Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:10507

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-12-2020
Datum publicatie
25-12-2020
Zaaknummer
19/00717 t/m 19/00720
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2019:1351, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Resultaat uit overige werkzaamheden. Arbeidsbeloning partner. Kostenaftrek. Uitgaven voor specifieke zorgkosten. Aftrekbare giften. Vermindering forfaitaire proceskostenvergoeding op grond van artikel 2, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 28-12-2020
V-N Vandaag 2020/3264
FutD 2021-0022
FutD 2021-0021
NTFR 2021/268
V-N 2021/11.23.2
NLF 2021/0028 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummers 19/00717 tot en met 19/00720

uitspraakdatum: 15 december 2020

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 28 maart 2019, nummers AWB 18/1575 en 18/1577, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Den Haag (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is over het jaar 2014 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.015. Bij beschikking is € 1.205 aan belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

Aan belanghebbende is over het jaar 2015 een navorderingsaanslag in de IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 51.407. Bij beschikking is € 723 aan belastingrente in rekening gebracht.

1.3.

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de bezwaren tegen de navorderingsaanslagen en de beschikkingen belastingrente ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2020. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is dominee. Belanghebbende is getrouwd met [A] (hierna: de echtgenote).

2.2.

De aangiften IB/PVV 2014 en 2015 zijn door de gemachtigde van belanghebbende (hierna: de gemachtigde) ingediend.

2.3.

Belanghebbende heeft in 2014 € 44.178 aan resultaat uit overige werkzaamheden (hierna: ROW) aangegeven, berekend als volgt:

Traktement Protestantse Kerk in Nederland (PKN) 40.034

Predikbeurten in de lande 1.284

Ambtswoning (64% x 1,5% x € 298.000 =) 2.860

2.4.

De volgende kosten zijn hierop in aftrek gebracht:

- Pensioenpremie

€ 3.984

- Woonbijdrage ambtswoning

€ 4.706

- Reële arbeidsbeloning echtgenote

€ 9.750

- Afschrijving toga

€ 416

- Ambtskleding

€ 374

- Telefoon, mobiel en internet

€ 1.353

- Vakliteratuur en overig

€ 351

- Pastorale reiskosten waarvoor geen vergoeding

€ 933

- Representatiekosten

€ 1.322

- Contributies abonnementen en samenstellen accountantsrapport

€ 628

Totaal kosten

€ 23.817

Daarnaast zijn specifieke zorgkosten ten bedrage van € 508 (na toepassing van de drempel) en giften ten bedrage van € 2.674 (na toepassing van de drempel) in aftrek gebracht.

2.5.

De aanslag IB/PVV 2014 is met dagtekening 20 oktober 2016 conform de aangifte opgelegd.

2.6.

Belanghebbende heeft in 2015 € 49.537 aan ROW aangegeven, berekend als volgt:

Traktement Protestantse Kerk in Nederland (PKN) 44.378

Predikbeurten elders 2.148

Honorarium Gereformeerde Bond 151

Ambtswoning (64% x 1,5% x € 298.000 =) 2.860

2.7.

De volgende kosten zijn hierop in aftrek gebracht:

- Reiskosten predikbeurten elders

€ 643

- Pensioenpremie

€ 3.912

- Woonbijdrage ambtswoning

€ 4.899

- Reële arbeidsbeloning echtgenote

€ 10.150

- Afschrijving toga

€ 416

- Ambtskleding

€ 374

- Telefoon, mobiel en internet

€ 1.254

- Vakliteratuur en overig

€ 351

- Pastorale reiskosten waarvoor geen vergoeding

€ 968

- Representatiekosten

€ 1.346

- Contributies abonnementen en samenstellen accountantsrapport

€ 616

Totaal kosten

€ 24.929

Daarnaast zijn specifieke zorgkosten ten bedrage van € 131 (na toepassing van de drempel) en giften ten bedrage van € 2.675 (na toepassing van de drempel) in aftrek gebracht.

