Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:10366

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-12-2020
Datum publicatie
16-12-2020
Zaaknummer
21-001383-15
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2015:1268, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt verdachte - onder meer - voor grootschalige diefstal van schapen uit de weide tot een gevangenisstraf van 15 maanden (met aftrek van voorarrest).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001383-15

Uitspraak d.d.: 16 december 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 27 februari 2015 met parketnummer 05-901209-12 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,

volgens opgave van de verdachte wonende te [woonplaats] (Roemenië), [adres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 5 april 2017, 16 november 2018 en 18 november 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadslieden, mr. H. Seton en mr. X.B. Sijmons, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een deels andere bewezenverklaring en een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw recht doen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1 primair:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 juli 2012 tot en met 27 september 2012

te Bern en/of Well (buitengebied Ammerzoden) en/of Linden (Noord-Brabant) en/of Nieuwegein en/of Lopik en/of Erlecom en/of andere plaatsen in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

steeds met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

een of meerdere schapen, die zich ten tijde van de diefstal(len) in de weide bevonden,

welke schapen toebehoorden aan:

- [benadeelde 1] (zaaksdossier 1, 189 schapen) en/of

- [benadeelde 2] / [benadeelde 3] (zaaksdossier 1, 54 schapen) en/of

- [benadeelde 4] (zaaksdossier 2, 28 schapen) en/of

- [benadeelde 5] (zaaksdossier 2, 5 schapen) en/of

- [benadeelde 6] (zaaksdossier 2, 31 schapen) en/of

- [benadeelde 7] (zaaksdossier 3, 40 schapen) en/of

- [benadeelde 8] (zaaksdossier 4, 34 schapen) en/of

- [benadeelde 9] (zaaksdossier 4, 2 schapen) en/of

- [benadeelde 10] (zaaksdossier 5, 41 schapen)

en/of anderen, in ieder geval niet aan verdachte en/of zijn mededader(s);

1 subsidiair:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 juli 2012 tot en met 23 oktober 2012

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

te Opheusden en/of te Dodewaard en/of Kesteren, althans in Nederland,

heeft/hebben verworven, voorhanden heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben overgedragen 199 schapen ( [adres] te Opheusden) en/of 113 schapen ( Appelenburgseveldweg te Dodewaard) en/of 42 schapen ( Waalbandijk te Dodewaard) en/of 198 schapen ( Waalbandijk te Dodewaard en Nieuwe Dijk te Kesteren),

althans (telkens) een aantal/hoeveelheid schapen,

terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voormeld(e) scha(a)p(en) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat dit/deze sch(a)ap(en) door enig misdrijf was/waren verkregen;

2:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 juli 2012 tot en met 23 oktober 2012

te Opheusden en/of te Dodewaard en/of Kesteren, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

van (een) voorwerp(en), te weten (telkens) één of meerdere schapen,

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing heeft verborgen of verhuld,

dan wel heeft verborgen of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp is, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s):

- opzettelijk onjuiste meldingen gedaan in het zogenoemde I&R-systeem en/of opzettelijk de stallijsten onjuist ingevuld, onder meer door van misdrijf afkomstige schapen in het I&R-systeem te registreren als vrij merk en/of op de stallijsten deze schapen te noteren als vrij merk en/of

- de originele merken van de door misdrijf afkomstige schapen te verwijderen en deze schapen vervolgens fysiek te merken als vrij merk en/of

- de ingevolge regelgeving vereiste kennisgevingen voor aanvoer, vervoer en afvoer van schapen niet of te laat te verrichten,

terwijl hij wist dat dit/deze scha(a)p(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van het onder 1 primair, zevende en achtste gedachtestreepje, tenlastegelegde feit ( [benadeelde 8] , [benadeelde 9] , zaaksdossier 4)

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van zaaksdossier 4 heeft de verdediging naar voren gebracht dat het bewijs - afgezien van de aangiftes - uitsluitend bestaat uit de historische gegevens van de telefoons van de verschillende verdachten. Enkel deze gegevens zijn onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen voor wat betreft dit zaaksdossier, ook niet als gebruik wordt gemaakt van schakelbewijs.

Oordeel van het hof

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 primair, zevende en achtste gedachtestreepje tenlastegelegde heeft begaan ( [benadeelde 8] , zaaksdossier 4, 34 schapen, [benadeelde 9] , zaaksdossier 4, 2 schapen), omdat daarvoor onvoldoende bewijs is. Verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Bewijsoverwegingen

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 tenlastegelegde feiten.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak van de tenlastegelegde feiten bepleit. Daartoe is - samengevat - het volgende aangevoerd.

De resultaten van het verrichte verwantschapsonderzoek kunnen niet als bewijsmiddel worden gebruikt. De enkele omstandigheid dat er verwantschap is aangetoond tussen enkele schapen van aangevers en schapen die bij de verdachten zijn aangetroffen, betekent niet dat laatstgenoemde schapen van diefstal afkomstig zijn. Ten aanzien van de verschillende zaaksdossiers heeft de verdediging aangevoerd dat deze verwantschap ook op een andere manier kan worden verklaard, zoals door het uitlenen van fokrammen door de maatschap van verdachte en zijn broer aan andere schapenhouders. Volgens de verdediging zouden de nakomelingen van deze uitgeleende fokrammen bijvoorbeeld aangekocht kunnen zijn door de aangevers en zouden deze nakomelingen opnieuw voor nakomelingen hebben gezorgd op de bedrijven van aangevers waardoor er dus verwantschap is tussen zowel de fokrammen van de verdachten en de in beslag genomen schapen als de fokrammen van de aangevers en deze in beslag genomen schapen.

Ten aanzien van zaaksdossier 3 heeft de verdediging in het bijzonder naar voren gebracht dat het schaap dat in aanmerking zou komen voor het moederschap van een lam dat nog aanwezig was op het bedrijf van aangever [benadeelde 7] eigendom was van de maatschap van verdachte en zijn broer en dus niet bij [benadeelde 7] gestolen kan zijn.

Ten aanzien van zaaksdossier 5 is door de verdediging betoogd dat er alleen verwantschap is aangetoond tussen schapen van aangever [benadeelde 10] en nakomelingen die onder de medeverdachte [medeverdachte 2] in beslag zijn genomen. De link met verdachte en zijn broer ontbreekt.

De verdediging heeft verzocht om, in het geval het hof de uitkomst van de verrichte verwantschapsonderzoeken wel redengevend acht voor de bewezenverklaring, de aanvoerlijsten van de schapen van de aangevers [benadeelde 1] , [benadeelde 3] , [benadeelde 6] , [benadeelde 7] en [benadeelde 10] waarvan verwantschap is vastgesteld met de in beslag genomen schapen aan het dossier toe te voegen. Uit die lijsten blijkt immers hoe de desbetreffende schapen op de bedrijven van de genoemde aangevers terecht zijn gekomen en daaruit zou ook afgeleid kunnen worden dat de aangetoonde verwantschap op een andere wijze kan worden verklaard dan door de tenlastegelegde diefstal.

Over het nadere onderzoek naar de mogelijke vormen van verwantschap tussen de schapen door de raadsheer-commissaris heeft de verdediging het volgende naar voren gebracht.

In de eerste plaats zou verbalisant [verbalisant 1] een ernstige inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan, nu deze verbalisant zelfstandig nogmaals enkele getuigen heeft gehoord buiten medeweten van de verdediging om. Als gevolg daarvan dienen de door dit onderzoek van [verbalisant 1] verkregen verklaringen van het bewijs te worden uitgesloten.

Verder heeft de verdediging aangevoerd dat de stelling van de zijde van verdachte dat ten aanzien van sommige vastgestelde ouder-kindrelaties in werkelijkheid sprake is van een grootouder in plaats van een ouder niet is betrokken in het nadere NFI-rapport van 24 oktober 2019. De resultaten van het nadere onderzoek door het NFI geven geen antwoord op de vraag of de verwantschap zoals deze is vastgesteld op andere wijze kan zijn ontstaan dan via een ouder-kindrelatie. De door het NFI gemaakte kansberekening kan een bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten op basis van het verwantschapsonderzoek daarom niet dragen.

Ten aanzien van zaaksdossier 2 met betrekking tot de aangevers [benadeelde 4] en [benadeelde 5] heeft de verdediging naar voren gebracht dat het bewijs - afgezien van de aangiftes - uitsluitend bestaat uit de historische gegevens van de telefoons van de verschillende verdachten. Enkel deze gegevens zijn onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen voor wat betreft deze (onderdelen van de genoemde) zaaksdossiers, ook niet als gebruik wordt gemaakt van schakelbewijs.

