Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:10277

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-12-2020
Datum publicatie
10-12-2020
Zaaknummer
200.255.659/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid. Duitse vennootschap ( die nadien failliet gaat) sluit koopovereenkomst met Nederlandse vennootschap met betrekking tot een jacht. De Nederlandse vennootschap sluit daarvoor een geldlening bij een vennootschap, waarvan de bestuurder de vader is van de bestuurder van de kopende vennootschap. De koopprijs wordt gedeeltelijk betaald. De curator van de Duitse vennootschap spreekt de vennootschap van de vader en de vader en de zoon aan tot betaling/schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2021-0012
OR-Updates.nl 2021-0019
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.255.659/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/411559 / HL ZA 16-83)

arrest van 8 december 2020

in de zaak van

1 [appellant1] ,

wonende te [A] ,

hierna: [appellant1],

2. International Marine Investment (IMI) B.V.,

wonende te Soest,

hierna: IMI,

3. [appellant3] ,

wonende te [B] ,

hierna: [appellant3],

appellanten in het principaal hoger beroep,

geïntimeerden in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eisers in conventie en verweerders in reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten] c.s.,

advocaat: mr. L.T. Lonis, kantoorhoudend te Woudenberg,

tegen

Edgar E. Grönda q.q. (faillissementscurator van de rechtspersoon naar Duits recht Drettmann GmbH),

wonende te Bremen,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna: de curator,

advocaat: mr. D.F. Spoormans, kantoorhoudend te 's-Gravenhage.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 14 januari 2020 hier over. Het hof heeft in dat arrest een comparitie van partijen bepaald, die heeft plaatsgevonden op

14 september 2020. [appellanten] c.s. hebben in verband met de comparitie bij akte van

31 maart 2020 productie HB 9 aan het hof en aan de curator verstrekt. Van de comparitie van partijen is een proces-verbaal opgemaakt. Na afloop van de comparitie hebben partijen het hof gevraagd om arrest te wijzen. Mr. Spoormans en mr. Lonis hebben in een bijlage bij hun brieven van 12 oktober 2020 respectievelijk 19 oktober 2020 enkele wijzigingen in het proces-verbaal voorgesteld. De opmerkingen zijn inhoudelijk niet van belang voor de beslissing, zodat het hof aan de opmerkingen geen overwegingen zal wijden.

2 Waar gaat deze zaak over?

2.1

Sterk verkort weergegeven gaat deze zaak over het volgende. De vennootschap naar Duits recht Drettmann GmbH (in dit arrest verder te noemen: Drettmann) heeft in

februari 2008 aan Impex Marine Trading B.V., (hierna: Impex) - van welke vennootschap [appellant1] toen bestuurder was - een jacht verkocht voor een koopprijs

van € 1.333.000,-.Impex heeft de helft van de koopprijs (€ 666.500,-) aan Drettmann betaald met gelden afkomstig van IMI. [appellant3] is bestuurder van IMI. De andere helft van de kooprijs moest worden voldaan bij doorverkoop van het jacht. Drettmann heeft naar Duits recht een eigendomsvoorbehoud bedongen en een cessie bij voorbaat van de vordering die Impex zou krijgen op de koper van het jacht bij doorverkoop van het jacht. In 2009 heeft Impex de ontbinding van de koopovereenkomst met Drettmann ingeroepen. In augustus 2012 is door Impex ten behoeve van IMI een pandrecht op het jacht gevestigd en in september 2012 heeft Impex het jacht aan IMI ter beschikking gesteld. IMI heeft jacht in 2016 aan derden verkocht. IMI heeft de koopprijs die zij toen heeft ontvangen niet aan Impex of aan de curator van het inmiddels gefailleerde Drettmann betaald. De curator acht IMI en [appellanten] c.s. op verschillende gronden gehouden om het door Impex niet aan Drettmann betaalde deel van de koopprijs, eventueel als schadevergoeding, aan hem te voldoen. [appellanten] c.s. verweren zich daartegen.

2.2

Over de volgende feiten, die de achtergrond vormen voor dit geschil, bestaat tussen partijen geen verschil van mening. Het hof heeft bij de vaststelling van de feiten rekening gehouden met de opmerkingen die [appellanten] c.s. in hun grief I in hun hoger beroep en in randnummer 102 van hun memorie van grieven hebben gemaakt over de vaststelling van de feiten door de rechtbank.

2.3

Drettmann is een vennootschap naar Duits recht. Zij dreef een onderneming in de handel en reparatie van boten, waaronder plezierjachten. Zij trad ook op als bemiddelaar en makelaar in dergelijke jachten.

2.4

Impex was een door [appellant1] bestuurde vennootschap. Enig aandeelhouder was International Business Investments B.V. (hierna: IBI), waarvan [appellant1] eveneens bestuurder was.

