Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:10416

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-12-2020
Datum publicatie
16-12-2020
Zaaknummer
21-006722-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek heeft geen betrekking op fotoconfrontaties, maar op confrontaties in persoon. Bij het gebruik van een enkelvoudige fotoconfrontatie voor het bewijs is behoedzaamheid op zijn plaats. De enkele omstandigheid dat een herkenning heeft plaatsgevonden op basis van een enkelvoudige fotoconfrontatie leidt er echter niet zonder meer toe dat die herkenning om die reden voor het bewijs buiten beschouwing dient te worden gelaten. Een dergelijke herkenning kan als ondersteuning van het reeds aanwezige bewijs dienen. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat er wel degelijk ruimte bestond voor de getuigen om in vrijheid een ander dan verdachte aan te wijzen of te beschrijven. Het dossier bevat immers ook verklaringen van getuigen die verklaarden de persoon op de foto niet te herkennen. Op grond van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, acht het hof de herkenning van verdachte bij de enkelvoudige fotoconfrontaties voldoende betrouwbaar om bij te dragen aan het bewijs tegen de verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-006722-18

Uitspraak d.d.: 14 december 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 27 november 2018 met parketnummer 16-653199-17 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 30 november 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling wegens het onder 1 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren met aftrek van voorarrest en een taakstraf voor de duur van 120 uren. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd €284,- aan contant geld verbeurd te verklaren en de verdovende middelen en iPhone te onttrekken aan het verkeer. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. F.N. Dijkers, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Verdachte is bij vonnis waarvan beroep vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde. Hoger beroep tegen deze vrijspraak staat voor verdachte niet open. Het hof zal verdachte daarom in zoverre niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep verklaren.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 27 november 2018, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van de onder de onder 1 tenlastegelegde opzettelijke overtreding met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren met aftrek van voorarrest en een taakstraf voor de duur van 120 uren. Daarnaast heeft de rechtbank een bedrag van €284,- aan contant geld verbeurd verklaard en verdovende middelen en doorzichtige zakjes onttrokken aan het verkeer. De rechtbank heeft tevens de teruggave van de onder verdachte in beslag genomen iPhone gelast.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze heeft beslist. Het hof zal het vonnis echter bevestigen met aanvulling van de gronden. Ter bevordering van de leesbaarheid en de duidelijkheid zal het hof de aan te vullen alinea’s uit het vonnis van de rechtbank cursief opnemen, met daarbij vermeld de aanvulling van het hof.

Ter terechtzitting van de rechtbank heeft de raadsman bepleit dat de confrontatie van de getuigen met de foto van verdachte niet volgens de regels is verlopen, aangezien er gebruik is gemaakt van enkelvoudige fotoconfrontaties. Ter terechtzitting van het hof heeft de raadsman dit standpunt herhaald en bepleit dat de manier waarop de fotoconfrontaties zijn uitgevoerd in strijd is met het recht op een eerlijk proces en dat dit de bewijsmiddelen onbetrouwbaar en onbruikbaar maakt. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat door direct de persoon te tonen die de politie op het oog had, er geen enkele ruimte meer voor de getuigen bestond om in vrijheid een ander dan verdachte aan te wijzen of te beschrijven. Indien er al een fotoconfrontatie had moeten plaatsvinden, dan had dit een meervoudige fotoconfrontatie moeten zijn. Aan een meervoudig fotoconfrontatie worden op grond van het ‘Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek’ strikte eisen gesteld. Deze eisen dienen volgens de raadsman eveneens een rol te spelen bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de onderhavige confrontaties.

De rechtbank heeft het verweer over de fotoconfrontaties verworpen en deze verwerping als volgt gemotiveerd:

Met betrekking tot de fotoherkenningen overweegt de rechtbank dat, door het tonen van één enkele foto aan het begin van het verhoor van de afnemers van drugs, te weten [naam1] , [naam2] , [naam3] en [naam4] , de herkenning van verdachte door de afnemers niet volgens de regels is verlopen en daardoor in bewijswaarde is afgenomen. De rechtbank zal deze herkenningen om die reden beperkte bewijswaarde toekennen en enkel gebruiken ter ondersteuning van de overige bewijsmiddelen.

Het hof neemt bovenstaande motivering over en vult deze als volgt aan:

Bij het gebruik van een enkelvoudige fotoconfrontatie voor het bewijs is behoedzaamheid op zijn plaats. De enkele omstandigheid dat een herkenning heeft plaatsgevonden op basis van een enkelvoudige fotoconfrontatie leidt er echter niet zonder meer toe dat die herkenning om die reden voor het bewijs buiten beschouwing dient te worden gelaten. Een dergelijke herkenning kan als ondersteuning van het reeds aanwezige bewijs dienen.

Voor zover namens verdachte in dit kader een beroep is gedaan op een schending van het Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek stelt het hof, met inachtneming van HR 9 februari 2010, LJN BL6146, NJ 2010/105 en HR 11 januari 2011, NJ 2011/46, vast dat dit Besluit geen betrekking heeft op fotoconfrontaties, maar op confrontaties in persoon.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat er wel degelijk ruimte bestond voor de getuigen om in vrijheid een ander dan verdachte aan te wijzen of te beschrijven. Het dossier bevat immers ook verklaringen van getuigen - destijds gehoord als verdachte - die verklaarden de persoon op de foto niet te herkennen.

Op grond van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, acht het hof de herkenning van verdachte bij de enkelvoudige fotoconfrontaties voldoende betrouwbaar om bij te dragen aan het bewijs tegen de verdachte. Het hof verwerpt het verweer van de raadsman.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door

mr. W. Foppen, voorzitter,

mr. J. Hielkema en mr. L.J. Bosch, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Veenbaas, griffier,

en op 14 december 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.