2.8.

De aanslag IB/PVV 2015 is met dagtekening 11 november 2016 conform de aangifte opgelegd.

2.9.

In 2015 heeft een klant van de gemachtigde verklaard dat het opvoeren van uitgaven hem door de gemachtigde was opgedrongen, terwijl er geen bewijsstukken waren voor die uitgaven. Naar aanleiding van deze melding is de Inspecteur in 2016 een onderzoek begonnen naar de gemachtigde. Op 18 augustus 2016 heeft de Inspecteur daarover een memo opgesteld waarin is geconstateerd dat van de handmatig gecontroleerde aangiften die de gemachtigde heeft ingediend 52,3% moest worden gecorrigeerd. Naar aanleiding van deze resultaten heeft een opsporingsambtenaar van de FIOD op 9 november 2016 een onderzoek gedaan naar de persoonsgebonden aftrek in 485 door de gemachtigde ingediende aangiften IB/PVV in de jaren 2012 tot en met 2015. De opsporingsambtenaar heeft op die aangiften de zogenoemde chikwadraattoets toegepast. Voor de rubrieken medicijnen en vervoer in die aangiften heeft de opsporingsambtenaar geconstateerd dat aan de hand van de uitkomst van de chikwadraattoets het sterke vermoeden bestaat dat de getoetste bedragen geen werkelijke bedragen zijn maar dat zij gefingeerd zijn (blz. 52 van het proces-verbaal van het FIOD-onderzoek). Het proces-verbaal van dit onderzoek is op 8 februari 2017 opgemaakt.

2.10.

Bij brieven van 16 maart 2017 heeft de Inspecteur belanghebbende gevraagd om informatie over de opgenomen aftrekposten in de aangiften IB/PVV 2014 en 2015.

2.11.

De gemachtigde heeft bij e-mail van 5 april 2017 aan drs. [B] RA (directeur [C] ; hierna: [B] ) uitstel gevraagd voor het aanleveren van nadere stukken voor een groot aantal klanten, waaronder belanghebbende. Er is uitstel tot 8 mei 2017 verleend.

2.12.

De gemachtigde heeft per e-mail van 3 mei 2017 aan [B] uitstel tot 1 juli 2017 gevraagd.

2.13.

De Inspecteur heeft bij brief van 10 mei 2017 aan de gemachtigde geschreven:

“In de brieven van 16 maart 2017 heeft de Belastingdienst schriftelijk verzocht om bewijsstukken te overleggen voor de aftrekposten In de aangifte van diverse belastingplichtige die u heeft aangegeven.

U heeft; vervolgens meerdere omvangrijke pakketten aan informatie toegestuurd.

Het is niet mogelijk om uit de grote hoeveelheid informatie de relevante bewijsstukken te halen die de aftrekposten onderbouwen. Hierdoor kan de juistheid van de door u In aftrek gebrachte bedragen niet worden beoordeeld.

Om de geclaimde aftrekposten toch te kunnen beoordelen stel ik u nogmaals in de gelegenheid om de juiste stukken aan te leveren. Ik stuur u daarom bijgaand de door u overgelegde stukken terug. Ik verzoek u deze stukken per aftrekpost te ordenen en slechts de relevante bewijsstukken die de aftrekposten Inzichtelijk maken weer aan mij op te sturen.

Wilt u op de bankafschriften en bonnen de bedragen die betrekking hebben op aftrekposten arceren en nummeren. Wilt u vervolgens in een overzicht per nummering aangeven op welke aftrekposten de bedragen betrekking hebben.

Wilt u de overige stukken die u weer naar mij opstuurt, nummeren en vervolgens in een overzicht per nummering aangeven welke aftrekposten u met het bewijsstuk wilt onderbouwen.

Ik verzoek u mij voor 31 mei 2017 de overzichten en de bijbehorende bewijstukken toe te sturen.”

2.14.