2.5

IMI is een houdstermaatschappij zonder eigen bedrijfsactiviteiten. [appellant3] is enig aandeelhouder en bestuurder van IMI.

2.6

Drettmann heeft op 20 juni 2007 een overeenkomst (‘Sales Contract’) gesloten met de in Taiwan gevestigde vennootschap Vision Yachts Co. Ltd. (hierna te noemen: Vision) met betrekking tot een door Vision te bouwen jacht, volgens de specificaties en de prijs zoals in dat contract zijn bepaald.

2.7

Drettmann en Impex hebben een dealerovereenkomst (Sales Partner Contract) met elkaar gesloten, op grond waarvan Impex dealer werd voor plezierjachten van Drettmann in de Benelux. Drettmann en Impex hebben daarnaast een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot het door Vision te bouwen jacht (type Elegance 60 Flybridge, hierna: het jacht), met de bedoeling dat Impex dit jacht kon gebruiken als demonstratiemodel in verband met de verkoop van soortgelijke jachten aan derden. De koopprijs bedroeg, inclusief een handelaarskorting van 20%, € 1.333.000,- (exclusief btw). De koopovereenkomst is vastgelegd in een contract van 12 februari 2008 en de dealerovereenkomst in een contract van 13 februari 2008, met als ingangsdatum 12 december 2007.

2.8

Op de koopovereenkomst zijn de algemene voorwaarden van Drettmann van toepassing. In de algemene voorwaarden zijn in paragraaf VI bepalingen opgenomen over de rechten en verplichtingen van de koper bij gebreken (onder meer een klachttermijn en een recht op ontbinding). In artikel VIII.1 van de voorwaarden is een eigendomsvoorbehoud opgenomen en in artikel VIII.2 ‘Vorausabtretungsklausel’: die bepaling houdt naar Duits recht in een cessie bij voorbaat tot zekerheid aan de verkoper (Drettmann) van de aanspraken die de koper (Impex) krijgt op een derde indien hij de zaak waarop het eigendomsvoorbehoud rust aan een derde verkoopt en overdraagt. In artikel VIII.3 van de voorwaarden is bepaald dat de koper een incassobevoegdheid heeft gekregen van de verkoper om de vorderingen op die derde te incasseren, welke bevoegdheid kan worden ingetrokken. In artikel X van de algemene voorwaarden zijn bepalingen opgenomen over verjaring en in artikel XI.1 van die voorwaarden is bepaald dat Duits recht van toepassing is op de overeenkomst, met uitsluiting van het Weens Koopverdrag.

2.9

Impex heeft de helft van de koopprijs ( € 666.500,- ) aan Drettmann voldaan. De gelden daarvoor zijn afkomstig van IMI. In verband met die geldverstrekking zijn twee overeenkomsten van geldlening opgemaakt, te weten tussen IMI en IBI en tussen IBI en Impex. In de overeenkomsten van geldlening is vermeld dat deze onder meer de geldverstrekking op 20 januari 2008 voor het jacht betreft en dat deze is vastgelegd op

11 juni 2009. In de overeenkomsten is bepaald: ‘Als zekerheid voor al hetgeen schuldeiser te vorderen heeft van schuldenaar, wordt door schuldenaar aan schuldeiser in zekerheid gegeven, de Elegance 60 (…)’

2.10

Vision heeft het jacht op 7 maart 2008 in Taiwan vrijgegeven. Vision heeft vervolgens in opdracht van Drettmann, die dat op haar beurt met Impex was overeengekomen, het jacht laten vervoeren vanuit Taiwan naar Rotterdam; aanvankelijk was tussen Vision en Drettmann overeengekomen dat Drettmann zelf voor het vervoer naar Duitsland (Bremen) moest zorgen.Het jacht is op of omstreeks 7 april 2008 door Schenker Customs Agency (hierna te noemen: SCA) in opdracht van Impex in Rotterdam in ontvangst genomen. Het jacht is daarna op of omstreeks 15 april 2008 vervoerd naar en aangekomen op het bedrijf van Impex in Kerkdriel.

2.11

Op enig moment daarna heeft Impex van Vision een Bill of Sale (BoS) en een Builder’s Certification and first transfer of title’(BC) ontvangen. In de BoS staat Impex als koper (‘buyer’) van het jacht genoemd en Vision als verkoper (‘seller’). In de BC staat Impex vermeld als partij voor wie is gebouwd (‘for whom built’).

2.12

Bij e-mail van 24 april 2008 heeft [appellant1] aan Drettmann enige vragen gesteld naar aanleiding van de aflevering van het jacht en omtrent enige gebreken en ontbrekende onderdelen.

