Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:10555

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-12-2020
Datum publicatie
11-01-2021
Zaaknummer
200.264.804 e.v.
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bestuurlijke boetes voor 'wildplakken'. Uit het dossier blijkt onvoldoende dat eiseres verantwoordelijk is voor het illegaal aanplakken van de affiches. Volgt vernietiging van de boetebeschikkingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Gemw 200.264.804, 200.264.805 en 200.264.807/01

Uitspraak d.d.

: 10 december 2020

Arrest op het hoger beroep tegen de beslissingen van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 4 juli 2019, betreffende

Stichting [eiseres] (hierna: eiseres),

gevestigd te [A] .

De gemachtigde van eiseres is mr. T.J.J. Bodewes, thans mr. A.A. Westers, advocaat te Groningen.

De beslissingen van de kantonrechter

De kantonrechter heeft de beroepen van eiseres ongegrond verklaard. Die beroepen waren ingesteld tegen de beslissingen op de bezwaarschriften van het college van burgemeester en wethouders in de gemeente Amsterdam (hierna te noemen: verweerder) naar aanleiding van de oplegging van drie bestuurlijke boetes op grond van artikel 154b van de Gemeentewet met kenmerken 880960/47215809, 880960/47215801 en 880960/47215803.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van eiseres heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissingen van de kantonrechter.
Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van eiseres heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.

Verweerder heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan eiseres zijn drie bestuurlijke boetes ad € 700,- opgelegd voor overtredingen van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Amsterdam (APV 2008), respectievelijk:
- 880960/47215809: een overtreding van artikel 4.11, eerste lid, APV 2008, die zou zijn verricht op 25 augustus 2018 op de Ms. van Riemsdijkweg in Amsterdam;

- 880960/47215801: een overtreding van artikel 4.7, eerste lid, APV 2008, die zou zijn verricht op 27 augustus 2018 op de Meeuwenlaan in Amsterdam;

- 880960/47215803: een overtreding van artikel 4.7, eerste lid, APV 2008, die zou zijn verricht op 30 augustus 2018 op de Bundlaan in Amsterdam.

2. Artikel 4.7, eerste lid, van de APV 2008 luidt, voor zover hier van belang:

Het is verboden op de weg of op een zaak:

a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding op welke wijze dan ook aan te brengen of aan te laten brengen.

3. Artikel 4.11, eerste lid, van de APV 2008 luidt, voor zover hier van belang:

Het is verboden met een bord, doek of met enig ander middel of voorwerp of met een voertuig of vaartuig, uitsluitend of hoofdzakelijk gebruikt of bestemd voor het maken van reclame, op of aan de weg of het openbaar water reclame te maken.

4. Buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) [B] , die in dienst is van verweerder, heeft een drietal brondocumenten opgesteld waarin hij, samengevat, verklaart dat hij onder meer het volgende heeft waargenomen:
- op 25 augustus 2018 acht sandwichborden op lantaarnpalen op de Ms. Van Riemsdijkweg, waarop het evenement Future Urban Legends (FUL) op 20 oktober 2018 in Afas Live wordt aangekondigd;

- op 27 augustus 2018 twee posters op afvalcontainers op de Meeuwenlaan, waarop hetzelfde evenement wordt aangekondigd;

- op 30 augustus 2018 twee posters op een kast op de Bundlaan, waarop het evenement Defected Amsterdam in Stadspodium Amsterdam op 19 oktober 2018 wordt aangekondigd.
Van al zijn waarnemingen heeft de boa foto’s gemaakt die in bijlage bij de brondocumenten zijn gevoegd en deel uitmaken van de dossiers.

5. Deze waarnemingen worden niet betwist. De vraag die hier moet worden beantwoord is of eiseres terecht als overtreder is aangemerkt.

6. De boa heeft e-mailcorrespondentie bijgevoegd. Stadspodium Amsterdam laat in één van de e-mails weten dat festival FUL en Defected Amsterdam door haar werden georganiseerd. Amsterdam Dance Event (ADE), wiens logo op alle posters zichtbaar is, deelt mee dat [C] van [D] de contactpersoon is voor de beide festivals. De boa heeft verder verklaard dat ADE hem telefonisch heeft meegedeeld dat beide evenementen door [C] van Stichting [eiseres] zijn georganiseerd.

