Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:10480

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-12-2020
Datum publicatie
17-12-2020
Zaaknummer
200.279.154
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijziging hoogte kinderalimentatie, 1:401 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.279.154

(zaaknummer rechtbank Gelderland 360458)

beschikking van 15 december 2020

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. C.W. Langereis te Arnhem,

en

[verweerder] ,

wonende te [B] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. S. Sahin te Lent.

1 De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 6 maart 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (verder ook: de bestreden beschikking).

2 De procedure in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met producties, ingekomen op 28 mei 2020;

  • -

    het verweerschrift;

  • -

    een journaalbericht van mr. Sahin van 11 november 2020 met producties.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 16 november 2020 plaatsgevonden. In verband met het coronavirus heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden door middel van een telefonische (beeld)verbinding (telehoren). Via deze verbinding waren partijen in persoon aanwezig, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

3.1

Het huwelijk van partijen is [in] 2010 ontbonden door echtscheiding.

3.2

De man en de vrouw zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2006 in [B] . [de minderjarige] heeft zijn hoofdverblijf bij de vrouw. De man en de vrouw zijn verder de ouders van [C] en [D] , die beiden inmiddels meerderjarig zijn.

3.3

Bij ouderschapsplan van 12 januari 2010 zijn de ouders kort gezegd overeengekomen dat de man, zolang [D] en [de minderjarige] minderjarig zijn en bij de vrouw wonen, aan de vrouw een kinderalimentatie betaalt van € 45,- per kind per maand, verhoogd met de wettelijke indexering, voor het eerst per 1 januari 2010. Dit ouderschapsplan maakt deel uit van de echtscheidingsbeschikking van 7 juni 2010.

4 Het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het verzoek van de vrouw tot wijziging van de hoogte van de door de man te betalen kinderalimentatie voor [de minderjarige] afgewezen.

4.2

De vrouw is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking en verzoekt het hof de bestreden beschikking (het hof begrijpt: voor zover het de kinderalimentatie betreft) te vernietigen, althans te verbeteren en te bepalen dat de man met ingang van 15 oktober 2019 of de datum die het hof juist acht € 333,- per maand als kinderalimentatie dient te betalen, telkens voor de eerste dag van iedere maand, kosten rechtens.

4.3

De man voert verweer en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen, dan wel te verbeteren en te bepalen dat hij met ingang van de datum van de beschikking van het hof € 92,- per maand zal betalen als kinderalimentatie voor [de minderjarige] en de vrouw te veroordelen in de proceskosten van de man in hoger beroep.

5 De overwegingen voor de beslissing

Wijziging van omstandigheden

5.1

Partijen hebben in 2010 afspraken gemaakt over (de hoogte van) de kinderalimentatie. Niet in geschil is dat het inkomen van beide partijen sindsdien is gestegen en dat partijen niet langer gehouden zijn bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding of levensonderhoud en studie van [C] en [D] . Daarmee is naar het oordeel van het hof sprake van een relevante wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) die een hernieuwde beoordeling van de door de man voor [de minderjarige] te betalen kinderalimentatie rechtvaardigt.

Ingangsdatum

5.2

Als de rechter een alimentatieverplichting oplegt, wijzigt of laat eindigen, dan heeft hij (op grond van artikel 1:402 BW) grote vrijheid bij het bepalen van de ingangsdatum. De –gewijzigde – verplichting kan onder meer ingaan op de datum dat:

  • -

    de omstandigheden zijn gewijzigd,

  • -

    de man op de hoogte was van de wijziging van de omstandigheden,

  • -

    het oorspronkelijke verzoekschrift is ingediend, of

  • -

    de bestreden beschikking werd gegeven.

5.3

Het hof is van oordeel dat 1 juni 2020, de eerste dag van de maand volgend op de datum van indiening van het beroepschrift, als ingangsdatum moet worden gehanteerd. De rechtbank heeft het verzoek van de vrouw tot wijziging van de kinderalimentatie afgewezen vanwege – kort gezegd – het ontbreken van voldoende onderbouwing en financiële stukken. De vrouw heeft bij haar beroepschrift van 28 mei 2020 alsnog inkomensgegevens en een alimentatieberekening overgelegd. Het hof is van oordeel dat de man (pas) vanaf de ontvangst van het beroepschrift en de bijbehorende producties rekening kon en diende te houden met een eventuele wijziging van de hoogte van de kinderalimentatie voor [de minderjarige] .

Behoefte

5.4

De vrouw heeft de behoefte van [de minderjarige] berekend op € 381,- per maand in 2020. Daarbij is de vrouw uitgegaan van het netto besteedbaar gezinsinkomen in 2009 van € 2.875,- en heeft zij de aldus berekende behoefte geïndexeerd naar 2020.