In het algemeen heeft de verdediging over de historische verkeersgegevens van de telefoons van de verdachten het volgende opgemerkt. Weliswaar hebben hun telefoons op verschillende momenten in de tenlastegelegde periode in de nachtelijke uren zendmasten aangestraald in de omgeving van de plaatsen waar de tenlastegelegde diefstallen hebben plaatsgevonden, maar dat komt omdat verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 1] zich in die periode ’s nachts intensief bezig hielden met het stropen van vis. Omdat dit strafbaar is, hebben zij hier eerder niet over verklaard. Gelet op het voorgaande zijn de historische verkeersgegevens niet redengevend voor het bewijs.

Ook de herkenningen van de voertuigen van de verdachten op de camerabeelden door verschillende getuigen zijn volgens de verdediging niet redengevend voor de bewezenverklaring. Indien deze herkenningen wel valide zouden zijn, heeft de verdediging nog opgemerkt dat verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 1] hun veekar ook wel eens uitleenden. Daarbij komt dat de historische telefoongegevens van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in tegenspraak zijn met de herkenning van hun voertuigen op de camera van aangever [benadeelde 6] .

Verder heeft de verdediging de getuigenverklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] op verschillende gronden betwist.

Gelet op al het voorgaande dient verdachte van beide tenlastegelegde feiten te worden vrijgesproken.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat de namens verdachte gevoerde verweren strekkende tot vrijspraak van de tenlastegelegde feiten worden weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof zal eerst aandacht besteden aan het verrichte verwantschapsonderzoek en ingaan op de vraag of de resultaten van dit onderzoek voor het bewijs gebruikt kunnen worden. Daarna zal het hof de bewijsmiddelen bespreken.

Het verwantschapsonderzoek

Door het [laboratorium] is een verwantschapsonderzoek verricht bij verschillende in beslag genomen schapen en schapen van aangevers. Hieruit is - kort gezegd - naar voren gekomen dat er verschillende ouder-kindrelaties zijn vastgesteld tussen schapen die onder één (of meer) van de verdachten in beslag zijn genomen en enkele schapen die na de schapendiefstallen nog aanwezig waren op de bedrijven van aangevers.

Zoals hierboven al is aangegeven, heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de resultaten van het verrichte verwantschapsonderzoek niet tot het bewijs kunnen worden gebruikt. Daartoe is aangevoerd dat deze aangetoonde verwantschap ook op andere manieren dan door diefstal kan worden verklaard, bijvoorbeeld door het uitlenen van fokrammen door verdachte en zijn broer aan andere schapenhouders. Er is dan sprake van een grootouder-kleinkindrelatie in plaats van een ouder-kindrelatie tussen de schapen waarbij verwantschap is aangetoond.

In hoger beroep is in opdracht van het hof door het NFI, door [naam] , nader onderzoek gedaan naar de juistheid van deze stelling. In het op 24 oktober 2019 opgemaakte NFI-rapport is ten aanzien van vier door het [laboratorium] gerapporteerde verwantschappen (drie vastgestelde vader-kindrelaties en één vastgestelde moeder-kindrelatie) de specifieke kans-verhouding bepaald. Deze vier verwantschappen zijn vervolgens gezamenlijk beschouwd om als een steekproef te dienen voor alle door het [laboratorium] vastgestelde verwantschappen. Hiermee is de kans bepaald op deze resultaten onder de aanname dat het ouder-kindrelaties betreffen ten opzichte van grootouder-kleinkindrelaties.

In voornoemd NFI-rapport wordt in de eerste plaats geconcludeerd dat de door het [laboratorium] gebruikte methode geschikt is voor het gestelde doel, te weten verwantschapsanalyse bij schapen.

Daarnaast worden in dit rapport de volgende conclusies getrokken:

- de verkregen DNA-profielen zijn afzonderlijk waarschijnlijker wanneer het een ouder-kindrelatie betreft dan wanneer het een grootouder-kleinkindrelatie betreft;

- wanneer de vier hiervoor genoemde door het [laboratorium] gerapporteerde verwantschappen als één steekproef worden beschouwd, is de kans op het verkrijgen van dit resultaat extreem veel waarschijnlijker wanneer het om ouder-kindrelaties gaat dan wanneer het om grootouder-kleinkindrelaties gaat.

Volgens de verdediging geeft het genoemde NFI-rapport geen antwoord op de vraag of de verwantschap zoals deze is vastgesteld op andere wijzen kan zijn ontstaan dan via een ouder-kindrelatie en kan de door het NFI gemaakte kansberekening een bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten op basis van het verrichte verwantschapsonderzoek niet dragen. In de eerste plaats merkt het hof hierover op dat het NFI niet is gevraagd om antwoord te geven op de vraag of de verwantschap zoals deze is vastgesteld op andere wijzen kan zijn ontstaan dan via een ouder-kindrelatie. Het NFI heeft beoordeeld wat de kans is dat alle door het [laboratorium] vastgestelde verwantschappen ouder-kindrelaties zijn ten opzichte van grootouder-kleinkindrelaties. Op grond van het NFI-rapport van [naam] en de door haar ter terechtzitting gegeven toelichting op dit rapport acht het hof vaststaan dat het ten aanzien van alle door het [laboratorium] gerapporteerde verwantschappen gaat om ouder-kindrelaties en niet om grootouder-kleinkindrelaties. Verder leidt het hof uit de bewijsmiddelen af dat de aangevers geen van hun schapen hebben afgevoerd naar de schapenhouderij van [medeverdachte 2] dan wel die van de maatschap [maatschap] en ook niet dat dit andersom wel het geval is geweest. Het hof volgt de verdediging dus niet in haar standpunt. Dat de specifieke vraag of de vastgestelde verwantschap op andere wijze kan zijn ontstaan dan via een ouder-kindrelatie niet door het NFI is beantwoord, doet aan al het voorgaande niet af.

De resultaten van het verwantschapsonderzoek zullen door het hof tot het bewijs worden gebruikt, zoals hierna zal worden verwoord. Het verweer wordt verworpen.

Voorwaardelijk verzoek (aanvoerlijsten schapen aangevers toevoegen aan dossier)

De verdediging heeft verzocht om de aanvoerlijsten van de schapen van de aangevers [benadeelde 1] , [benadeelde 3] , [benadeelde 6] , [benadeelde 7] en [benadeelde 10] - waarvan verwantschap is vastgesteld met de in beslag genomen schapen - aan het dossier toe te voegen indien het hof de resultaten van het verrichte verwantschapsonderzoek tot het bewijs wil gebruiken.

Zoals hiervoor is overwogen, zal het hof de resultaten van dit verwantschapsonderzoek tot het bewijs bezigen. Het hof dient daarom te beslissen op dit voorwaardelijk verzoek.

Het verzoek dient beoordeeld te worden aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium.

Het hof acht het niet noodzakelijk om deze aanvoerlijsten aan het dossier toe te voegen en wijst het verzoek daarom af. Zoals hiervoor overwogen, leidt het hof uit de bewijsmiddelen af dat de aangevers geen van hun schapen hebben afgevoerd naar de schapenhouderij van [medeverdachte 2] dan wel die van de maatschap [maatschap] of andersom. Mede gelet daarop acht het hof zich op dit punt voldoende voorgelicht en ingelicht. Het verzoek van de verdediging om de aanvoerlijsten aan het dossier toe te voegen, wordt daarom afgewezen.

Resultaten getuigenverhoren afgenomen door verbalisant [verbalisant 1] op 3 en 4 april 2019

De verdediging heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de processen-verbaal van de nadere door verbalisant [verbalisant 1] op 3 en 4 april 2019 afgenomen getuigenverhoren van het bewijs moeten worden uitgesloten. Het hof zal deze getuigenverklaringen niet tot het bewijs bezigen, zodat het verweer van de verdediging, wat daar verder ook van zij, op dit punt geen bespreking behoeft.

Algemeen

Het hof zal hierna eerst de bewijsmiddelen weergeven die van belang zijn voor alle zaaksdossiers. Vervolgens zal het hof specifiek per zaaksdossier de relevante bewijsmiddelen weergeven waarbij het hof ook zal ingaan op de overige door de verdediging gevoerde verweren en uiteindelijk zal het hof concluderen of de tenlastegelegde feiten al dan niet bewezen zijn.

