Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:10481

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-12-2020
Datum publicatie
17-12-2020
Zaaknummer
200.281.125/02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 223 Rv. Voorlopige voorzieningen contact in hoofdzaak over verlenging machtiging uithuisplaatsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.281.125-02

(zaaknummer rechtbank Gelderland 370967)

beschikking van 15 december

op het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen van

[de moeder] ,

wonende te [A] ,
verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. B. Anik te Arnhem.

belanghebbenden bij dit verzoek zijn:

de gecertificeerde instelling

Stichting Jeugdbescherming Gelderland,

gevestigd te Arnhem,

verder te noemen: de GI,


en

[de vader] ,

wonende te [B] ,

verder te noemen: de vader,

en

[de pleegouders] ,

wonende te [C] ,

verder te noemen: de pleegouders.

1 De hoofdzaak

De moeder en de vader zijn de ouders van [de minderjarige1] ( [geboren in] 2009) en [de minderjarige2] ( [geboren in] 2014). Op 22 juni 2018 zijn [de minderjarige1] en [de minderjarige2] onder toezicht gesteld van de GI. Op 19 september heeft de kinderrechter de GI een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen gegeven. De kinderen verblijven vanaf november 2018 bij de pleegouders. De GI heeft op

19 mei 2020 de kinderrechter gevraagd de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing vanaf 22 juni 2020 te verlengen met een jaar. De kinderechter heeft dat verzoek toegewezen (beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland van

11 juni 2020).

De moeder heeft hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking.

De moeder is het niet eens met de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Zij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt en het verzoek van de GI ten aanzien van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing alsnog afwijst.

Het hof heeft in deze zaak een mondelinge behandeling bepaald die is gehouden op

15 oktober 2020. Het hof heeft daarna op 3 november 2020 een beschikking gegeven en daarin de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) verzocht een onderzoek in te stellen. Het hof heeft de beslissing op het verzoek van de moeder aangehouden. Op 10 november 2020 heeft de GI de ouders in een gesprek gezegd dat de bezoekregeling tijdens de periode van het raadsonderzoek wordt teruggedraaid naar anderhalf uur per maand voor iedere ouder. Op dat moment was de contactregeling een keer per maand van zaterdag 10:00 uur tot zondag 16:00 uur bij de moeder en een keer per maand van zaterdag 10:00 uur tot zondag 16:00 uur bij de vader.

2 Het verzoek van de moeder tot het treffen van voorlopige voorzieningen

2.1

De moeder heeft op 18 november 2020 een verzoekschrift ingediend bij het hof. Zij verzoekt het hof op de voet van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) voorlopige voorzieningen te treffen voor de duur van de procedure in de hoofdzaak. Zij vraagt het hof te bepalen een voorlopige contactregeling vast te leggen. Zij wil dat het hof bepaalt dat de kinderen een keer in de maand van zaterdag 10:00 uur tot zondag 16:00 uur bij haar verblijven en ook een keer in de maand van zaterdag 10:00 uur tot zondag 16:00 bij hun vader verblijven. De moeder en de vader zullen de kinderen dan halen en brengen. De moeder wil met het oog op de komende feestdagen ook dat het hof bepaalt dat de kinderen in de kerstvakantie vier dagen achter elkaar bij haar verblijven en ook vier dagen achter elkaar bij de vader en dat in die periodes in elk geval steeds een kerstdag valt.

2.2

De griffier heeft op 27 november 2020 de moeder, alle belanghebbenden en de raad opgeroepen voor de mondelinge behandeling van dit verzoek op 9 december 2020 om 10:30 uur. De griffier heeft in de oproepingsbrieven aan de belanghebbenden vermeld:

“U kunt tot aan de mondelinge behandeling van 9 december 2020 verweer voeren. Echter verzoek ik u, indien u verweer wilt voeren, dit zo spoedig mogelijk te doen.”

