en dat hij daardoor vaker dan gemiddeld moet plassen. Dat dit nog wordt verergerd als verdachte meerdere glazen alcohol heeft gedronken, acht de militaire kamer eveneens aannemelijk. Maar de militaire kamer is van oordeel dat dit omstandigheden zijn waarmee verdachte rekening diende te houden. Dat verdachte, zoals is vereist voor een geslaagd beroep op AVAS, geen enkele schuld treft, kan reeds om die reden niet worden geconcludeerd: het is immers verdachte zelf die er voor kiest gedurende de avond meerdere (naar eigen zeggen: veel) glazen bier te drinken.


Nu, zoals hiervoor reeds is overwogen, de militaire kamer ook van oordeel is dat niet is komen vast te staan dat er onvoldoende sanitaire voorzieningen aanwezig waren en ook dat de omstandigheid dat de Korte Putstraat was afgesloten iets is waarmee verdachte gelet op alle omstandigheden rekening diende te houden, kan niet worden geconcludeerd dat bij verdachte alle schuld ontbrak.


Ook dit verweer wordt derhalve verworpen.

Het door de verdediging gedane beroep op het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap en op de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (Wgbh/cz) behoeft in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen geen verdere bespreking. Naar het oordeel van de militaire kamer is immers niet komen vast te staan dat er onvoldoende toiletten waren, ook niet voor mensen met een aandoening als waaraan verdachte lijdt.

Verdachte is strafbaar, aangezien ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De militaire kantonrechter heeft verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 140,00, subsidiair 2 dagen hechtenis, met een proeftijd van één jaar.

De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een geldboete van

€ 120,00 subsidiair 2 dagen hechtenis.

Door de verdediging is aangevoerd dat de bij de aanhouding van verdachte betrokken verbalisanten zich niet hebben gehouden aan de algemene uitgangspunten in het kader van politieoptreden en dat zij disproportioneel geweld hebben toegepast in strijd met de Regeling Toetsing Geweldsbeheersing Politie (RTGP), de Ambtsinstructie en de Politiewet, waardoor verdachte letsel heeft opgelopen aan zijn linkerhand. Ook heeft de verdediging verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de valse berichtgeving omtrent het vermeende drugsgebruik van verdachte, alsmede met de schorsing door en het negatieve ambtsbericht van zijn werkgever.

Naar het oordeel van de militaire kamer is de hierna te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan wildplassen. Dat is een ergerlijke overtreding waarmee voor overlast wordt gezorgd. Verdachte is daarvoor een strafbeschikking opgelegd van € 140,- en de militaire kamer ziet zich gesteld voor de vraag of er reden is om af te wijken van deze straf. Mede in het licht van wat er door de verdediging naar voren is gebracht overweegt de militaire kamer daarover als volgt.

Verdachte heeft reeds bij zijn eerste verhoor geklaagd over pijn aan zijn pols. De militaire kamer kan evenwel niet vaststellen dat dit het gevolg is van onrechtmatigheden ten tijde van het onderzoek, zoals de verdediging heeft aangevoerd.

Op de beelden tot aan het moment van de kopstoot door verdachte, is niets onrechtmatigs te zien, ook niet aan de wijze waarop de handboeien bij verdachte zijn aangebracht. De verbalisanten verklaren dat de handboeien op de gebruikelijke wijze zijn aangelegd en gelockt en de militaire kamer heeft geen reden om daar aan te twijfelen. Daarbij komt dat uit de beelden tot dat moment geenszins blijkt dat verdachte (ergens) pijn heeft die verklaard zou kunnen worden door het later geconstateerde letsel.

De militaire kamer concludeert dan ook dat verdachte weliswaar op enig moment letsel heeft bekomen, maar dat niet is gebleken dat dit het gevolg is van excessief politiegeweld of anderszins onrechtmatig optreden van de politie. Ook de door de verdediging in het geding gebrachte rapporten geven daar geen uitsluitsel over. Dat er sprake is geweest van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek is dan ook niet gebleken.

Ondanks het feit dat de oorzaak daarvan niet kan worden vastgesteld zal de militaire kamer bij de bepaling van de strafmaat wel rekening houden met de omstandigheid dat verdachte letsel heeft opgelopen. De militaire kamer houdt ook rekening met de gevolgen die deze zaak heeft gehad voor de baan van verdachte.

Dat er door de politie onjuiste informatie over drugsgebruik door verdachte zou zijn gelekt naar de pers is niet gebleken. Daarmee zal bij de strafoplegging dan ook geen rekening worden gehouden.


De militaire kamer zal er bij de bepaling van de strafmaat evenmin rekening mee houden dat de zaak in de publiciteit is geweest. Naar het oordeel van militaire kamer is dat geen omstandigheid die aan justitie te wijten is, maar een gevolg van het gedrag van verdachte, waar hij als publiek figuur rekening mee had moeten houden toen hij zich schuldig maakte aan het bewezenverklaarde. De daarop volgende publiciteit is inherent aan het plegen van strafbare feiten door iemand met een bekendheid als verdachte.

Wel zal ook rekening worden gehouden met de omstandigheid dat bij verdachte inmiddels PTSS is gediagnosticeerd en dat hij daarvoor in behandeling is.

Alles overwegende is de militaire kamer van oordeel dat oplegging van de door de advocaat-generaal gevorderde geldboete van € 120,- recht doet aan alle genoemde omstandigheden. Het opleggen van een geheel voorwaardelijke geldboete zoals in eerste aanleg aan verdachte is opgelegd, doet, ook bezien in het licht van de persoonlijke omstandigheden van verdachte, onvoldoende recht aan het bewezenverklaarde.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De militaire kamer heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 4:5 en 6:1 van de Algemene Plaatselijke Verordening ‘s-Hertogenbosch.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

De militaire kamer van het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Vernietigt de uitgevaardigde strafbeschikking.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 120,00 (honderdtwintig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 (twee) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. R.H. Koning, voorzitter,

mr. A. van Maanen, lid, en brigade-generaal (tit.) mr. A.J. de Haan, militair lid,

in tegenwoordigheid van J.R.M. Roetgerink, griffier,

en op 17 december 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.