De gemachtigde heeft per e-mail van 27 mei 2017 aan de Inspecteur geschreven, voor zover van belang:

”Bij het openen van de van u terugontvangen enveloppen was duidelijk dat de inhoud niet die lange tijd dood voor de kast heeft gelegen.

De stukken die in de eerste envelop die ik behandelde eruit trok bevatte gegevens van diverse cliënten. Er was met de inhoud gekwartet.

Voor een groot deel was het onmogelijk de netjes aan u gezonden bescheiden te rubriceren en op volgorde te leggen.

Het is minder om mij dan te stellen u zorgt dat ik opnieuw de stukken gerubriceerd terug krijg voor 31 mei 2017.

Het lijkt wel of de enveloppen leeggeschud zijn en dat jullie ermee gekwartet hebben.

Ik moet nu alle bescheiden opnieuw vanuit de beschikbare gegevens bij mij scannen en dat lukt niet binnen de door u gestelde tijd.”

2.15.

De Inspecteur heeft bij brief van 14 juli 2017 aan de gemachtigde geschreven dat verder uitstel niet wordt verleend en dat de informatie rechtstreeks bij zijn klanten, waaronder belanghebbende, zal worden opgevraagd.

2.16.

De Inspecteur heeft bij brieven van 24 juli 2017 aan belanghebbende geschreven dat hij tot 31 augustus 2017 nog de mogelijkheid krijgt om de in de brieven van 16 maart 2017 gevraagde informatie toe te sturen.

2.17.

De gemachtigde heeft bij brief van 30 augustus 2017 aan de Inspecteur geschreven, voor zover van belang:

“Op 5 april 2017 werd door mij persoonlijk afgegeven een enveloppe bevattende alle gevraagde gegevens evenals een toelichting daarop. Door mij werd verzocht een ontvangstbevestiging te geven welke ik verkreeg op het voorblad van mij brief bevattende de toelichting werd een stempel geplaatst van de brief werd een kopie gemaakt op briefpapier van de Belastingdienst en op die kopie werd een stempel geplaatst als waarmerk dat de ontvangstbevestiging echt was.

Van meerdere cliënten mocht ik de afgegeven bescheiden retour ontvangen, van deze cliënten niet.”

2.18.

De Inspecteur heeft belanghebbende bij brieven van 18 september 2017 geschreven dat wederom de gevraagde bewijsstukken niet zijn toegestuurd, dat deze ook niet op 5 april 2017 zijn ontvangen en dat daarom navorderingsaanslagen zullen worden opgelegd.

2.19.

Op 14 oktober 2017 heeft de Inspecteur de navorderingsaanslagen IB/PVV 2014 en 2015 opgelegd. De Inspecteur heeft de volgende correcties aangebracht:

- hogere bijtelling voor de ambtswoning;

- geen aftrek van de kosten ROW; en

- geen persoonsgebonden aftrek (specifieke zorgkosten en giften).

2.20.

Belanghebbende heeft tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV 2014 en 2015 op 9 november 2017 bezwaar gemaakt.

2.21.

De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 14 november 2017 verzocht om de bezwaarschriften te motiveren.

2.22.

De Inspecteur heeft belanghebbende bij brieven van 12 december 2017 en 2 januari 2018 eraan herinnerd dat de bezwaarschriften nog moeten worden gemotiveerd. In deze brieven is belanghebbende ook uitdrukkelijk uitgenodigd contact op te nemen.

2.23.

Bij uitspraken op bezwaar van 2 februari 2018 heeft de Inspecteur de bezwaarschriften kennelijk ongegrond verklaard omdat de gevraagde informatie niet is verstrekt.

2.24.

De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of belanghebbende terecht op zijn inkomen in mindering heeft gebracht: de kosten ROW, de specifieke zorgkosten en de giften. Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend; de Inspecteur ontkennend.

3.2.