De griffier bedoelt hier met ‘verweer voeren’ een verweerschrift indienen; het is immers altijd mogelijk op de mondelinge behandeling mondeling verweer te voeren.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 9 december 2020 om 10:30 uur plaatsgevonden. De vader en de moeder zijn in persoon verschenen, de moeder bijgestaan door haar advocaat. Namens de GI is de heer [D] verschenen. De pleegouders zijn niet verschenen. Namens de raad is mevrouw [E] verschenen.

2.4

De voorzitter heeft bij het begin van de mondelinge behandeling vastgesteld dat het hof beschikt over het verzoekschrift met bijlagen van de moeder maar niet over verweerschriften van belanghebbenden of andere stukken. [D] heeft daarop te kennen gegeven dat namens de GI die ochtend een verweerschrift is ingediend. De voorzitter heeft geconstateerd dat dit verweerschrift niet in het procesdossier aanwezig is. De vader, de advocaat van de moeder en de raad hebben vervolgens verklaard dit verweerschrift ook niet te hebben ontvangen. De voorzitter heeft [D] gevraagd in de loop van de mondelinge behandeling het verweer van de GI zoals dat in het verweerschrift staat mondeling voor te dragen, zodat het hof, de moeder, de vader en de raad daarvan kennis kunnen nemen en daarop kunnen reageren. [D] heeft gezegd dat te zullen doen.

2.5

Na afloop van de mondelinge behandeling is gebleken dat de GI het verweerschrift op 9 december 2020 pas om 10:15 uur heeft gefaxt aan de griffie van het hof. Daarmee is het weliswaar nog voor de aanvang van de mondelinge behandeling ingediend, maar op een zo laat tijdstip dat het voor de griffie redelijkerwijs niet meer mogelijk is geweest van dat verweerschrift nog kopieën te maken voor alle procesdeelnemers en die kopieën aan die procesdeelnemers te verstrekken. Omdat [D] op de mondelinge behandeling de gelegenheid heeft gekregen zijn verweer overeenkomstig het verweerschrift toe te lichten en de andere procesdeelnemers daarop hebben kunnen reageren, zal het hof het verweerschrift zelf en de daarbij gevoegde bijlagen buiten beschouwing laten. De eisen van een goede procesorde verzetten zich daartegen niet, nu aldus is gewaarborgd dat GI verweer heeft kunnen voeren en dat daarop hoor en wederhoor heeft plaatsgehad.

3 De beoordeling van het verzoek

3.1

Artikel 223 Rv is van overeenkomstige toepassing op verzoekschriftprocedures1 en houdt in dat tijdens een aanhangig geding iedere partij kan verzoeken dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Die voorlopige voorziening moet samenhangen met het verzoek in de hoofdzaak en zich ervoor lenen als voorlopige voorziening te worden gegeven. Nadere eisen worden niet gesteld.2

Het verzoek in hoger beroep in de hoofdzaak is bij dit hof aanhangig. Dat verzoek gaat in de kern om de vraag waar de kinderen moeten verblijven en wie voor hen zorgt.

Ook de voorlopige voorzieningen die de moeder vraagt gaan in de kern om de vraag waar de kinderen verblijven en wie voor hen zorgt. Daar komt bij dat de raad op de mondelinge behandeling heeft verklaard dat het voor het onderzoek van de raad, dat inmiddels is gestart, belangrijk is dat de kinderen niet alleen bij de pleegouders, maar ook bij de ouders thuis verblijven. Daarmee is de samenhang met het verzoek in de hoofdzaak gegeven.

De gevraagde voorziening leent zich ervoor als voorlopige voorziening te worden gegeven. Het gaat om een regeling van de contacten tussen de moeder en de kinderen en tussen de vader en de kinderen die voorlopig is omdat de regeling – behoudens intrekking of wijziging van die voorzieningen op verzoek van de meest gerede partij - alleen geldt voor de duur van de procedure in de hoofdzaak, dat wil zeggen totdat de einduitspraak van dit hof -op het verzoek van de GI om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen - in kracht van gewijsde is gegaan.