7. Het dossier bevat een aantal uittreksels uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Onder meer blijkt daaruit dat de enige bestuurder van [E] BV [F] BV is, dat de enige bestuurder daarvan [G] BV is, en dat [C] bestuurder is van [G] BV en van Stichting [eiseres] (eiseres). Activiteit van deze stichting is het ontplooien van sociaal culturele activiteiten voor jongeren. Uit een ander uittreksel blijkt dat [G] BV bestuurder en enig aandeelhouder is van [H] BV. De handelsnaam van deze BV is [I] . Activiteit van deze rechtspersoon is het ontwikkelen en uitvoeren van reclamecampagnes. Het dossier bevat verder een screenshot van de website van Stadspodium Amsterdam waarop onder ‘bedrijfsgegevens’ staat vermeld: Stichting [eiseres] , [a-straat 1] , [A] . Uit andere screenshots blijkt dat [H] BV zich profileert met het logo ADE en dat het zich onder meer bezighoudt met wildplakcampagnes voor evenementen.

8. De bestuurlijke boetes zijn aan eiseres opgelegd omdat voormelde reclame-uitingen volgens verweerder door of namens haar zijn aangebracht. Eiseres betwist dit. Zij stelt dat de evenementen niet door haar zijn georganiseerd. Ook al zou dit anders zijn, dan nog zijn er verschillende andere organisaties die belang hebben bij de reclame-uitingen. Eiseres heeft in ieder geval geen opdracht gegeven tot het aanbrengen daarvan. Stadspodium Amsterdam is een festivallocatie die door eiseres aan derden wordt verhuurd ten behoeve van evenementen. Eiseres is niet aan Afas Live gelieerd, zodat het festival op die locatie niet met haar in verband kan worden gebracht. Namens eiseres wordt verder gewezen op het ontbreken van een op ambtseed of -belofte opgemaakt brondocument. Daarnaast stelt eiseres dat de door [C] afgelegde verklaring niet voor het bewijs mag worden gebruikt, nu voorafgaand aan dat gesprek niet de cautie is gegeven. Bovendien betwist eiseres dat [C] de verklaring heeft afgelegd die door de boa is weergegeven. Tot slot wordt door eiseres het standpunt ingenomen dat de in hoger beroep voor het eerst door verweerder ingebrachte aanvullende informatie buiten beschouwing moet blijven.

9. Het hof overweegt als volgt.

10. Voor de vaststelling dat eiseres als overtreder kan worden aangemerkt , is niet noodzakelijk dat een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal voorhanden is. Deze vaststelling kan ook op andere, niet ambtsedige stukken worden gebaseerd. Het verweer op dit punt wordt verworpen. Overigens heeft verweerder in hoger beroep alsnog een door de boa ondertekend brondocument overgelegd.

11. De stelling van eiseres dat in hoger beroep voor het eerst ingebrachte informatie niet bij de beoordeling van het beroep mag worden betrokken, vindt geen steun in het recht. Partijen mogen in procedures als deze in iedere fase van het geding aanvullende argumenten en stukken inbrengen, zolang dit niet in strijd is met de beginselen van behoorlijke procesorde. Dat laatste is hier niet het geval, nu eiseres in de gelegenheid is geweest op de nadere stukken te reageren en dat ook heeft gedaan. Ook dit verweer wordt daarom verworpen.

12. Ingevolge artikel 5:1, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen overtredingen worden begaan door natuurlijke personen en door rechtspersonen. Artikel 51, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing.

13. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht volgt dat een rechtspersoon als dader van een strafbaar feit kan worden aangemerkt als de betreffende gedraging redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. Het antwoord op de vraag wanneer een (verboden) gedraging redelijkerwijs aan een rechtspersoon kan worden toegerekend is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Een belangrijk oriëntatiepunt daarbij is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. De Hoge Raad noemt in overweging 3.4 van zijn arrest van 21 oktober 2003, gepubliceerd op rechtspraak.nl ECLI:NL:HR:2003:AF7938, een aantal omstandigheden die van belang zijn voor de vaststelling of sprake is van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon.

14. Het hof stelt vast dat zowel Stadspodium Amsterdam (per e-mail) als Amsterdam Dance Event (telefonisch) hebben bevestigd dat de organisatie van beide evenementen in handen was van [E] dan wel van [C] in persoon. Het hof stelt verder vast dat [C] langs een keten van diverse ingeschreven vennootschappen en een stichting bestuurder is van zowel [E] als eiseres en dat [E] zich publiekelijk uitgeeft als onderdeel eiseres. Tot slot stelt het hof vast dat, zoals door de gemachtigde is gesteld, [C] de evenementenlocatie Afas Live exploiteert. Eiseres heeft, anders dan een enkele, niet-onderbouwde betwisting dat zij de evenementen heeft georganiseerd, niets tegenover dit alles gesteld. Aan de hand van deze gegevens, die alle uit het dossier blijken, heeft verweerder genoegzaam aannemelijk gemaakt dat de evenementen FUL en Defected Amsterdam door eiseres zijn georganiseerd. Dat brengt mee dat de gedragingen zoals onder overweging 4 omschreven, dienstig zijn geweest in de uitoefening van het door eiseres uitgeoefende bedrijf. Dit betreft een van de omstandigheden waarop de Hoge Raad in zijn arrest het oog heeft.