Na de zitting van het Hof is tussen partijen niet meer in geschil dat:

- de Inspecteur mocht navorderen;

- het inkomen van een andere belastingplichtige niet bij het inkomen van belanghebbende is geteld;

- voor 2014 moet worden uitgegaan van een Traktement PKN van € 42.167;

- voor 2014 en 2015 de bijtelling voor de ambtswoning op een hoger bedrag moet worden vastgesteld; en

- voor 2014 en 2015 belanghebbende in aanmerking komt voor de aftrek van pensioenpremie en woonbijdrage ambtswoning.

3.3.

Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof zijn stellingen over het horen, het ontbreken van een nieuw feit en de bevoegdheid van de Inspecteur ingetrokken.

4 Beoordeling van het geschil

Reële arbeidsbeloning echtgenote

4.1.

De echtgenote heeft ter zitting van het Hof verklaard dat de ambtswoning zeer frequent wordt bezocht door leden van de gemeente. Omdat belanghebbende kantoor aan huis heeft, vinden veel gesprekken en vergaderingen in de ambtswoning plaats. Zij zorgt voor de ontvangst, maakt een praatje en biedt de bezoekers iets te drinken of te eten aan. Verder vergezelt zij belanghebbende bij bijzondere gelegenheden zoals geboortes en huwelijksjubilea, bij zorgelijke situaties zoals ziekte en overlijden en bij bezoeken aan bijvoorbeeld alleenstaande vrouwen. Ook is zij vaak samen met belanghebbende aanwezig bij bijzondere diensten van collega-dominees in de regio (installatie, afscheid etc.). Verder beantwoordt zij de telefoon, zorgt zij voor bloemen en andere geschenken en staat zij belanghebbende bij; niet alleen in emotioneel opzicht maar bijvoorbeeld ook bij het maken van de dienst. Zij schat in dat het hiermee gemoeide tijdsbeslag gemiddeld negen uur per week bedraagt. De Inspecteur heeft daartegen ingebracht dat de gestelde werkzaamheden niet worden onderbouwd met enig bewijs en dat niet duidelijk is welk uurtarief is gehanteerd en of daadwerkelijk betalingen hebben plaatsgevonden.

4.2.

Gelet op de geloofwaardige verklaring van de echtgenote ter zitting van het Hof acht het Hof de gestelde werkzaamheden en het daarmee gemoeide tijdsbeslag aannemelijk. De in verband hiermee in 2014 en 2015 in aftrek gebrachte bedragen van respectievelijk € 9.750 en € 10.150 komen het Hof niet onredelijk voor. Dit brengt het Hof tot de conclusie dat belanghebbende voor 2014 en 2015 recht heeft op de aftrek ‘reële arbeidsbeloning echtgenote’.

Overige kosten ROW

4.3.

Met betrekking tot de overige – in de aangiften IB/PVV 2014 en 2015 vermelde – kosten ROW heeft belanghebbende – op wie de bewijslast rust – naar het oordeel van het Hof, door het overleggen van bankafschriften over de jaren 2014 en 2015 en gelet op zijn verklaring ter zitting van het Hof, aannemelijk gemaakt dat er kosten zijn gemaakt. Het Hof wijst bijvoorbeeld op kosten van vakliteratuur, telefoon, mobiel, internet, contributies en abonnementen. Belanghebbende heeft echter de in de aangiften IB/PVV 2014 en 2015 vermelde bedragen aan overige kosten niet aannemelijk gemaakt. Het Hof acht voor beide jaren wat betreft de overige kosten een bedrag ter grootte van € 2.000 aannemelijk gemaakt.

Specifieke zorgkosten

4.4.

Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV 2014 de volgende bedragen aan specifieke zorgkosten vermeld:

Uitgaven voor vervoer i.v.m. ziekte of invaliditeit 97

Extra uitgaven voor kleding en beddengoed 620

Verhoging specifieke zorgkosten 287

Totaal 1.004

4.5.

De Inspecteur heeft de aftrek geweigerd omdat deze kosten niet aannemelijk zijn gemaakt.

4.6.

