Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:10285

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-12-2020
Datum publicatie
10-12-2020
Zaaknummer
200.270.780/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering tot nakoming van overeenkomst tussen gewezen partners. Beroep van vrouw op dwaling en wilsgebreken onvoldoende onderbouwd, net als beroep op ontbinding overeenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.270.780/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 487733)

arrest in kort geding van 8 december 2020

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] ,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J.W.J. Hopmans, kantoorhoudend te Groesbeek,

en

[geïntimeerde] ,

wonende te [A] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. A.G. de Jong, kantoorhoudend te 's-Gravenhage.

Het hof neemt het tussenarrest van 25 februari 2020 hier over.

1 Het geding in hoger beroep

1.1

In genoemd tussenarrest is een comparitie van partijen gelast. Deze comparitie is niet doorgegaan.

1.2

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- de memorie van grieven;

- de memorie van antwoord met productie(s).

1.3

De vrouw vordert in hoger beroep het vonnis in kort geding van 6 november 2019 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vordering van de man alsnog af te wijzen en de man te veroordelen in de kosten van beide instanties.

1.4

De man verzoekt het hof het vonnis in kort geding van 6 november 2019 te bekrachtigen, zo nodig met verbetering van gronden, en de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties.

1.5

De man heeft arrest gevraagd en het hof heeft arrest bepaald op het door de man gefourneerde dossier.

1.6

Bij de memorie van antwoord heeft de man een nieuwe productie overgelegd, de notariële akte van 3 januari 2020, waarbij de woning waar het in deze procedure om gaat aan de man is geleverd. De vrouw heeft niet op deze nieuwe productie kunnen reageren. Omdat de vrouw daardoor niet in haar belangen wordt geschaad - zoals hierna zal blijken - zal het hof de productie toch in aanmerking nemen.

2 De vaststaande feiten en de procedure bij de rechtbank

2.1

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

2.2

De man en de vrouw hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en samengewoond.

2.3

Partijen hebben op 15 augustus 2017 gezamenlijk in eigendom verkregen de woning aan de [a-straat] 52 te [A] (verder ook te noemen: de woning).

2.4

De relatie tussen partijen is in het voorjaar van 2019 geëindigd. Voor de financiële afwikkeling van de relatie hebben tussen partijen op 1 en 3 juni 2019 besprekingen plaatsgevonden, waarbij de opa van de man, en diens vrouw, alsmede de ouders van de vrouw aanwezig waren.

2.5

Op 3 juni 2019 zijn partijen schriftelijk het volgende overeengekomen (hierna: de overeenkomst):

" - [geïntimeerde] [hof: de man] onderzoekt of hij de verplichtingen van het huis en hypotheek over kan nemen.
Binnen 10 werkdagen moet hier uitslag over zijn.

- Na regeling via de notaris heeft [appellante] [hof: de vrouw] recht op € 7.000,= vergoeding en levert ze de sleutels in.

- Na de overdracht bij de notaris vervallen alle claims over het huis en de inboedel.

- [appellante] verplicht zich tot het doorbetalen van de hypotheekkosten op basis van de afspraak 60% [geïntimeerde] , 40% [appellante] tot de nieuwe eigendomsrechten geregeld zijn.

- Medio juni draagt [appellante] er zorg voor om haar eigendommen op te halen.
Na het verwijderen van haar eigendommen, neemt [geïntimeerde] de verplichting over van de vaste lasten.

- [appellante] komt alleen nog onder begeleiding en met toestemming van [geïntimeerde] in het huis."

2.6

Nadat de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis de vrouw heeft veroordeeld
- kort gezegd - tot nakoming van de overeenkomst en aan deze veroordeling een dwangsom had verbonden, is de woning op 3 januari 2020 toegedeeld en geleverd aan de man, waarbij de man wegens overbedeling aan de vrouw heeft voldaan een bedrag van € 7.000,-.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep
Formeel


Belang van de vrouw bij het hoger beroep

3.1

Het hof is anders dan de man van oordeel dat de vrouw als de bij de voorzieningenrechter in het ongelijk gestelde partij een belang heeft bij het onderhavige hoger beroep. Weliswaar heeft de vrouw inmiddels uitvoering gegeven aan het (uitvoerbaar bij voorraad verklaarde) bestreden vonnis, en haar medewerking verleend aan de toedeling en levering van de woning aan de man, maar dat betekent niet dat zij geen belang kan hebben bij vernietiging van het bestreden vonnis. Als het vonnis vernietigd zou worden, staat daarmee vast dat de man de vrouw ten onrechte heeft gedwongen om op basis van dat vonnis de woning aan haar te leveren.