2.13

De Duitse advocaat van Impex (dr. S. Behrens) heeft, na eerdere brieven van

27 juli 2009, 18 en 29 augustus 2009 aan Drettmann, op 8 september 2009 namens Impex verklaard de koopovereenkomst met Drettmann te ontbinden (‘Rücktritt vom Kaufvertag’) en verzocht het betaalde deel van de koopprijs terug te betalen, waarna Drettmann het jacht bij Impex kon ophalen. Drettmann heeft dat niet gedaan. Het jacht is bij Impex gebleven.

2.14

Impex heeft vervolgens om een voorlopig deskundigenbericht (naar Duits recht: een ‘Beweissicherungsverfahren’) verzocht. Dat door een Landgericht in Bremen gehonoreerde verzoek heeft geleid tot twee deskundigenrapporten van [C] , van

4 juli 2010 en 3 september 2010.

2.15

Drettmann is op 1 september 2010 in staat van faillissement verklaard, met benoeming van de curator in zijn hoedanigheid.

2.16

De curator heeft op 22 maart 2012 aan dr. Behrens medegedeeld dat hij zich beroept op het eigendomsvoorbehoud van Drettmann op het jacht en op de cessie bij voorbaat. De curator heeft de aan Impex gegeven incassobevoegdheid ingetrokken en verzocht aan een koper van het jacht mede te delen dat de kooprijs aan de curator moet worden betaald. Impex heeft niet op die brief gereageerd. Vanwege geruchten dat Impex het jacht op de Russische markt te koop aanbood, heeft de curator die mededelingen aan Impex op 13 juli 2012 herhaald.

2.17

Op 13 september 2012 heeft Impex bij notariële akte een pandrecht gevestigd op het jacht ten behoeve van IMI tot zekerheid voor de verplichtingen van IBI jegens IMI uit hoofde van de geldleningsovereenkomst tussen IMI en IBI van 11 juni 2009.

2.18

Op 17 september 2012 hebben Impex en IBI door middel van een onderhandse akte hun vorderingen op de curator, onder meer voor zover die voortvloeien uit de koopovereenkomst van 12 februari 2008, gecedeerd aan [appellanten] c.s.

2.19

Op 20 september 2012 heeft Impex aan IMI een factuur verstrekt voor een bedrag van € 671.500,- (zonder btw), waarbij in de factuur is vermeld: ‘aan u geleverd’. In een door [appellant1] ondertekende kwitantie aan IMI van dezelfde datum staat vermeld: ‘Aan u geleverd en door u volledig betaald waarbij het economische en juridische eigendom per heden naar u is overgegaan (volgt beschrijving van het jacht).

2.20

IMI heeft het jacht op 11 oktober 2010 te boek laten stellen in het daartoe bestemde openbare register.

2.21

[appellant1] is op 11 oktober 2012 afgetreden als bestuurder van Impex en IBI. Beide vennootschappen zijn ontbonden door middel van ‘turbo-liquidatie’ en volgens de inschrijving in het handelsregister van de Kamer voor Koophandel met ingang van

29 oktober 2012 opgehouden te bestaan.

2.22

De curator heeft bij deurwaardersexploten van 9 oktober 2015 brieven doen

betekenen aan onder meer [appellant1] en [appellant3] waarin de verjaringstermijnen zijn gestuit ten aanzien van zijn aanspraken. Daarnaast zijn bij brief van 12 oktober 2015 aan

advocaat Behrens ook de vorderingen op IMI gestuit. [appellanten] c.s. hebben op die exploten en brief niet gereageerd.

2.23

De curator heeft na daartoe verkregen verlof op 4 februari 2016 conservatoir bewijsbeslag gelegd ten laste van [appellanten] c.s.

2.24

IMI heeft het jacht op 23 maart 2016 verkocht aan een derde voor € 535.000,-. De koopprijs is aan IMI betaald. IMI heeft de koopprijs niet afgedragen aan de curator.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg bij de rechtbank

3.1

De curator heeft [appellanten] c.s. gedagvaard en in een incident en in de hoofdzaak gevorderd inzage te mogen krijgen in de in bewijsbeslag genomen bescheiden. Gaandeweg die procedure heeft de curator die inzagevordering verminderd en zijn eis vermeerderd met vorderingen jegens [appellanten] c.s. die strekken tot schadevergoeding, aldus dat IMI primair
€ 671.500,- te vermeerderen met btw, subsidiair € 666.500,- aan de curator moet betalen en [appellanten] c.s. € 666.500,-, te vermeerderen met rente en te vermeerderen met € 42.620,90 als vergoeding voor buitengerechtelijke kosten, in verband met het bewijsbeslag. De curator heeft gevorderd [appellanten] c.s. in de proceskosten te veroordelen.

3.2

[appellanten] c.s. hebben tegenvorderingen ingesteld, te weten opheffing van de bewijsbeslagen en teruggave van de in beslag genomen bescheiden, op straffe van verbeurte van een dwangsom, met veroordeling van de curator in de proceskosten.