15. Deze enkele omstandigheid is echter onvoldoende voor de vaststelling dat eiseres terecht als overtreder is aangemerkt.

16. In artikel 5:10a van de Awb is bepaald dat degene die wordt verhoord met het oog op het aan hem opleggen van een bestraffende sanctie, niet verplicht is ten behoeve daarvan verklaringen omtrent de overtreding af te leggen en dat de betrokkene voor het verhoor wordt medegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden. Dat brengt mee dat de vaststelling dat een gedraging als deze is verricht en de vaststelling aan wie de gedraging kan worden toegerekend niet (mede) kan worden gebaseerd op een afgelegde verklaring, wanneer de gehoorde persoon niet voorafgaand aan het afleggen daarvan er op is gewezen dat hij niet verplicht is te antwoorden.

17. In dit verband is in het sjabloon van de brondocumenten onder de tekst: ‘de betrokkene is mededeling gedaan dat hij/zij niet tot antwoorden verplicht is’ telkens: ‘nee’ ingevuld. De boa heeft in een aanvullend proces-verbaal van 31 oktober 2019 verklaard dat hij tijdens het telefoongesprek wel degelijk de cautie heeft gegeven. Verweerder voegt daaraan toe dat de vermelding hierover in de brondocumenten als gevolg van een softwareprobleem dat zich destijds voordeed niet juist is. Verder wijst de boa erop dat voorafgaand aan het gesprek ontbiedingsbrieven zijn toegestuurd op 4 en op 11 september 2018. In deze (correct geadresseerde) brieven, die in het dossiers zijn opgenomen, is er ook op gewezen dat er geen verplichting bestaat om een verklaring af te leggen. Eiseres heeft overigens de ontvangst van deze brieven ontkend.

18. Anders dan namens eiseres wordt betoogd, ziet het hof geen reden om de verklaring van de boa in het aanvullend proces-verbaal van 31 oktober 2019 als ongeloofwaardig terzijde te schuiven. Daarmee staat genoegzaam vast dat de cautie voorafgaand aan het verhoor is gegeven. Het hof ziet evenmin aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de weergave van de afgelegde verklaring in het brondocument. Daarmee is deze verklaring bruikbaar als bewijs.

19. De verklaring van [C] houdt het volgende in:

“Ik heb de medewerker op zijn flikker gegeven. Kunt u mij vertellen waar het wel geplakt mag worden? (Boa:) Aangegeven dat het op de website van gemeente Amsterdam staat waar aanplakbiljetten geplakt mag worden.”

20. De verklaring van [C] kan niet anders worden begrepen dan dat daarmee wordt erkend dat de aanplakbiljetten en sandwichborden in kwestie in zijn opdracht zijn geplaatst. Uit de verklaring blijkt echter niet dat [C] als vertegenwoordiger van eiseres is gehoord en dat hij namens eiseres heeft verklaard. In de ontbiedingsbrief, die is gericht aan [C] , stichting [eiseres] , is evenmin aangegeven dat [C] als vertegenwoordiger van eiseres wordt gehoord. Voor het oordeel dat het niet anders kan zijn dat de verklaring van [C] is afgelegd namens eiseres heeft het hof onvoldoende aanknopingspunten. Daartoe acht het hof van belang dat uit het dossier naar voren komt dat [C] ook betrokken is bij [H] BV. De gedragingen hier aan de orde zijn meer rechtstreeks in verband te brengen met die rechtspersoon dan met eiseres.

21. Het hof komt gelet hierop tot de slotsom dat het dossier onvoldoende grondslag biedt voor de conclusie dat eiseres terecht als overtreder is aangemerkt. Dit brengt mee dat het hof zal beslissen als volgt.

22. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van de gronden in de bezwaarprocedure, het beroepschrift bij de kantonrechter, het verschijnen ter zitting van de kantonrechter, het indienen van het hoger beroepschrift en het indienen van een nadere toelichting dienen in totaal 4,5 procespunten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 525,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Het hof merkt de drie zaken aan als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht zodat met inachtneming van extra wegingsfactor 1 één vergoeding wordt toegekend. Aldus zal het hof verweerder veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1181,25.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissingen van de kantonrechter;

verklaart de beroepen gegrond;

vernietigt de beslissingen van verweerder, alsmede de drie beschikkingen waarbij eiseres onder voormelde kenmerken de bestuurlijke boetes zijn opgelegd;

veroordeelt verweerder tot het vergoeden van de proceskosten van eiseres ter hoogte van € 1181,25.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.