Spoedeisend belang

3.2

Het hof stelt voorop dat bij beantwoording van de vraag of een in kort geding verlangde voorziening, hetzij na toewijzing, hetzij na weigering daarvan, in hoger beroep voor toewijzing in aanmerking komt, zo nodig ambtshalve, mede dient te worden beoordeeld of de eisende partij ten tijde van het arrest van het hof bij die voorziening een spoedeisend belang heeft (HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3437). Verder geldt dat in hoger beroep niet beslissend is of in eerste aanleg al dan niet terecht een spoedeisend belang is aangenomen. Het gaat erom of ten tijde van de uitspraak in hoger beroep een spoedeisend belang aanwezig moet worden geacht (HR 30 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6341; HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4553).

3.3

De vrouw heeft in de eerste grief aangevoerd dat de man ten tijde van de beslissing van de voorzieningenrechter geen spoedeisend belang had bij een beslissing in kort geding. Zij voert daartoe aan dat niet aannemelijk is geworden dat de man na het verstrijken van de geldigheidsduur van zijn hypotheekofferte een minder gunstig hypotheekaanbod zou krijgen.

3.4

Het hof is van oordeel dat de man, hoewel de woning inmiddels aan hem is toegedeeld en geleverd, gelet op de aard van zijn vordering, die betrekking heeft op zijn woonruimte, nog steeds een spoedeisend belang heeft bij (bekrachtiging van de) toewijzing van zijn vordering tot nakoming door de vrouw van de tussen partijen op 3 juni 2019 gesloten overeenkomst.

3.5

De vrouw stelt zich in de eerste grief verder op het standpunt dat de zaak te complex was om door de voorzieningenrechter in kort geding te worden beslist en dat de man om die reden niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard in zijn vorderingen.

3.6

Naar het oordeel van het hof kan ook binnen het beperkte bestek van de behandeling in kort geding met de gestelde feiten en omstandigheden over en weer een voldoende afweging worden gemaakt over de vraag of de vordering in kort geding toewijsbaar is. Weliswaar leent het kort geding zich niet voor nadere bewijsvoering, maar op grond van de door partijen ingenomen stellingen en door hen ingediende stukken, is dit ook niet nodig. Dat het een verstrekkende vordering betreft en de Haviltex-norm moet worden gehanteerd, zoals de vrouw stelt, staat evenmin aan een beoordeling in kort geding in de weg.

Inhoudelijk

Ontbinding van de overeenkomst op grond van verzuim

3.7

De vrouw stelt zich allereerst op het standpunt dat zij de overeenkomst van
3 juni 2019 ontbonden heeft en dat zij reeds op grond daarvan niet tot nakoming van de overeenkomst gehouden is.

3.8

Uit artikel 6:265 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat voor zover nakoming niet tijdelijk of blijvend onmogelijk is de schuldeiser (in dit geval de vrouw) pas bevoegd is de overeenkomst te ontbinden op het moment dat de schuldenaar (in dit geval de man) in verzuim verkeert. Dat nakoming in dit geval tijdelijk of blijvend onmogelijk was, is gesteld noch gebleken.

3.9

De vrouw stelt dat de man in verzuim is geraakt doordat een voor de voldoening bepaalde termijn is verstreken zonder dat de verbintenis is nagekomen (artikel 6:83, aanhef en sub a BW). Dit volgt volgens de vrouw uit de in de overeenkomst opgenomen zin: " [geïntimeerde] onderzoekt of hij de verplichtingen van het huis en hypotheek over kan nemen. Binnen
10 werkdagen moet hier uitslag over zijn". Doordat de man niet binnen tien werkdagen uitsluitsel heeft gegeven over de vraag of hij de verplichtingen van het huis en hypotheek over kan nemen, is hij volgens de vrouw in verzuim geraakt en kon de overeenkomst worden ontbonden. Volgens de vrouw beoogden beide partijen om binnen een termijn van tien werkdagen definitief uitsluitsel te verkrijgen of de man de woning toegedeeld zou kunnen krijgen.

3.10

De man heeft gemotiveerd betwist dat sprake is van een fatale termijn in de zin van artikel 6:83 aanhef en onder a BW. De man stelt dat partijen hadden afgesproken dat hij binnen tien werkdagen zou aangeven of het de verwachting was dat hij een hypotheekofferte zou kunnen verkrijgen. Dat hij ook binnen tien werkdagen daadwerkelijk een hypotheekofferte zou moeten hebben verkregen, zijn partijen volgens de man niet overeengekomen. Het is volgens de man een feit van algemene bekendheid dat een zelfstandig ondernemer niet binnen tien werkdagen een offerte voor een hypotheek kan verkrijgen.