3.2

Volgens de ouders is de omvang van de contacten tussen de ouders en de kinderen sinds de uithuisplaatsing een aantal malen veranderd. na een opbouw van een uur in de twee weken op het kantoor van de GI in de herfst van 2018 heeft elk van de ouders vanaf de zomer 2019 de kinderen een keer in de vier weken in het weekend (zaterdag 10:00 uur – zondag 16:00 uur) bij zich thuis. Voor de vader is dat zo gebleven. Het contact met de moeder is eind 2019 enige tijd beperkt tot vier uur in de vier weken onder begeleiding van een medewerker van de thuiszorg. In de zomer 2020 is de beperking in de contacten van de kinderen en de moeder weer ongedaan gemaakt en heeft ook zij de kinderen weer een keer in de vier weken in het weekend. De contacten van de ouders met de kinderen zijn in zoverre begeleid dat een begeleider van [F] in het contactweekend kort bij de ouder langsgaat. In de beleving van de ouders lopen de contacten goed. De moeder verwijst naar een verslag van de begeleider van [F] van het weekend van 3-4 oktober 2020 toen de kinderen bij haar waren (bijlage 4 bij haar verzoekschrift).

3.3

Op 10 november 2020 heeft een bespreking plaatsgehad op het kantoor van de GI waarbij de ouders, de jeugdbeschermer van de GI ( [G] ), de begeleiders van [F] van moeder ( [H] ) en vader ( [I] ) en een medewerker van [F] ( [L] ) en een medewerkster van Pactum ( [K] ) aanwezig waren. [L] heeft een verslag van dit gesprek gemaakt. Dat verslag is opgenomen in een mailbericht van [I] aan de ouders van op 10 november 2020 (bijlage 5 bij het verzoekschrift). Uit het verslag komt het volgende naar voren:

  • -

    De jeugdbeschermer van de GI ( [G] ) zegt dat hij de evaluatie naar voren heeft gehaald omdat er zorgen zijn over [de minderjarige1] en omdat er een nieuwe beslissing is genomen die hij met de ouders wil bespreken.

  • -

    Voor de GI ligt het perspectief van de kinderen bij het pleeggezin, al hebben de ouders door het hoger beroep nog een kans de zorg voor de kinderen terug te krijgen.

  • -

    [G] heeft [de minderjarige1] verteld dat er een onderzoek gaat komen en dat onderzocht wordt hoe het met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] gaat.

  • -

    Pactum ( [K] ) vertelt dat [de minderjarige1] veel last heeft van de onduidelijkheid over zijn woonplaats, dat hij een laag zelfvertrouwen heeft en negatieve aandacht zoekt.

  • -

    De GI ( [G] ) zegt dat de bezoekregeling wordt veranderd tijdens de periode van het raadsonderzoek en wordt teruggedraaid naar een keer per maand anderhalf uur naar moeder en anderhalf uur naar vader.

  • -

    De ouders vinden dat de GI en Pactum niet eerlijk tegen hen en tegen [de minderjarige1] zijn en zijn erg boos op de GI en Pactum.

  • -

    [de minderjarige1] krijgt speltherapie en heeft ook differentiatietherapie nodig waarmee zijn zelfvertrouwen versterkt kan worden. Moeder vindt dat eerst het resultaat van de speltherapie moet worden afgewacht voordat [de minderjarige1] begint met differentiatietherapie.

3.4

Op 12 november 2020 stuurt [G] een mail aan de ouders over het gesprek dat hij en [K] hebben gehad met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] (bijlage 6 bij het verzoekschrift van de moeder). Hij schrijft in dat bericht dat het contact met zijn ouders wordt beperkt tot twee keer anderhalf uur in de maand [de minderjarige1] , die vooraf al behoorlijk gespannen was, zichtbaar verdrietig en emotioneel maakt en dat het hem niet lukt daarop te reageren. [de minderjarige2] ’s reactie is dat hij drie uurtjes kort vindt.