Voor alle zaaksdossiers acht het hof het volgende van belang.

Verdachte en [medeverdachte 1] zijn beiden maat van de maatschap [maatschap] .

Verdachte heeft ten tijde van het tenlastegelegde gebruik gemaakt van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Niemand anders gebruikte zijn telefoon en hij had deze bijna altijd bij zich.

De medeverdachte [medeverdachte 1] heeft in de tenlastegelegde periode gebruik gemaakt van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] . In feite gebruikte niemand anders zijn telefoon. Hij probeerde om zijn telefoon altijd bij zich te hebben.

De medeverdachte [medeverdachte 2] heeft ten tijde van de tenlastegelegde feiten gebruik gemaakt van het telefoonnummer [telefoonnummer 3] . In de tijd dat hij op de vrachtwagen reed, gaf hij zijn telefoon incidenteel af aan een chauffeur. Op 23 oktober 2012 heeft [medeverdachte 2] verklaard dat hij al maanden geen nachtdienst meer heeft gedaan.

Het hof zal hierna per zaaksdossier de relevante bewijsmiddelen bespreken en waar nodig ingaan op specifieke verweren van de verdediging.

Zaaksdossier 1

[benadeelde 1] heeft aangifte gedaan van de diefstal van 189 schapen uit een weiland gelegen aan de Bergsche Maasdijk ter hoogte van Bern. Deze schapen hadden allemaal een klodder met rode verf op de schoft.

[benadeelde 2] heeft mede namens [benadeelde 3] aangifte gedaan van de diefstal van 54 schapen uit een wei aan de Weigraaf te Well.

Deze diefstallen zijn beide gepleegd in de nacht van 12 op 13 september 2012.

Van de verschillende verdachten zijn de historische telefoongegevens van hun telefoonnummers geanalyseerd. Daaruit is gebleken dat de telefoon van [medeverdachte 2] op 13 september 2012 omstreeks 02.07.53 uur via een zendmast te Echteld contact heeft gehad met de telefoon van verdachte. In diezelfde nacht omstreeks 02.23.49 uur heeft de telefoon van verdachte via een zendmast te Hedel contact met de telefoon van [medeverdachte 2] via een zendmast in Velddriel. Omstreeks 02.36.33 en 03.03.18 uur diezelfde nacht heeft de telefoon van verdachte via een zendmast te Delwijnen contact met de telefoon van [medeverdachte 1] . Velddriel, Hedel en Delwijnen zijn locaties in de omgeving van Bern en Well, waar de tenlastegelegde schapendiefstallen hebben plaatsgevonden.

De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij in de periode van 13 tot 16 september 2012 verschillende keren werd gebeld door [medeverdachte 2] . De eerste keer belde hij op 14 september 2012. [getuige 1] heeft toen niet opgenomen. Op 15 september 2012 belde [medeverdachte 2] weer en vroeg hij of [getuige 1] schapen kon komen scheren. [medeverdachte 2] vertelde dat het om 140 schapen ging en dat het snel moest gebeuren. Op verzoek van [medeverdachte 2] heeft [getuige 1] op 21 september 2012 op het perceel van [medeverdachte 2] aan de [adres] te Opheusden 140 schapen geschoren. De wol van de schapen zat helemaal onder de stro. De schapen die [getuige 1] had geschoren, hadden allemaal roze verf op hun rug, ter hoogte van de schoft. Onder deze roze verf zat een rode verfstip. Die rode stip wordt door de eigenaar van het schaap geplaatst, aldus [getuige 1] . Na het scheren van de schapen heeft [medeverdachte 2] tijdens een autorit aan [getuige 1] verteld dat de schapen die hij geschoren had, waren gestolen in Ammerzoden. Het hof stelt vast dat Bern en Well, waar de schapen van [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] zijn gestolen, in de directe omgeving van Ammerzoden liggen. [getuige 1] heeft verder verklaard dat [medeverdachte 2] hem heeft verteld dat de oornummers van de schapen waren verwisseld. Na het scheren van de schapen zijn [getuige 1] en [medeverdachte 2] naar een locatie in de buurt van het industrieterrein in Dodewaard gereden. Daar stonden rammen die volgens [medeverdachte 2] ook waren gestolen. Verder heeft [medeverdachte 2] aan [getuige 1] verteld dat hij met zijn (het hof begrijpt:) kornuiten roze of blauwe verf op de schapen heeft aangebracht. Deze verf werd aangebracht om de merkstippen niet zichtbaar te maken.

De getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij samen met [getuige 1] aan de [adres] te Opheusden (het toenmalige adres van de medeverdachte [medeverdachte 2] ) op 21 september 2012 bijna 150 schapen heeft geschoren. De schapen waren bijna allemaal bespoten met rode verf en waren erg vies. De man, waarvoor geschoren moest worden, zei vreemde dingen. Zo gaf hij aan dat de schapen van de markt kwamen, maar dat kon volgens [getuige 2] niet kloppen omdat schapen die van de markt komen niet rechtstreeks aan een boer of handelaar verkocht mogen worden. [getuige 2] is ook nog gebeld door de hiervoor bedoelde man. De man belde hem met het telefoonnummer [telefoonnummer 3] . Hiervoor is vastgesteld dat dit het telefoonnummer van medeverdachte [medeverdachte 2] is. Tijdens het telefoongesprek dat plaatsvond, zei [medeverdachte 2] het volgende tegen [getuige 2] : “Ik wil van jou een bon hebben dat jij mij 150 schapen geleverd hebt.” Over de verf gaf [medeverdachte 2] aan dat hij twee jongens had die de schapen hadden behandeld.

De getuige [getuige 3] heeft verklaard dat zij op 13 september 2012 op een perceel aan de Nieuwendijk te Ochten was naast het perceel van [medeverdachte 1] . Het viel haar op dat er twee mannen en een kind liepen in die wei. Verder zag zij een grote groep schapen. Alle schapen waren voorzien van een roze of rode verfstreep en zij waren erg vies. [getuige 3] schatte dat het in totaal om zo’n 100 schapen ging. Verder heeft zij verklaard dat zij mogelijk de auto van de medeverdachte [medeverdachte 2] heeft herkend in de nabijheid van voornoemd perceel. Op 15 september 2012 waren alle schapen die in het weiland van [medeverdachte 1] stonden ineens verdwenen. [getuige 3] heeft verdachte hierover gebeld. Hij gaf aan dat de schapen er tijdelijk hadden gestaan omdat ze deze niet kwijt konden op de plaats waar ze naartoe moesten.

Door de verdediging is de inhoud van de getuigenverklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] betwist. Het hof ziet echter geen reden om aan de inhoud van deze verklaringen te twijfelen, te meer nu deze steun vinden in andere bewijsmiddelen.

De getuige [getuige 4] heeft op 30 september 2012 verklaard dat de medeverdachte [medeverdachte 2] altijd ongeveer 40 schapen in zijn bezit had, maar sinds een paar maanden ineens veel meer schapen had.

Op het perceel van de medeverdachte [medeverdachte 2] zijn op 27 september 2012 199 schapen in beslag genomen. Vanuit een weiland aan de Appelenburgseveldweg te Dodewaard zijn op 28 september 2012 vervolgens nog eens 113 schapen onder [medeverdachte 2] in beslag genomen. Een groot deel van deze schapen stond niet geregistreerd op zijn stallijst. Er stonden ook schapen in de voorraad vrije merken op de stallijst en een deel van de schapen stond geregistreerd op de stallijst van de maatschap van verdachte en [medeverdachte 1] . De in beslag genomen schapen zijn in bewaring gegeven bij een opslaghouder. De registratienummers van de in beslag genomen schapen staan vermeld op de aanvoerbonnen die zich in het dossier bevinden.

Er is een DNA-verwantschapsonderzoek verricht tussen enkele van de hiervoor genoemde onder [medeverdachte 2] in beslag genomen schapen en enkele schapen van de aangevers [benadeelde 1] en [benadeelde 3] . Het hof verwijst naar hetgeen hiervoor is overwogen.

De resultaten van dit onderzoek zijn als volgt:

- bij 9 schapen uit de groep van 113 schapen is er een mogelijke vader-kindrelatie vastgesteld met een dekram van aangever [benadeelde 1] ;

- bij 2 schapen uit de groep van 113 schapen is er een mogelijke vader-kindrelatie vastgesteld met een fokram van aangever [benadeelde 3] ;

- bij 1 schaap uit de groep van 199 schapen is er een mogelijke vader-kindrelatie vastgesteld met een fokram van aangever [benadeelde 3] .