5.5

De man heeft aangevoerd dat de behoefte van [de minderjarige] moet worden berekend met als peiljaar 2020 en dat alleen het inkomen van de op dit moment meest verdienende ouder in aanmerking moet worden genomen, omdat het huidige inkomen van zowel de man als de vrouw afzonderlijk het gezinsinkomen uit 2009 zou overschrijden. Zoals volgt uit het hierna onder 5.8 en 5.9 genoemde netto besteedbaar inkomen van partijen is daarvan echter geen sprake. Mr. Sahin heeft tijdens de mondelinge behandeling namens de man te kennen gegeven er in dat geval mee akkoord te zijn dat de behoefte van [de minderjarige] in 2009 wordt berekend en wordt verhoogd met de wettelijke indexering.

Nu de man voor het overige geen verweer heeft gevoerd tegen de berekening van de vrouw, gaat het hof uit van de door de vrouw berekende behoefte.

Draagkracht

5.6

Bij het bepalen van het aandeel van partijen in de behoefte van [de minderjarige] dient de draagkracht van alle onderhoudsplichtigen en de verhouding waarin een ieder tot het kind staat in de beoordeling te worden betrokken. Tussen partijen is niet langer in geschil dat bij de berekening alleen rekening moet worden gehouden met de draagkracht van partijen zelf.

5.7

Het hof heeft het netto besteedbaar inkomen en de draagkracht van partijen berekend. Deze berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht. Het hof bespreekt hierna alleen die uitgangspunten waarover partijen van mening verschillen.

Draagkracht van de man

5.8

Gelet op de aangehechte berekening stelt het hof het netto besteedbaar inkomen van de man op € 2.376,- per maand en zijn draagkracht op € 482,- per maand. Het hof is daarbij uitgegaan van een bruto jaarloon van € 36.712,- zoals vermeld op de door de man overgelegde salarisspecificaties over de maanden juli tot en met oktober 2020.

Draagkracht van de vrouw

5.9

Gelet op de aangehechte berekening stelt het hof het netto besteedbaar inkomen van de vrouw op € 2.383,- per maand en haar draagkracht op € 485,- per maand. Het hof is daarbij – net als partijen zelf in hun berekeningen – uitgegaan van een Ziektewetuitkering van € 570,85 per week. Hierin is het vakantiegeld al verdisconteerd, zodat dat niet dient te worden bijgeteld.

5.10

Het hof houdt geen rekening met de door de vrouw gestelde (toekomstige) inkomenswijziging door overgang vanuit de Ziektewet naar een WIA-uitkering. Ten tijde van de mondelinge behandeling was niet bekend of en met ingang van welke datum de vrouw een WIA-uitkering zal ontvangen, noch de hoogte hiervan. Het hof verwacht van partijen dat zij – in het belang van [de minderjarige] – in onderling overleg tot een gewijzigde kinderalimentatie komen zodra het gewijzigde inkomen van de vrouw vaststaat. Daarbij kan de berekening uit deze beschikking als uitgangspunt gelden.

Draagkrachtvergelijking

5.11

Partijen beschikken samen over voldoende draagkracht om in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien. Zij dienen naar rato van hun draagkracht bij te dragen in de kosten van [de minderjarige] volgens de formule “eigen draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte van het kind”. De totale draagkracht van partijen bedraagt € 967,- per maand. Op grond van het voorgaande bedraagt:

  • -

    het aandeel van de man (€ 482,-/ € 967,- x € 381,- =) afgerond € 190,- per maand;

  • -

    het aandeel van de vrouw (€ 485,- / € 967,- x € 381,- =) afgerond € 191,- per maand.

Vermindering met de zorgkorting

5.12

Tussen partijen is niet in geschil dat de man geen aanspraak kan maken op zorgkorting, zodat de man zijn volledige aandeel in de kosten van [de minderjarige] aan de vrouw dient te voldoen.

6 De slotsom

6.1

Op grond van wat hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking vernietigen voor zover het de kinderalimentatie betreft en beslissen als volgt.

6.2

Het hof zal de proceskosten in beide instanties compenseren, nu partijen met elkaar gehuwd zijn geweest en de procedure de bijdrage aan hun kind betreft.

7 Aanhechten draagkrachtberekeningen

Een gewaarmerkt exemplaar van de berekeningen van het hof is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

8 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 6 maart 2020, voor zover het de kinderalimentatie betreft, en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijzigt het ouderschapsplan van 12 januari 2010 en de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Arnhem van 7 juni 2010 en bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 juni 2020 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] , geboren [in] 2006, € 190,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in beide instanties, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, E.B. Knottnerus en R.A. Eskes, bijgestaan door mr. H. Bouhuys als griffier, en is op 15 december 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.