3.5

Het hof vindt het nodig en in het belang van de kinderen wenselijk dat de contactregeling zoals die gold tot 10 november 2020 hersteld wordt. De ouders en de GI waren het eens over deze regeling en de omvang van de contacten en de begeleiding daarvan door [F] . De GI kan de contacten tussen de ouders en de kinderen eenzijdig beperken, maar moet dat dan wel doen met een schriftelijke aanwijzing (artikel 1:265f BW). Als de contactregeling door een rechter is vastgesteld is daarvoor zelfs een verzoek aan de rechter nodig.3 Namens de GI is op de mondelinge behandeling verklaard dat er een schriftelijke aanwijzing is verstuurd, maar de ouders hebben gezegd die schriftelijke aanwijzing niet te hebben ontvangen. De GI heeft de schriftelijke aanwijzing ook niet aan het hof laten zien. Het hof gaat daarom ervan uit dat er (nog) geen schriftelijke aanwijzing is gegeven.

3.6

De GI maakt zich vooral zorgen om [de minderjarige1] . De GI zegt signalen van Pactum te hebben gekregen dat [de minderjarige1] als hij terugkomt van een weekend bij een van zijn ouders anders dan voorheen gesloten is en zich in het pleeggezin negatief gedraagt. Die zorgen zijn neergelegd in een rapport van Pactum van 5 november 2020 dat voor de GI de reden is geweest om het contact te beperken. Op de mondelinge behandeling blijkt dat de ouders dat rapport van Pactum nooit hebben gehad en dat in het evaluatiegesprek van 10 november 2020 dat rapport ook niet is genoemd. De GI heeft het rapport ook niet aan het hof laten zien. Het hof gaat ervan uit dat de GI zich terecht zorgen maakt over [de minderjarige1] , maar ziet daarin op grond van de beschikbare informatie op dit moment geen noodzaak de contacten tussen hem en zijn ouders en in het kielzog daarvan ook de contacten van [de minderjarige2] met zijn ouders zo drastisch te beperken. Die maatregel is heel ingrijpend en komt voor de ouders heel onverwacht zonder dat zij inzage hebben gekregen in het rapport van Pactum. De maatregel leidt tot veel verdriet en onbegrip bij [de minderjarige1] en bij zijn ouders en dreigt averechts te werken en een goed onderzoek door de raad te belemmeren. Vanwege het onderzoek door de raad is het immers van belang dat de ouders ieder regelmatig en meer dan slechts anderhalf uur per maand contact met de kinderen hebben. De raadsvertegenwoordiger heeft dat belang op de mondelinge behandeling toegelicht.

3.7

De moeder heeft recht op en belang bij de voorlopige voorzieningen die zij vraagt. Het hof zal het verzoek van de moeder toewijzen en de hierna te melden voorlopige voorzieningen treffen. Het hof merkt op dat de ‘oude’ regeling contacten van elke ouder van een keer in de vier weken behelsde, terwijl de moeder nu vraagt om contacten van elk van de ouders een keer in de maand. Het hof begrijpt dat de moeder met ‘maand’ bedoelt een periode van vier weken. Het hof zal ook een contactregeling voor de komende kerstdagen vaststellen. Namens de GI is op de mondelinge behandeling gezegd dat de kinderen die dagen een dagdeel bij de ouders zouden kunnen zijn.

4 De beslissing

Het hof:

treft de volgende voorlopige voorzieningen:

de kinderen verblijven een keer in de vier weken een weekend (zaterdag 10:00 uur tot zondag 16:00 uur) bij de moeder, voor het eerst in het weekend van 19-20 december 2020;

de kinderen verblijven een keer in de vier weken een weekend (zaterdag 10:00 uur tot zondag 16:00 uur) bij de vader, voor het eerst in het weekend van 2-3 januari 2021;

de kinderen verblijven op Eerste Kerstdag 2020 (vrijdag 25 december 2020) bij de moeder van 13:00 – 17:00 uur;

de kinderen verblijven op Tweede Kerstdag 2020 (zaterdag 26 december 2020) bij de vader van 13:00 uur tot 17:00 uur;

de ouder bij wie de kinderen verblijven haalt en brengt de kinderen;

verklaart de hiervoor genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, A. Smeeing-van Hees en

I.G.M.T. Weijers-van der Marck, bijgestaan door F.E. Knoppert als griffier en is op

15 december 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

1 HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533, NJ 2016/261.

2 HR 13 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2624, NJ 2017/397.

3 HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2321.