Zaaksdossier 2

[benadeelde 4] , [benadeelde 5] en [benadeelde 6] hebben allemaal aangifte gedaan van de diefstal van schapen uit een weiland aan de oever van de Maas aan de Hooge Voort te Linden in Noord-Brabant. Van [benadeelde 4] zijn 28 schapen gestolen, van [benadeelde 5] 5 schapen en bij [benadeelde 6] ging het om 31 schapen.

Deze diefstallen zijn alle gepleegd in de nacht van 11 op 12 juli 2012.

Van de verschillende verdachten zijn de historische telefoongegevens van hun telefoonnummers geanalyseerd. Daaruit is gebleken dat de telefoon van [medeverdachte 2] op 12 juli 2012 omstreeks 00.03.46 uur via een zendmast te Veenendaal contact heeft gehad met de telefoon van verdachte. In diezelfde nacht omstreeks 00.07.22 uur heeft de telefoon van verdachte via een zendmast te Grave contact met de telefoon van [medeverdachte 1] .

Omstreeks 00.08.09 en 00.09.01 uur diezelfde nacht heeft de telefoon van [medeverdachte 1] via een zendmast te Dodewaard contact met de telefoon van verdachte. Omstreeks 02.35.51 uur heeft de telefoon van verdachte, via een zendmast te Heumen, contact met de telefoon van [medeverdachte 1] . Grave en Heumen zijn locaties in de omgeving van Linden, waar de tenlastegelegde schapendiefstallen hebben plaatsgevonden.

Daarnaast heeft verdachte op 11 juli 2012 aan [medeverdachte 2] een sms-bericht verstuurd met de tekst: “Hoe heet die plek.” [medeverdachte 2] antwoordde hierop (ook per sms): “Weet ik niet gewoon tussen afrit drie en vier. Beers.” Beers is een plaats in de omgeving van Cuijk en de hiervoor genoemde schapendiefstallen zijn gepleegd in Linden op een locatie gelegen tussen de afritten 3 en 4 van de A73. Verder heeft verdachte op 11 juli 2012 om 22:27:24 uur een sms-bericht gestuurd aan [medeverdachte 1] met de tekst: “Afrist onderaan links richting cuijk dan naar de mach weer links richting de havens die weg alsmaar volgen dan zie je mij heel eind verderop staan succes.” Op 12 juli 2012 om 01:15:01 uur heeft verdachte een sms-bericht ontvangen van [medeverdachte 1] met daarin de tekst: “Draai m in de wei!” Er moet twee uur worden opgeteld bij de hiervoor genoemde tijden van de verzonden sms-berichten om de daadwerkelijke tijd te krijgen.

De aangever [benadeelde 6] heeft een USB-stick met daarop camerabeelden aan de politie overhandigd. Verbalisant [verbalisant 2] heeft deze camerabeelden bekeken en daarop gezien dat op 12 juli 2012 om 00.43 uur een tractor met daaraan vast een grote gesloten veewagen en een witte/lichtkleurige bedrijfsauto met daar achter een kleine veewagen over de Havenlaan te Katwijk (Noord-Brabant) reed, in de richting van de Hooge Voort te Linden. Verder heeft deze verbalisant op de beelden gezien dat op 12 juli 2012 om 02.18 uur de eerder genoemde witte/lichtkleurige bedrijfsauto met de kleine veewagen in tegengestelde richting reed.

De getuige [getuige 4] heeft verklaard dat zij op deze camerabeelden de bedrijfsauto van haar zwager, de medeverdachte [medeverdachte 2] , heeft herkend. Verder herkende zij de tractor en de veewagens en wist ze dat deze toebehoorden aan de broers [verdachte + medeverdachte 1] . Bij de rechter-commissaris heeft [getuige 4] verklaard dat zij de auto van [medeverdachte 2] - onder meer - heeft herkend aan het verlengde model, een fabrieksfout en door de combinatie met de veewagen van de broers [verdachte + medeverdachte 1] met daarvoor de Fendt-tractor. Op die vee-aanhanger was een vrachtwagenklep gelast, aldus [getuige 4] .

De getuige [getuige 5] heeft verklaard dat hij de getoonde camerabeelden ook heeft gezien en dat hij daarop het busje van [medeverdachte 2] heeft herkend. Volgens [getuige 5] was de veewagen achter het busje ook van [medeverdachte 2] . De aanhangwagen op de beelden leek op de aanhangwagen van [medeverdachte 1] . Bij de rechter-commissaris heeft [getuige 5] verklaard dat hij de broers [verdachte + medeverdachte 1] kent omdat hij een paar jaar bij hen op de boerderij heeft gewerkt. Via deze broers kende hij [medeverdachte 2] ook. De aanhangwagen van de broers [verdachte + medeverdachte 1] was een zelfgemaakte aanhanger. Hij herkende deze op de beelden aan de beugels die over de bovenkant heen liepen, een hydraulische klep achterop en de dranghekken aan de zijkanten. [getuige 5] heeft zelf veel met deze aanhanger gewerkt.

Op het terrein van [medeverdachte 2] is een grijze Peugeot Expert aangetroffen en in beslag genomen en op het terrein van de maatschap [maatschap] een veetrailer. Deze veetrailer stond op naam van [medeverdachte 1] . Op het terrein van de maatschap [maatschap] zijn ook een tractor van het merk Fendt en een veetrailer aangetroffen. [medeverdachte 1] heeft verklaard gebruik te hebben gemaakt van deze tractor en ook van een veewagen voor achter deze tractor. Dat betrof een zelfbouwkar die verdachte heeft gebouwd.

De herkenningen van de voertuigen van de verdachten op de camerabeelden door de hiervoor genoemde getuigen zijn door de verdediging betwist. Het hof ziet echter geen reden om te twijfelen aan deze herkenningen, nu de getuigen de voertuigen aan de hand van specifieke kenmerken hebben herkend. Dat verdachte en [medeverdachte 1] hun veekar ook wel eens uitleenden, is niet aannemelijk geworden. Anders dan de verdediging heeft betoogd, zijn de historische telefoongegevens van de medeverdachte [medeverdachte 1] daarnaast niet in tegenspraak met de herkenning van de voertuigen op de camera van aangever [benadeelde 6] . Integendeel: de tijdstippen waarop de voertuigen zijn waargenomen op de camerabeelden kunnen passen binnen de tijden waarin de telefoon van de medeverdachte [medeverdachte 1] die bewuste nacht zendmasten heeft aangestraald. Dit geldt ook voor de medeverdachte [medeverdachte 2] , ondanks het feit dat zijn telefoon om 00.03.46 uur nog een zendmast in Veenendaal heeft aangestraald. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de tijdstippen op de camerabeelden en die van de historische telefoongegevens kunnen afwijken van de werkelijke tijd. Gelet op het voorgaande acht het hof de herkenning van de verschillende voertuigen van de verdachten op de camerabeelden door de genoemde getuigen betrouwbaar en zal deze tot het bewijs gebruiken.

In een weiland aan de Waalbandijk te Dodewaard zijn op 2 oktober 2012 42 schapen aangetroffen en in beslag genomen. Deze schapen stonden in de voorraad vrije merken op de stallijst van [medeverdachte 2] .

In een weiland aan de Waalbandijk te Kesteren zijn op 1 november 2012 100 schapen in beslag genomen onder verdachte en [medeverdachte 1] . Diezelfde dag zijn er 98 schapen onder hen in beslag genomen uit een weiland aan de Nieuwe Dijk te Kesteren.

Ook deze in beslag genomen schapen zijn in bewaring gegeven bij een opslaghouder. De registratienummers van de in beslag genomen schapen staan vermeld op de aanvoerbonnen die zich in het dossier bevinden.

Er is een DNA-verwantschapsonderzoek verricht tussen enkele van de hiervoor genoemde in beslag genomen schapen en enkele schapen van de aangever [benadeelde 6] . Het hof verwijst naar hetgeen hiervoor is overwogen.

De resultaten van dat onderzoek zijn als volgt:

- bij 1 schaap uit de groep van 42 schapen die stonden vermeld op de stallijst van [medeverdachte 2] is er een mogelijke moeder-kindrelatie vastgesteld met 2 lammeren van aangever [benadeelde 6] ;

- bij 2 schapen uit de groep van 100 schapen is er een mogelijke ouder-kindrelatie vastgesteld met in totaal 3 lammeren van aangever [benadeelde 6] ;

- daarnaast zijn er nog enkele mogelijke ouder-kindrelaties vastgesteld tussen de schapen uit de verschillende hiervoor genoemde in beslag genomen groepen.