Het Hof is van oordeel dat belanghebbende met zijn toelichting ter zitting van het Hof de extra uitgaven voor kleding en beddengoed aannemelijk heeft gemaakt. Rekening houdend met de verhoging berekent het Hof de in aftrek komende specifieke zorgkosten vóór toepassing van de drempel op (1,4 x € 620 =) € 868.

4.7.

Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV 2015 de volgende bedragen aan specifieke zorgkosten vermeld:

Uitgaven voor vervoer i.v.m. ziekte of invaliditeit 84

Extra uitgaven voor kleding en beddengoed 620

Totaal 704

4.8.

De Inspecteur heeft de aftrek geweigerd omdat deze kosten niet aannemelijk zijn gemaakt.

4.9.

Het Hof is van oordeel dat belanghebbende met zijn toelichting ter zitting van het Hof de extra uitgaven voor kleding en beddengoed aannemelijk heeft gemaakt. Het Hof berekent de in aftrek komende specifieke zorgkosten vóór toepassing van de drempel op € 620.

Giften

4.10.

Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV 2014 de volgende bedragen aan giften vermeld:

Protestantse Kerk Nederland en andere ANBI-doelen 1.475

Vrijwilligersregeling Herv Gem [D] 1.500

Totaal 2.975

4.11.

De Inspecteur heeft de in de overgelegde bankafschriften vermelde giften beoordeeld en is tot de conclusie gekomen dat deze voor een bedrag van € 1.118 kunnen worden geaccepteerd.

4.12.

Het Hof is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij voor een hogere aftrek wegens giften in aanmerking komt.

4.13.

Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV 2015 de volgende bedragen aan giften vermeld:

Protestantse Kerk Nederland en andere ANBI-doelen 1.522

Vrijwilligersregeling Herv Gem [D] 1.500

Totaal 3.022

4.14.

De Inspecteur heeft de in de overgelegde bankafschriften vermelde giften beoordeeld en is tot de conclusie gekomen dat deze voor een bedrag van € 256 kunnen worden geaccepteerd.

4.15.

Het Hof is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij voor een hogere aftrek wegens giften in aanmerking komt.

Conclusies

4.16.

Op grond van het voorgaande berekent het Hof het belastbaar inkomen uit werk en woning voor het jaar 2014 als volgt:

ROW

Traktement Protestantse Kerk Nederland (PKN)

42.167

Predikbeurten in de lande

1.284

Ambtswoning (90% x 1,7% x € 307.000=)

4.697

Totaal

48.148

Kosten ROW

Pensioenpremie

3.984

Woonbijdrage ambtswoning

4.706

Reële arbeidsbeloning echtgenote

9.750

Overige kosten

2.000

Totaal

-/- 20.440

ROW

27.708

Specifieke zorgkosten

Zie 4.6

868

Af: drempel (1,65% x (€ 27.708 + € 9.750) =)

618

Aftrekbaar

-/- 250

Giften

Zie 4.11/4.12

1.118

Af: drempel (1% x (€ 27.708 + € 9.750) =)

374

Aftrekbaar

-/- 744

Belastbaar inkomen uit werk en woning

26.714

4.17.

Op grond van het voorgaande berekent het Hof het belastbaar inkomen uit werk en woning voor het jaar 2015 als volgt:

ROW

Traktement Protestantse Kerk Nederland (PKN)

44.378

Predikbeurten in de lande

2.148

Honorarium Gereformeerde Bond

151

Ambtswoning (90% x 1,8% x € 292.000 =)

4.730

Totaal

51.407

Kosten ROW

Pensioenpremie

3.912

Woonbijdrage ambtswoning

4.899

Reële arbeidsbeloning echtgenote

10.150

Overige kosten

2.000

Totaal

-/-20.961

ROW

30.446

Specifieke zorgkosten

Zie 4.9

620

Af: drempel (1,65% x (€ 30.446 + € 10.150) =)

669

Aftrekbaar

0

Giften

Zie 4.14/4.15

256

Af: drempel (1% x (€ 30.446 + € 10.150) =)

405

Aftrekbaar

0

Belastbaar inkomen uit werk en woning

30.446

4.18.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op het verzamelinkomen en de belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is in zoverre slechts gegrond voor zover het de vorenbedoelde verminderingen van de navorderingsaanslagen betreft.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de Inspecteur aan belanghebbende de betaalde griffierechten te vergoeden.