3.11

Partijen verschillen van mening over de uitleg van de hiervoor vermelde bepaling. Het gaat daarbij niet alleen om een zuiver taalkundige uitleg van de bepaling, maar om de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepaling mochten toekennen. De tekst van de bepaling wijst erop dat de daarin opgenomen termijn van tien werkdagen niet was bedoeld als uiterste termijn voor de man om de financiering rond te krijgen, maar als een termijn waarbinnen door de man zou worden onderzocht of een aanvullende financiering überhaupt tot de mogelijkheden zou behoren. Binnen die termijn moest hij de vrouw informeren over de uitkomst van dat onderzoek. De vrouw heeft niets aangevoerd waaruit volgt dat zij er, gelet op wat partijen hebben besproken, redelijkerwijs van uit mocht gaan dat de man ook binnen die periode van tien werkdagen definitief uitsluitsel zou moeten geven. Dat ligt, gezien de tijd die gemoeid is met het verkrijgen van financiering ook niet voor de hand. Onder deze omstandigheden is aannemelijk dat een eventuele bodemrechter de man zal volgen in diens uitleg van de bepaling.

3.12

De man heeft de vrouw op de hoogte gehouden van zijn inspanningen, zoals blijkt uit de door hem aan haar gestuurde WhatsApp-berichten. Uit de berichten van de man blijkt dat voor het aanvragen van een hypotheekofferte nadere stukken nodig waren. Daarmee heeft de man - in het licht van de uitleg die het hof aan de overeenkomst geeft - voldaan aan zowel de inspanningsverplichting (te onderzoeken of oversluiting van de hypotheek tot de mogelijkheden zou kunnen behoren) als aan de resultaatsverplichting ("Binnen 10 werkdagen moet hier uitslag over zijn"), die partijen op dit punt zijn overeengekomen.

3.13

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de vrouw niet aannemelijk heeft gemaakt dat de man in verzuim is geraakt. Dit betekent dat de tussen partijen gesloten overeenkomst niet rechtsgeldig kan zijn ontbonden en dat de stellingen die de vrouw daarover verder heeft ingenomen onbesproken kunnen blijven.

Vernietigbaarheid van de overeenkomst

* Het beroep op dwaling

3.14

De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overeenkomst tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en dat de overeenkomst om die reden vernietigbaar is.

3.15

De vrouw legt aan haar beroep op dwaling in de eerste plaats ten grondslag dat de man haar heeft willen doen geloven dat de waarde van de woning die partijen in hun onderhandeling tot uitgangspunt hebben genomen, te weten € 415.000,-, gebaseerd was op een taxatie door een makelaar, terwijl dat niet het geval is geweest. Verder stelt zij dat de man een onjuiste mededeling heeft gedaan over de hoogte van de resterende hypotheekschuld. Volgens de vrouw heeft de man een bedrag genoemd dat € 17.000,- hoger was dan het daadwerkelijke hypotheekbedrag. De vrouw stelt ten slotte dat zij er in de onderhandelingen van is uitgegaan dat de man een vordering zou hebben op de vrouw, maar dat van een dergelijke vordering geen sprake is geweest.

3.16

De man heeft tegen de stellingen van de vrouw ingebracht dat er een waardebepaling is uitgevoerd door een verkoopmakelaar. Volgens de man hebben partijen de woning vervolgens op basis van deze informatie in de onderhandelingen gewaardeerd op
€ 415.000,-. De man betwist verder dat hij onjuiste mededelingen heeft gedaan. Hij stelt bovendien dat de vrouw kon weten wat de hoogte was van de annuïtaire hypothecaire geldlening, nu zij medeschuldenaar was en eenvoudig kon inloggen op het digitale portaal van de hypotheekverstrekker. De man stelt ten slotte dat partijen in de onderhandelingen juist hebben geconstateerd dat hij meer te vorderen had van de vrouw dan het deel van de vrouw in de overwaarde van de woning, maar dat er niettemin voor is gekozen om een overbedelingsuitkering van de man aan de vrouw overeen te komen van € 7.000,-, om de vrouw in staat te stellen de kosten voor het betrekken van haar nieuwe woning te voldoen.