Zaaksdossier 3

[benadeelde 7] heeft aangifte gedaan van de diefstal van 40 schapen uit een weiland aan de Lekdijk Oost te Nieuwegein. Deze diefstal is gepleegd in de nacht van 10 op 11 juli 2012.

Van de verschillende verdachten zijn de historische telefoongegevens van hun telefoonnummers geanalyseerd. Daaruit is gebleken dat de telefoons van de verschillende verdachten op 11 juli 2012 op de tijdstippen 00.18.40, 00.34.58, 00.35.40, 00.47.09, 01.37.14 en 01.41.30 uur onderling contact hebben (er is zowel contact geweest tussen verdachte en [medeverdachte 1] als tussen verdachte en [medeverdachte 2] ). Daarbij zijn zendmasten aangestraald aan de Hagenweg te Vianen, de Vijfherenlanden te Vianen, de Rijksweg A27 te Nieuwegein en de Stationsweg te Maarn. Deze locaties zijn allemaal gelegen in de omgeving van de Lekdijk Oost te Nieuwegein, waar de hiervoor genoemde schapendiefstal heeft plaatsgevonden.

In een weiland aan de Waalbandijk te Kesteren zijn op 1 november 2012 100 schapen in beslag genomen onder verdachte en [medeverdachte 1] . Diezelfde dag zijn er 98 schapen onder hen in beslag genomen uit een weiland aan de Nieuwe Dijk te Kesteren.

Deze in beslag genomen schapen zijn in bewaring gegeven bij een opslaghouder. De registratienummers van de in beslag genomen schapen staan vermeld op de aanvoerbonnen die zich in het dossier bevinden.

Er is een DNA-verwantschapsonderzoek verricht tussen één van de hiervoor genoemde in beslag genomen schapen (te weten een fokooi) en een lam afkomstig van het bedrijf van de aangever [benadeelde 7] . Het hof verwijst naar hetgeen hiervoor is overwogen. Het resultaat van dat onderzoek is dat er een mogelijke ouder-kindrelatie is vastgesteld tussen het lam van [benadeelde 7] en het onder verdachte en [medeverdachte 1] in beslag genomen schaap.

Door de verdediging is betoogd dat dit in beslag genomen schaap van verdachte en [medeverdachte 1] is omdat dit schaap al sinds augustus 2010 op het bedrijf van de beide verdachten stond geregistreerd. Het hof gaat hier niet in mee, nu uit de bewijsmiddelen blijkt dat - zoals hierna nog zal volgen bij de bespreking van het onder 2 tenlastegelegde - de verdachten de oormerken van gestolen schapen hebben verwijderd en vervolgens nieuwe merken hebben aangebracht. Bovendien blijkt uit de bewijsmiddelen dat zij ook opzettelijk onjuiste meldingen hebben gedaan in het I&R-systeem en de stallijsten onjuist hebben ingevuld. Het feit dat de identificatiecode van het in beslag genomen schaap op de stallijst van de maatschap van verdachte en [medeverdachte 1] stond vermeld met de aanvoerdatum 13 augustus 2010 is naar het oordeel van het hof in de gegeven omstandigheden geen betrouwbaar gegeven. Daarbij komt dat aangever [benadeelde 7] de fokooi waar het hiervoor bedoelde verwantschapsonderzoek mee is verricht, heeft herkend als een van hem gestolen schaap. Verder is op geen enkele wijze aannemelijk geworden dat er sprake zou kunnen zijn van verwantschap tussen een lam van [benadeelde 7] en een fokooi van de verdachten, nu uit niets is gebleken dat een fokooi die van de verdachten zou zijn een lam kan hebben gekregen dat bij [benadeelde 7] op zijn bedrijf terecht is gekomen. Het hof gaat er daarom van uit dat de hiervoor bedoelde fokooi van [benadeelde 7] is gestolen en bezigt het hiervoor weergegeven resultaat van het verrichte verwantschapsonderzoek tot het bewijs.

Zaaksdossier 5

[benadeelde 10] heeft aangifte gedaan van de diefstal van 41 schapen uit een weiland aan de Kerkdijk te Erlecom. Deze diefstal is gepleegd tussen 26 september en 28 september 2012.

Op het perceel van de medeverdachte [medeverdachte 2] zijn op 27 september 2012 199 schapen in beslag genomen. Een deel van deze schapen stond niet geregistreerd op de stallijst van [medeverdachte 2] . Er stonden ook schapen in de voorraad vrije merken op de stallijst en een deel van de schapen stond geregistreerd op de stallijst van de maatschap van verdachte en [medeverdachte 1] . De in beslag genomen schapen zijn in bewaring gegeven bij een opslaghouder. De registratienummers van de in beslag genomen schapen staan vermeld op de aanvoerbonnen die zich in het dossier bevinden.

Er is een DNA-verwantschapsonderzoek verricht tussen enkele van de hiervoor genoemde onder [medeverdachte 2] in beslag genomen schapen en enkele schapen van aangever [benadeelde 10] .

De resultaten van dat onderzoek zijn als volgt:

- bij 1 schaap (een lam) uit de groep van 199 onder [medeverdachte 2] in beslag genomen schapen is er een mogelijke ouder-kindrelatie vastgesteld met een dekram van aangever [benadeelde 10] ;

- bij 1 schaap (een lam) uit de groep van 199 onder [medeverdachte 2] in beslag genomen schapen is er een mogelijke vader-kindrelatie vastgesteld met een gereconstrueerd ram (het DNA-profiel van het vaderdier kon door het [laboratorium] worden gereconstrueerd aan de hand van 10 nakomelingen die nog aanwezig waren op het bedrijf van de aangever [benadeelde 10] ).

Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat de drie verdachten de gestolen schapen hebben verspreid over verschillende van hun weilanden. Daarbij komt dat, zoals hiervoor ook al is overwogen, is gebleken dat een deel van voornoemde onder [medeverdachte 2] in beslag genomen schapen stond geregistreerd op de stallijst van de maatschap van verdachte en [medeverdachte 1] . De omstandigheid dat de schapen waarbij verwantschap is aangetoond bij [medeverdachte 2] in beslag zijn genomen, staat aan een bewezenverklaring dus niet in de weg.

De verklaringen van de verdachte en zijn medeverdachten

Tegenover de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen staan de door de verschillende verdachten afgelegde verklaringen. De verdachten hebben wisselend verklaard over de tenlastegelegde feiten en op onderdelen worden hun verklaringen weersproken door de voorhanden bewijsmiddelen. Het hof zal hierna enkele voorbeelden hiervan noemen.

De medeverdachte [medeverdachte 2] heeft op 27 september 2012 verklaard dat het in beslag genomen vee (zaaksdossier 1) niet is gestolen en dat hij dit onder andere heeft gekocht van [medeverdachte 1] . Het dossier bevat geen enkel gegeven waaruit blijkt dat [medeverdachte 2] op enig moment schapen heeft gekocht van de broers [verdachte + medeverdachte 1] .

Op 24 oktober 2012 heeft [medeverdachte 2] - onder meer - verklaard dat hij op 17 september 2012 contact heeft gehad met [getuige 6] en dat hij van hem 250 schapen heeft gekocht, waarbij hij een openstaande schuld van € 10.000,00 van het aankoopbedrag heeft afgetrokken. [medeverdachte 2] heeft zijn vrouw gevraagd van de aankoop van deze schapen een bon te maken. Verder heeft [medeverdachte 2] verklaard dat verdachte bij de aankoop van de schapen van [getuige 6] aanwezig was. Na de levering van de schapen zou verdachte hebben gezegd dat deze geen goede nummers hadden. Samen met verdachte heeft [medeverdachte 2] daarom de oude nummers eruit gehaald en nieuwe nummers van hem en van [medeverdachte 1] erin gedaan.

Op 24 oktober 2012 heeft verdachte - onder meer - verklaard dat hij geen schapen heeft verkocht aan [medeverdachte 2] . De lammeren van de maatschap [maatschap] die bij [medeverdachte 2] stonden, zijn door verdachte gebracht. Van dit transport is geen vervoersdocument opgemaakt. Verdachte heeft verder verklaard dat hij samen met [medeverdachte 2] bij [getuige 6] in Didam is geweest en dat [medeverdachte 2] hier schapen heeft gekocht. Omdat deze schapen oude oormerken hadden, zijn zij omgenummerd. Bij dat omnummeren zijn zowel merken van [medeverdachte 2] als merken van de maatschap [maatschap] gebruikt.