De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat hij geen proceskostenvergoeding is verschuldigd omdat belanghebbende de jaaropgaven 2014 en 2015 en de bankafschriften over 2014 en 2015 pas bij het nadere stuk heeft overgelegd, dat op 12 november 2020 door het Hof is ontvangen, terwijl al reeds op 16 maart 2017 om stukken is gevraagd.

Vooropgesteld moet worden dat wanneer een belanghebbende geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, als regel de door hem in beroep gemaakte kosten voor vergoeding op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in aanmerking komen. Naar de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn arrest van 12 mei 2006, nr. 42449, ECLI:NL:HR:2006:AX0985, mag van deze regel worden afgeweken indien de noodzaak tot het instellen van beroep uitsluitend voortvloeide uit de handelwijze van de belanghebbende.

Het Hof overweegt in dit kader het volgende. De gemachtigde heeft gesteld dat hij de stukken die ten grondslag liggen aan de in de ingediende aangiften IB/PVV 2014 en 2015 vermelde aftrekposten in 2017 aan de Inspecteur heeft overgelegd, maar deze niet van hem heeft terugontvangen. Bij het overleggen zijn geen kopieën van deze stukken gemaakt, aldus de gemachtigde. Gelet op de verklaring van de gemachtigde ter zitting van het Hof kan naar het oordeel van het Hof niet helemaal worden uitgesloten dat genoemde stukken inderdaad door belanghebbende zijn overgelegd. Gelet daarop, kan niet met zekerheid worden gezegd dat de noodzaak tot het instellen van (hoger) beroep uitsluitend voortvloeide uit de handelwijze van belanghebbende. Het Hof ziet daarom in beginsel aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken. Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) vast op € 261 voor de kosten in de bezwaarfase (1 punt (bezwaarschrift)  wegingsfactor 1  € 261), € 1.050 voor de kosten in eerste aanleg (2 punten (beroepschrift, bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 525) en € 1.050 voor de kosten in hoger beroep (2 punten (hogerberoepschrift, bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 525), ofwel in totaal op € 2.361. Het Hof vermindert echter op grond van artikel 2, lid 2, van het Besluit, dit bedrag tot een bedrag van € 1.000. Hierbij heeft het Hof in aanmerking genomen dat belanghebbende al op een veel eerder tijdstip dan 12 november 2020 de jaaropgaven 2014 en 2015 en de bankafschriften over 2014 en 2015 had kunnen overleggen, ook in het – niet vaststaande – geval dat belanghebbende deze stukken al in 2017 zou hebben overgelegd en niet van de Inspecteur zou hebben terugontvangen. Immers, genoemde stukken zouden dan kunnen worden opgevraagd bij de PKN en de bank en hadden vervolgens reeds in de bezwaarfase kunnen worden overgelegd.

6. Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

– verklaart de bij de Rechtbank ingestelde beroepen gegrond,

– vernietigt de uitspraken van de Inspecteur,

– vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2014 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.714,

– vermindert het verzamelinkomen 2014 tot € 26.714,

– vermindert de belastingrente dienovereenkomstig,

– vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2015 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.446,

– vermindert het verzamelinkomen 2015 tot € 30.446,

– vermindert de belastingrente dienovereenkomstig,

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.000, en

– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 46 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 128 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, mr. A. van Dongen en mr. T.H.J. Verhagen, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

De beslissing is op 15 december 2020 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(S. Darwinkel) (B.F.A. van Huijgevoort)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 15 december 2020.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.