3.17

Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw de feiten die zij aan haar beroep op dwaling ten grondslag heeft gelegd, mede gezien de betwisting van de man, onvoldoende onderbouwd. De man heeft een door de makelaar ingevuld formulier van 2 april 2019 overgelegd, waaruit het hof afleidt dat deze de verkoopprijs heeft ingeschat op € 425.000,- en dat er zou mogen worden geboden vanaf € 400.000,-. De prijs waarvan partijen zijn uitgegaan valt binnen die marges. Met betrekking tot de hoogte van de hypotheekschuld geldt allereerst dat de man heeft bestreden onjuiste informatie te hebben verstrekt. De stellingen van de vrouw op dit punt zijn ook summier: zij heeft niet duidelijk gemaakt welk bedrag de man haar heeft doorgegeven en heeft niet toegelicht dat en waarom dit bedrag onjuist is. Bovendien valt niet in te zien waarom de vrouw als medeschuldenaar niet ook zelf onderzoek heeft gedaan naar gemakkelijk toegankelijk informatie over de hoogte van de hypotheekschuld. Ook ten aanzien van de door de man gestelde vorderingen had van de vrouw nader onderzoek mogen worden verwacht. Het hof wijst erop dat de vrouw in de procedure een overzicht van betalingen over en weer heeft overgelegd. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat de vrouw ten tijde van het sluiten van de overeenkomst niet beschikte over de in het overzicht vermelde informatie. De vrouw had zo nodig meer tijd kunnen nemen dan de tijd die nu was gelegen tussen het overleg van partijen op 1 juni 2019 en de ondertekening van de overeenkomst op 3 juni 2019. Gelet ook op de aard van de overeenkomst, waarbij partijen met elkaar een allesomvattende regeling hebben willen treffen over de diverse vermogensrechtelijke aspecten van de beëindiging van hun relatie, kan de vrouw zich naar voorlopig oordeel van het hof niet beroepen op een eventuele achteraf gebleken onduidelijkheid of onjuistheid in een onderdeel van die regeling. Voor zover de vrouw al heeft gedwaald moet die dwaling daarom voor haar rekening blijven.

3.18

Op grond van het vorenstaande is niet voldoende aannemelijk dat de bodemrechter een eventueel beroep op dwaling van de vrouw zal honoreren. In dit kort geding slaagt het beroep van de vrouw op dwaling daarom niet.

* Het beroep op bedreiging, misbruik van omstandigheden en misbruik van recht
3.19 De vrouw heeft zich tot slot op het standpunt gesteld dat de overeenkomst vernietigbaar is omdat deze tot stand is gekomen onder invloed van bedreiging en misbruik van omstandigheden (artikel 3:44 BW). Zij voert daartoe aan door de man onder druk te zijn gezet om de overeenkomst te ondertekenen, waarbij de man zelfs de werkgever van de vrouw zou hebben benaderd. De vrouw stelt dat na het verbreken van de relatie van partijen sprake is geweest van dreigementen en verbaal geweld van de man richting haar, en dat dit heeft gemaakt dat zij zich niet vrij voelde om ondertekening van de overeenkomst te weigeren.

3.20

De man stelt dat de beëindiging van de relatie gepaard is gegaan met emoties, maar betwist dat van bedreiging of emotionele druk sprake is geweest.

3.21

Naar voorlopig oordeel van het hof heeft de vrouw ook haar beroep op bedreiging en misbruik van omstandigheden in het licht van de gemotiveerde betwisting onvoldoende aannemelijk gemaakt. Uit de overgelegde WhatsApp-berichten tussen partijen in de periode na de overeenkomst valt dit zeker niet af te leiden. Daarbij acht het hof van groot belang dat partijen bij de besprekingen begin juni 2019 van beide zijden zijn vergezeld door familieleden.

3.22

Voor zover de vrouw nog een beroep heeft gedaan op misbruik van recht heeft zij daar geen feiten aan ten grondslag gelegd, zodat dit beroep faalt.

Conclusie

3.23

De slotsom is dat de grieven, waarin de hiervoor besproken verweren worden gevoerd, falen. Het hof zal het bestreden vonnis daarom bekrachtigen.


De proceskosten

3.24

Partijen hebben over en weer gevorderd de andere partij te veroordelen in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep. Het hof ziet daarvoor geen aanleiding, omdat partijen een affectieve relatie met elkaar hebben gehad en deze procedure daaruit voortvloeit. Het hof zal het bestreden vonnis daarom ook bekrachtigen voor zover daarbij de proceskosten zijn gecompenseerd en de proceskosten in hoger beroep aldus compenseren dat elk van partijen de eigen kosten draagt.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 6 november 2019;

compenseert de proceskosten van het geding in hoger beroep aldus dat elk van partijen de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. H. de Hek, E.B.E.M. Rikaart-Gerard en I.M. Dölle en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op
8 december 2020.