De getuige [getuige 6] heeft op 18 oktober 2012 verklaard dat hij nooit schapen aan [medeverdachte 2] heeft verkocht en dat hij al vijf jaar geen contact meer met hem heeft. [getuige 6] herkende de door de vrouw van [medeverdachte 2] gemaakte bon met betrekking tot de verkoop van 250 schapen niet. Verder is uit de historische telefoongegevens niet gebleken dat er in de periode van 1 april 2012 tot 3 november 2012 contact is geweest tussen de telefoon van [getuige 6] en de telefoons van verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .

Uit het voorgaande concludeert het hof dat de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 2] over de aankoop van schapen van de maatschap [maatschap] in tegenspraak is met de verklaring van verdachte, die heeft verklaard nooit schapen aan [medeverdachte 2] te hebben verkocht. Verder bevat het dossier, zoals gezegd, geen enkel gegeven waaruit afgeleid kan worden dat de maatschap [maatschap] op enig moment schapen heeft verkocht aan [medeverdachte 2] .

Datzelfde geldt voor de verklaringen van [medeverdachte 2] en verdachte dat [medeverdachte 2] 250 schapen heeft gekocht van [getuige 6] . De verklaringen van de genoemde verdachten op dit punt worden uitdrukkelijk weersproken door [getuige 6] en vinden ook geen steun in de historische verkeersgegevens van hun telefoons. Gelet op al het voorgaande acht het hof de door de verdachte en [medeverdachte 2] afgelegde verklaringen voor de plotselinge aanwezigheid van een grote hoeveelheid schapen onder [medeverdachte 2] niet geloofwaardig. Bij dit al betrekt het hof ook de verklaring van de getuige [getuige 1] inhoudende dat [medeverdachte 2] hem heeft gezegd dat de schapen die [getuige 1] op 21 september 2012 had geschoren, waren gestolen.

Ter terechtzitting in eerste aanleg hebben alle verdachten zich beroepen op hun zwijgrecht.

Zij hebben - onder meer - niet willen verklaren over de omstandigheid dat hun telefoonnummers in de periodes waarin de diefstallen zijn gepleegd rondom de locaties van deze diefstallen verschillende zendmasten hebben aangestraald. Evenmin hebben zij een verklaring willen geven over de aard, de inhoud en de context van de hiervoor bedoelde onderlinge telefooncontacten. Pas tijdens de behandeling van deze zaak in hoger beroep is door de verdediging aangevoerd dat verdachte in de tenlastegelegde periode vaak samen met [medeverdachte 1] ging stropen op vis en dat zij dit ’s nachts deden. Het hof acht dit niet aannemelijk geworden, gelet op het zeer late stadium waarin de verdachten [medeverdachte 1] met deze verklaring zijn gekomen en de omstandigheid dat de verdediging op geen enkele wijze iets heeft aangedragen op grond waarvan aannemelijk is geworden dat verdachte en [medeverdachte 1] (toevalligerwijs telkens in de buurt van de tenlastegelegde schapendiefstallen zouden hebben gedaan rond de tijdstippen dat deze werden gepleegd) daadwerkelijk op vis hebben gestroopt.

Conclusie ten aanzien van feit 1 per zaaksdossier

Waar het hof tot een bewezenverklaring komt, zullen de bewijsmiddelen in geval van cassatie in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Zaaksdossier 1

Het hof acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting bewezen dat verdachte zich samen met zijn medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] heeft schuldig gemaakt aan de schapendiefstallen bij [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en [benadeelde 3] .

Daarbij acht het hof in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden, die volgen uit de bewijsmiddelen, van belang:

- ongeveer twee weken - dat wil zeggen: betrekkelijk korte tijd - na de hiervoor genoemde schapendiefstallen is een grote groep schapen aangetroffen in verschillende weilanden van de verschillende verdachten;

- deze schapen stonden deels op een stallijst van [medeverdachte 2] en deels op een stallijst van de maatschap [maatschap] geregistreerd (al dan niet op een vrij merk);

- bij in totaal 12 van de bij verdachten aangetroffen schapen is een vader-kindrelatie vastgesteld met een ram dat na de diefstallen nog aanwezig was bij één van de aangevers, waarbij het hof verwijst naar de conclusie die het hof heeft getrokken uit het NFI-rapport van [naam] van 24 oktober 2019 in samenhang bezien met de overige bewijsmiddelen;

- de telefoons van verdachte en [medeverdachte 2] hebben in de nacht van voornoemde schapendiefstallen op ongebruikelijke tijdstippen verschillende zendmasten aangestraald in de omgeving waar de diefstallen hebben plaatsgevonden. Daarnaast heeft verdachte in de nacht van deze diefstallen ook telefonisch contact gehad met [medeverdachte 1] ;

- de getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij op 21 september 2012, ongeveer een week na de diefstallen, 140 schapen moest scheren van [medeverdachte 2] . De schapen hadden allemaal een rode verfstip op hun rug (ter hoogte van de schoft) en [medeverdachte 2] heeft hem verteld dat de schapen waren gestolen. Uit de verklaring van de aangever [benadeelde 1] blijkt dat de van hem gestolen schapen allemaal een klodder met rode verf op de schoft hadden;

- de getuige [getuige 2] heeft verklaard dat [medeverdachte 2] betrekkelijk kort na voornoemde diefstallen een bon van hem wilde hebben waarop moest staan dat [getuige 2] hem 150 schapen zou hebben geleverd;

- de getuige [getuige 3] heeft verklaard dat zij op 13 september 2012 (het hof begrijpt: de dag na de schapendiefstallen) op een perceel naast dat van [medeverdachte 1] een grote groep schapen zag. Die schapen waren voorzien van een roze of rode verfstreep.

Het hof acht op grond van de bewijsmiddelen voor het voorgaande en de omstandigheid dat de verdachten wisselend hebben verklaard niet aannemelijk dat de gevonden verwantschappen het gevolg zijn van het “uitlenen” van fokrammen of een andere door verdachte opgegeven verklaring.

Daarnaast acht het hof het op grond van de bewijsmiddelen voor het voorgaande niet aannemelijk dat er een andere verklaring is voor de aanwezigheid van de verdachten in de omgeving van de plaatsen van de delicten (bijvoorbeeld stropen van vis) dan betrokkenheid bij de schapendiefstallen.

Zaaksdossier 2

Het hof acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting bewezen dat verdachte zich samen met zijn medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] heeft schuldig gemaakt aan de schapendiefstallen bij [benadeelde 4] , [benadeelde 5] en [benadeelde 6] .

Daarbij acht het hof in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden, die volgen uit de bewijsmiddelen, van belang:

- bij in totaal drie van de bij verdachten na voornoemde schapendiefstallen aangetroffen schapen is een ouder-kindrelatie vastgesteld met enkele lammeren die na de diefstallen nog aanwezig waren bij aangever [benadeelde 6] . Eén van deze drie schapen is onder [medeverdachte 2] in beslag genomen in één van zijn weilanden en stond vermeld in de voorraad vrije merken op zijn stallijst en de andere twee schapen zijn in beslag genomen onder verdachte en [medeverdachte 1] in één van hun weilanden. Het hof verwijst naar de conclusie die het hof heeft getrokken uit het NFI-rapport van [naam] van 24 oktober 2019 in samenhang bezien met de overige bewijsmiddelen;

- de telefoons van de drie verdachten hebben in de nacht van voornoemde schapendiefstallen op ongebruikelijke tijdstippen verschillende zendmasten aangestraald in de omgeving waar de diefstallen hebben plaatsgevonden. Ook hebben zij in de nacht van de diefstallen sms-berichten naar elkaar gestuurd waaruit hun betrokkenheid bij deze diefstallen kan worden afgeleid;

- op camerabeelden van aangever [benadeelde 6] van de nacht van voornoemde schapendiefstallen zijn de voertuigen van de verschillende verdachten door getuigen aan de hand van zeer specifieke kenmerken herkend. Op deze beelden is te zien dat deze voertuigen in de richting van de locatie reden waar de diefstallen zijn gepleegd.

