Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:10427

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-12-2020
Datum publicatie
11-01-2021
Zaaknummer
Wahv 200.250.355/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoorplicht. Een verhinderbericht ten aanzien van de voorgestelde data is geen mededeling in de zin van artikel 7:17, onder c, Awb, dat wordt afgezien van de mogelijkheid om te worden gehoord. Er was ook geen andere grond om het horen achterwege te laten. De hoorplicht is dan ook geschonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.250.355/01

CJIB-nummer

: 211924970

Uitspraak d.d.

: 15 december 2020

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 5 oktober 2018, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. J. van Gemert, kantoorhoudende te Nijmegen.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft geoordeeld dat het beroep tegen de inleidende beschikking niet tijdig is ingesteld en dat de officier van justitie daarom terecht dat beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2. De gemachtigde van de betrokkene heeft in hoger beroep onder meer aangevoerd dat de officier van justitie ten onrechte niet is overgegaan tot het horen van de gemachtigde of de betrokkene. Hierdoor is ten onrechte geen gelegenheid geboden om de oorzaken van de termijnoverschrijding toe te lichten. De kantonrechter heeft in dit kader ten onrechte overwogen dat niet is gereageerd op de uitnodigingsbrief van de officier van justitie d.d. 20 maart 2018. Hierop is echter middels aangetekend schrijven van 3 april 2018 gereageerd, op diezelfde dag ontvangen door de CVOM, waarbij de gemachtigde heeft verzocht om het horen op een andere datum te laten plaatsvinden. Bewijs hiervan is bij het hoger beroepschrift gevoegd.

3. Tegen de inleidende beschikking kan binnen zes weken beroep worden ingesteld. Dat volgt uit artikel 6, eerste lid, van de Wahv en de artikelen 3:41, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De termijn voor het instellen van beroep begint op de dag die volgt op de dag waarop de beschikking aan de betrokkene is toegestuurd.

4. De inleidende beschikking is op 6 november 2017 aan de betrokkene toegestuurd. De beroepstermijn eindigde dus op 18 december 2017. Het beroepschrift is gedateerd 7 januari 2018. Uit een stempel blijkt dat het op 9 januari 2018 door de officier van justitie is ontvangen. Het beroep is dan ook niet tijdig ingesteld.

5. Artikel 6:11 van de Awb bepaalt - kort gezegd - dat een te laat ingesteld beroep tóch ontvankelijk kan zijn, wanneer het de betrokkene niet kan worden toegerekend dat te laat beroep is ingesteld.

6. Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Wahv juncto artikel 7:16, eerste lid, van de Awb, moet de officier van justitie, voordat hij op het beroep beslist, de gemachtigde in de gelegenheid stellen om te worden gehoord.

7. Ingevolge artikel 7:17 van de Awb kan hiervan worden afgezien indien:

a. het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is;

b. het beroep kennelijk ongegrond is;

c. de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht om te worden gehoord;

d. de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord.

8. Bij de stukken van het dossier bevindt zich een (aangetekend verzonden) brief van

20 maart 2018 van de officier van justitie waarin hij de gemachtigde bericht dat deze de mogelijkheid krijgt om in persoon of telefonisch gehoord te worden. Daarbij is de gemachtigde gevraagd om met de meegestuurde antwoordkaart zijn voorkeur voor één van de daarop genoemde mogelijkheden
(18 april 2018 een fysieke hoorzitting of een telefoonnummer opgeven om op 19 april 2018 telefonisch te worden gehoord) aan te geven. In de brief is tevens vermeld dat, als er niet voor
3 april 2018 wordt gereageerd, de officier van justitie dat zal opvatten als een mededeling conform artikel 7:17, aanhef en onder d, van de Awb, en dat dan om die reden van het horen wordt afgezien. Tevens wordt in dit schrijven aangegeven dat de gemachtigde bij de hoorzitting de gronden van het beroep verder kan aanvullen en zou bij dit schrijven het zaakoverzicht zijn gevoegd.

9. Op 20 april 2018 beslist de officier van justitie op het beroep en verklaart hij het beroep
niet-ontvankelijk. Daarbij deelt de officier van justitie mee dat de gemachtigde uitgenodigd is voor een hoorzitting. Er is geen gebruik gemaakt van de aangeboden mogelijkheid tot horen en er is niet gereageerd op de brief. Daarom wordt afgezien van het horen.

10. Gelet op de door de gemachtigde bij het hoger beroepschrift gevoegde stukken kan worden aangenomen dat de CVOM op 3 april 2018 een reactie van de gemachtigde heeft ontvangen op voormelde uitnodiging van de officier van justitie d.d. 20 maart 2018. De gemachtigde geeft in dit schrijven aan verhinderd te zijn op de voorgestelde data.

11. Het hof stelt vast dat de officier van justitie niet gebruik heeft gemaakt van de in artikel 7:17, aanhef en onder d, van de Awb voorziene mogelijkheid om te verlangen dat een verzoek wordt gedaan om te worden gehoord. De vermelding in de brief van 20 maart 2018 kan niet als zodanig worden beschouwd, reeds hierom nu artikel 7:17, aanhef en onder d, van de Awb niet spreekt over een mededeling die aanleiding kan zijn om af te zien van het horen. De uitzonderingssituaties, bedoeld in artikel 7:17, aanhef en onder a of b, van de Awb doen zich hier evenmin voor. Ook mocht de officier van justitie niet afzien van een hoorzitting op grond van artikel 7:17, aanhef en onder c, van de Awb. De brief van de gemachtigde waarin hij aangeeft niet te kunnen worden gehoord op de voorgestelde data kan niet worden aangemerkt als verklaring geen gebruik te willen maken van het recht om te worden gehoord.

12. Het hof leidt uit voormelde gang van zaken verder af dat de aangeboden fysieke hoorzitting geen doorgang heeft gevonden. Dit blijkt ook uit het feit dat er geen verslag van de hoorzitting van 18 april 2018 is gemaakt. De gemachtigde is gelet hierop niet in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. De vraag of de officier van justitie de gemachtigde voldoende in de gelegenheid heeft gesteld om te worden gehoord, kan eerst aan de orde komen als de hoorzitting van 18 april 2018 wel doorgang had gevonden. Hierdoor is de betrokkene de gelegenheid ontnomen om omstandigheden naar voren te brengen die kunnen meebrengen dat het administratief beroep, ondanks de overschrijding van de beroepstermijn, toch ontvankelijk zou moeten worden geacht. Het hof zal daarom de beslissing van de kantonrechter vernietigen. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en die beslissing vernietigen. De overige bezwaren tegen de beslissing van de kantonrechter en de officier van justitie behoeven daarom geen bespreking meer.

13. De gemachtigde heeft geen omstandigheden gesteld die mee zouden kunnen brengen dat het administratief beroep ondanks overschrijding van de beroepstermijn ontvankelijk zou moeten worden geacht. Daarom zal het hof het administratief beroep niet-ontvankelijk verklaren.

14. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Lageveen als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.