Door de verdediging is betoogd dat er onvoldoende bewijs is om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van de schapendiefstallen bij de aangevers [benadeelde 4] en [benadeelde 5] omdat het bewijs ten aanzien van deze diefstallen alleen zou bestaan uit hun aangiftes en de historische gegevens van de telefoons van de verdachten. Het hof overweegt in dit verband dat de schapendiefstallen bij [benadeelde 4] , [benadeelde 5] en [benadeelde 6] allemaal hebben plaatsgevonden in een weiland aan de oever van de Maas aan de Hooge Voort te Linden (Noord-Brabant). Dat betekent dat de herkenningen van de voertuigen van de verdachten op de camerabeelden van aangever [benadeelde 6] , waarop te zien is dat deze voertuigen in de richting van Linden rijden, ook gebruikt kunnen worden tot het bewijs bij de schapendiefstallen van [benadeelde 4] en [benadeelde 5] . Daarnaast heeft het hof, zoals blijkt uit het voorgaande, ook nog andere feiten en omstandigheden betrokken bij zijn oordeel om de hiervoor genoemde schapendiefstallen bewezen te achten.

Het hof acht voorts op grond van de bewijsmiddelen voor het voorgaande en de omstandigheid dat de verdachten wisselend hebben verklaard niet aannemelijk dat de gevonden verwantschappen het gevolg zijn van het “uitlenen” van fokrammen of een andere door verdachte opgegeven verklaring.

Daarnaast acht het hof het op grond van de bewijsmiddelen voor het voorgaande niet aannemelijk dat er een andere verklaring is voor de aanwezigheid van de verdachten in de omgeving van de plaatsen van de delicten (bijvoorbeeld stropen van vis) dan betrokkenheid bij de schapendiefstallen.

Zaaksdossier 3

Het hof acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting bewezen dat verdachte zich samen met zijn medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] heeft schuldig gemaakt aan de schapendiefstal bij [benadeelde 7] .

Daarbij acht het hof in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden, die volgen uit de bewijsmiddelen, van belang:

- bij één schaap dat na de schapendiefstal bij [benadeelde 7] is aangetroffen in een weiland van verdachte en [medeverdachte 1] is een ouder-kindrelatie vastgesteld met een lam dat na deze diefstal nog aanwezig was bij aangever [benadeelde 7] , waarbij het hof verwijst naar de conclusie die het hof heeft getrokken uit het NFI-rapport van [naam] van 24 oktober 2019 in samenhang bezien met de overige bewijsmiddelen;

- de telefoons van de drie verdachten hebben in de nacht van voornoemde schapendiefstal op ongebruikelijke tijdstippen verschillende zendmasten aangestraald in de omgeving waar de diefstal heeft plaatsgevonden.

Het hof acht op grond van de bewijsmiddelen voor het voorgaande en de omstandigheid dat de verdachten wisselend hebben verklaard niet aannemelijk dat de gevonden verwantschap het gevolg is van het “uitlenen” van fokrammen of een andere door verdachte opgegeven verklaring.

Daarnaast acht het hof het op grond van de bewijsmiddelen voor het voorgaande niet aannemelijk dat er een andere verklaring is voor de aanwezigheid van de verdachten in de omgeving van de plaats van het delict (bijvoorbeeld stropen van vis) dan betrokkenheid bij de schapendiefstal.

Zaaksdossier 5

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting acht het hof bewezen dat verdachte zich samen met zijn medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] heeft schuldig gemaakt aan de schapendiefstal bij [benadeelde 10] .

Daarbij acht het hof in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden, die volgen uit de bewijsmiddelen, van belang:

- op 27 september 2012 zijn 199 schapen in beslag genomen in een weiland van [medeverdachte 2] , dat wil zeggen kort na de schapendiefstal bij [benadeelde 10] . Een deel van deze schapen stond niet geregistreerd op zijn stallijst, een ander deel stond in de voorraad vrije merken op deze lijst en weer een ander deel stond geregistreerd op de stallijst van de maatschap [maatschap] ;

- bij in totaal 2 van deze 199 schapen, die - zo concludeert het hof - een dag na de voornoemde schapendiefstal zijn aangetroffen, is een ouder-kindrelatie vastgesteld met een schaap dat na de diefstal nog aanwezig was bij aangever [benadeelde 10] dan wel met een gereconstrueerd ram, waarbij het hof verwijst naar de conclusie die het hof heeft getrokken uit het NFI-rapport van [naam] van 24 oktober 2019 in samenhang bezien met de overige bewijsmiddelen;

- de verdachte was bij de in het voorgaande bewezen verklaarde strafbare feiten betrokken terwijl de wijze waarop het onderhavige feit is begaan daarmee op essentiële punten overeenkomt.

Het hof acht op grond van de bewijsmiddelen voor het voorgaande en de omstandigheid dat de verdachten wisselend hebben verklaard niet aannemelijk dat de gevonden verwantschappen het gevolg zijn van het “uitlenen” van fokrammen of een andere door verdachte opgegeven verklaring.

Feit 2

Verdachte heeft samen met de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] schapen onder zich gehad die van diefstal afkomstig waren. Op grond van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat verdachte en [medeverdachte 2] de oormerken van de gestolen schapen hebben verwijderd en dat zij nieuwe merken hebben aangebracht. Uit een op 29 oktober 2012 getapt telefoongesprek tussen [medeverdachte 1] en een derde blijkt dat ook [medeverdachte 1] hieraan heeft meegedaan. Verder blijkt uit de bewijsmiddelen dat de gestolen schapen wisselende oormerken van (het bedrijf van de gebroeders) [medeverdachte 1] dan wel [medeverdachte 2] hebben gekregen, waarbij ook gebruik is gemaakt van vrije merken. Na onderzoek door de NVWA is bovendien gebleken dat bij verschillende schapen kennisgevingen in het I&R-systeem niet, onjuist dan wel te laat zijn gedaan.

Reeds door het omnummeren van de schapen en door deze vervolgens in het I&R-systeem aan te melden, is opzettelijk gehandeld in strijd met de strekking van de Regeling identificatie en registratie van dieren, dan wel het I&R-systeem. Het hof is - met de rechtbank - van oordeel dat de verdachten door het omnummeren van de door hen gestolen schapen en door vervolgens de nieuwe nummers op de verschillende stallijsten en in het I&R-systeem aan te melden en door van het vervoer geen aanvoerbonnen op te maken de herkomst van die schapen hebben verhuld. Ook het vermengen van de verschillende gestolen schapen met andere schapen en het verspreiden van deze schapen over verschillende weilanden van de verdachten merkt het hof aan als handelingen die zijn gericht op het verhullen van de werkelijke herkomst van deze schapen. Dit zelfde geldt voor het onherkenbaar willen maken van de schapen door roze verf aan te brengen over de rode verfstip van (enkele) gestolen schapen.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat verdachte zich samen met zijn medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] heeft schuldig gemaakt aan witwassen zoals onder 2 ten laste is gelegd.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1 primair:
hij op één of meertijdstippeninofomstreeksdeperiodevan11juli2012totenmet27september2012

te Bern en/of Well (buitengebied Ammerzoden) en/of Linden (Noord-Brabant) en/of Nieuwegein en/of Lopik en/of Erlecom en/of andere plaatsen in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

steeds met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

een of meerdere schapen, die zich ten tijde van de diefstal(len) in de weide bevonden,

welke schapen toebehoorden aan:

- [benadeelde 1] (zaaksdossier 1, 189 schapen) en/of

- [benadeelde 2] / [benadeelde 3] (zaaksdossier 1, 54 schapen) en/of

- [benadeelde 4] (zaaksdossier 2, 28 schapen) en/of

- [benadeelde 5] (zaaksdossier 2, 5 schapen) en/of

- [benadeelde 6] (zaaksdossier 2, 31 schapen) en/of

- [benadeelde 7] (zaaksdossier 3, 40 schapen) en/of

- [benadeelde 8] (zaaksdossier 4, 34 schapen) en/of

- [benadeelde 9] (zaaksdossier 4, 2 schapen) en/of

- [benadeelde 10] (zaaksdossier 5, 41 schapen)

en/of anderen, in ieder geval niet aan verdachte en/of zijn mededader(s);

2:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 juli 2012 tot en met 23 oktober 2012

te Opheusden en/of te Dodewaard en/of Kesteren, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

van (een) voorwerp(en), te weten (telkens) één of meerdere schapen,

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing heeft verborgen of verhuld,

dan wel heeft verborgen of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp is, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s):

- opzettelijk onjuiste meldingen gedaan in het zogenoemde I&R-systeem en/of opzettelijk de stallijsten onjuist ingevuld, onder meer door van misdrijf afkomstige schapen in het I&R-systeem te registreren als vrij merk en/of op de stallijsten deze schapen te noteren als vrij merk en/of

- de originele merken van de door misdrijf afkomstige schapen te verwijderen en deze schapen vervolgens fysiek te merken als vrij merk en/of

- de ingevolge regelgeving vereiste kennisgevingen voor aanvoer, vervoer en afvoer van schapen niet of te laat te verrichten,

terwijl hij wist dat dit/deze scha(a)p(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:

diefstal in vereniging van vee uit de weide, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft verdachte voor de onder 1 primair en 2 tenlastegelegde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden (met aftrek van voorarrest).

Ter terechtzitting van het hof van 16 november 2018 heeft de advocaat-generaal geëist dat verdachte voor de onder 1 primair en 2 tenlastegelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden (met aftrek van voorarrest). Ter zitting van 18 november 2020 heeft de advocaat-generaal gevorderd dat verdachte voor deze tenlastegelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 17 maanden (met aftrek van voorarrest).

De verdediging heeft het hof verzocht om een taakstraf en eventueel een voorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte op te leggen. In dit verband heeft de verdediging - onder meer - gewezen op de overschrijding van de redelijke termijn en het feit dat verdachte na deze zaak niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder en in het nadeel van verdachte in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden - de volgende omstandigheden.

Verdachte heeft zich samen met zijn broer [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] schuldig gemaakt aan grootschalige diefstal van schapen uit de weide. Op verschillende momenten in de periode van juli tot en met september 2012 zijn zij ’s nachts op pad gegaan om de weides van andere schapenhouders leeg te roven. De door de verdachten gepleegde diefstallen hebben onder meer geleid tot grote verontwaardiging en boosheid bij en overlast voor de betrokken schapenhouders. Mede omdat vee in de weide niet of nauwelijks goed tegen diefstal te beschermen is, hebben de verdachten met hun handelen grote gevoelens van onrust en onveiligheid veroorzaakt. Bovendien heeft het handelen van de verdachten een vertrouwensbreuk opgeleverd binnen de beroepsgroep van de schapenhouderij. Het hof acht de bewezenverklaarde schapendiefstallen des te kwalijker nu verdachte en zijn medeverdachten zelf ook schapen houden en zij dus heel goed moeten hebben geweten wat die door hen gepleegde diefstallen voor de gedupeerden en voor de schapenhouders in het algemeen betekenden. Dit heeft hen er niet van weerhouden om door te gaan met het plegen van de diefstallen, zelfs niet nadat hun duidelijk moet zijn geweest hoeveel ellende en onrust dat allemaal teweeg bracht.

Na het plegen van de schapendiefstallen heeft verdachte zich met zijn medeverdachten bovendien schuldig gemaakt aan witwassen van gestolen schapen. Zij hebben de herkomst van de dieren verhuld door - onder meer - oormerken te vervangen en door het I&R-systeem te manipuleren. Dit terwijl dat systeem is opgezet om de herkomst van de schapen direct te kunnen vaststellen en daarmee te kunnen ingrijpen bij ziekten, opdat de volksgezondheid adequaat beschermd kan worden en daarnaast het vertrouwen van de consument in Nederlands schapenvlees blijft bestaan.

Het hof houdt bij de strafoplegging in het voordeel van verdachte rekening met het Uittreksel Justitiële Documentatie van 13 oktober 2020, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Verder houdt het hof in het voordeel van verdachte rekening met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Deze overschrijding dient bij de strafoplegging gecompenseerd te worden, nu deze niet volledig voor rekening van de verdediging komt. Zonder schending van de redelijke termijn zou het hof aan verdachte hebben opgelegd een gevangenisstraf van zeventien maanden. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn acht het hof in de gegeven omstandigheden de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijftien maanden (met aftrek van voorarrest) passend en geboden. Met name gelet op de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten ziet het hof, ondanks het tijdsverloop, geen aanleiding voor een andere strafmodaliteit dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Vorderingen van de benadeelde partijen

De volgende benadeelde partijen hebben zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:

  • -

    [benadeelde 8] en [benadeelde 11] ;

  • -

    [benadeelde 3] ;

  • -

    [benadeelde 10] ;

  • -

    [benadeelde 1] ;

  • -

    [benadeelde 6] en [benadeelde 12] ;

  • -

    [benadeelde 5] ;

  • -

    [benadeelde 7] en [benadeelde 13] ;

  • -

    [benadeelde 4] en [benadeelde 14]

De vorderingen van deze benadeelde partijen zijn bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partijen hebben zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van hun oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de hiervoor genoemde benadeelde partijen gedeeltelijk toegewezen kunnen worden.

De verdediging heeft primair betoogd dat het door ZLTO ingediende schaderapport niet gezien kan worden als een vordering tot schadevergoeding, nu dit rapport niet door een gemachtigde is ingediend. Dit betekent dat het hof alleen hoeft te beslissen op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5] , die een afzonderlijke vordering tot schadevergoeding heeft ingediend. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard moeten worden in hun vordering vanwege de bepleite vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde feit. Meer subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat de behandeling van de vorderingen van de benadeelde partijen een onevenredige belasting van het strafproces oplevert en dat zij om die reden niet-ontvankelijk verklaard moeten worden in hun vordering. Indien het hof ook hier niet in mee gaat, heeft de verdediging de verschillende opgevoerde schadeposten gemotiveerd betwist.

Het hof heeft geoordeeld dat verdachte niet schuldig is ten aanzien van het onder 1 primair, zevende en achtste gedachtestreepje tenlastegelegde waardoor de door de benadeelde partij [benadeelde 8] en [benadeelde 11] gestelde schade zou zijn veroorzaakt. Het hof zal deze benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot schadevergoeding. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Ten aanzien van de overige hiervoor genoemde benadeelde partijen overweegt het hof als volgt. Bij het indienen van de verschillende vorderingen is een uitvoerige en gedetailleerde rapportage door een deskundige van het ZLTO opgesteld ter onderbouwing van de diverse schadeposten (directe schade op basis van de bedrijfsspecifieke dierbalans, directe gevolgschade op basis van het bedrijfsspecifieke saldo en niet-bedrijfsspecifieke directe schade). Het hof begrijpt dat dit schaderapport dient te worden beschouwd als de vordering tot schadevergoeding van alle hiervoor genoemde benadeelde partijen. Het hof gaat ervan uit dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5] zoals deze in dit rapport staat beschreven zijn eerder ingediende vordering tot schadevergoeding vervangt.

Het door het ZLTO opgestelde schaderapport is inmiddels nader beoordeeld door [bedrijf] . Ondanks deze nadere beoordeling is het hof van oordeel dat de behandeling van de verschillende vorderingen tot schadevergoeding een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In dit verband overweegt het hof dat de verschillende opgevoerde schadeposten nog steeds veel onzekerheden en onduidelijkheden bevatten en bovendien gemotiveerd zijn betwist door de verdediging. Daarbij komt dat de gestolen schapen ook weer zijn teruggegeven aan de benadeelde partijen en dat het hof mede als gevolg daarvan niet in staat is om vast te stellen welke schade door welke benadeelde partij is geleden.

De benadeelde partijen kunnen daarom thans in hun vordering niet worden ontvangen en kunnen deze slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 47, 57, 310 en 311 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Wijst af het verzoek om de aanvoerlijsten van de schapen van de aangevers [benadeelde 1] , [benadeelde 3] , [benadeelde 6] , [benadeelde 7] en [benadeelde 10] aan het dossier toe te voegen.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vorderingen van de benadeelde partijen

Verklaart de benadeelde partijen [benadeelde 8] en [benadeelde 11] ,

[benadeelde 3] , [benadeelde 10] , [benadeelde 1] , [benadeelde 6] en [benadeelde 12] , [benadeelde 5] ,

[benadeelde 7] en [benadeelde 13] en [benadeelde 4] en [benadeelde 14] niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partijen hun vordering slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partijen gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. J.A.W. Lensing, voorzitter,

mr. W. Weerkamp en mr. A. van Waarden, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R. Jansen, griffier,

en op 16 december 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 16 december 2020.

Tegenwoordig:

mr. J.A.W. Lensing, voorzitter,

mr. J. van Spanje, advocaat-generaal,

mr. R. Jansen, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.