3.3

De rechtbank heeft na een aantal tussenvonnissen bij eindvonnis van

12 december 2018 in het incident de inzagevordering van de curator afgewezen en hem in dat incident in de proceskosten en de nakosten, met rente, van [appellanten] c.s. veroordeeld. In de hoofdzaak heeft de rechtbank de vorderingen van de curator in zoverre toegewezen dat [appellanten] c.s. hoofdelijk zijn veroordeeld om € 666.500,-, vermeerderd met wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 20 februari 2012 tot aan dag van betaling aan de curator te betalen. De rechtbank heeft daarnaast IMI veroordeeld om € 5.107,50 aan buitengerechtelijke incassokosten aan de curator te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 november 2016 tot de dag van betaling. [appellanten] c.s. zijn veroordeeld in de proceskosten van de curator. De andere vorderingen van de curator zijn afgewezen.

3.4

De rechtbank heeft de tegenvorderingen van [appellanten] c.s. toegewezen en de curator bevolen het conservatoire bewijsbeslag op te heffen en de in beslag genomen bescheiden en gemaakte kopieën terug te geven, op straffe van een dwangsom. De curator is in de proceskosten en nakosten, met rente, in reconventie veroordeeld.

4. De beoordeling in het principaal hoger beroep van [appellanten] c.s. en het incidenteel hoger beroep van de curator

4.1

Met de dagvaarding in hoger beroep hebben [appellanten] c.s. hoger beroep ingesteld tegen alle vonnissen van de rechtbank. De vonnissen van 29 juni 2016 en 15 februari 2017 zijn vonnissen waarin een comparitie van partijen is bepaald. Tegen een dergelijk vonnis staat op grond van artikel 131 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geen hogere voorziening open. Dat in het vonnis van 15 februari 2017 ook om een vertaling van al eerder overgelegde stukken is gevraagd, maakt dat niet anders. Tegen die vonnissen zijn ook geen grieven aangevoerd. Het hof zal [appellanten] c.s. in hun hoger beroep tegen die vonnissen niet-ontvankelijk zal verklaren. Tegen de tussenvonnissen van 4 oktober 2017 en

18 april 2018 zijn geen grieven aangevoerd, zodat het hof het hoger beroep in zoverre zal verwerpen.

4.2

[appellanten] c.s. hebben in hun memorie van grieven in een voorwaardelijk (indien de grieven van [appellanten] c.s. niet zouden slagen) ingesteld incident een beroep gedaan op onbevoegdheid van de Nederlandse rechter vanwege een arbitraal beding in het Sales Partner Contract tussen Drettmann en Impex. Ter zitting bij het hof hebben [appellanten] c.s. dat beroep ingetrokken, zodat het hof daarover geen oordeel hoeft te geven. De curator heeft aanspraak gemaakt op een kostenveroordeling van [appellanten] c.s. in het incident. Het hof komt daarop verderop in dit arrest terug, bij de beslissing over de proceskostenveroordelingen.

4.3

De zaak heeft een internationaal aspect vanwege de woonplaats van de curator en de vestigingsplaats van Drettmann in Duitsland. [appellanten] c.s. wonen in Nederland en IMI is daar gevestigd, zodat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft.

4.4

Het hof zal de door [appellanten] c.s. en de door de curator geformuleerde grieven betrekken in een thematische beoordeling van het geschil. Daarin valt een verbintenisrechtelijke en een goederenrechtelijke lijn te ontdekken wat betreft de grondslagen van de vorderingen van de curator. De verbintenisrechtelijke lijn is deze dat volgens de curator Impex de tweede helft van de koopsom aan Drettmann schuldig is gebleven, dat door de cessie bij voorbaat van de vorderingen van Impex op de koper (lees: IMI) IMI slechts bevrijdend aan de curator kon betalen, dat [appellanten] c.s. daarvan op de hoogte waren en dat [appellanten] c.s. betaling aan de curator op onrechtmatige wijze hebben verhinderd. De grieven IV tot en met VII van [appellanten] c.s. hebben hierop betrekking. De goederenrechtelijke lijn is deze dat curator zijn vorderingen jegens [appellanten] c.s. heeft gebaseerd op de stelling dat met de verkoop en levering door Impex aan IMI en de verkoop en levering door IMI aan een derde inbreuk is gemaakt op het voorbehouden eigendomsrecht van Drettmann en dat Impex niet beschikkingsbevoegd was het jacht aan IMI in pand te geven. De grieven II tot en met IV van [appellanten] c.s. betreffen in verband daarmee de (goederenrechtelijke) vraag of Impex of Drettmann in 2008 eigenaar is geworden van het jacht. De grieven VIII (over de proceskosten) en IX (over de uitvoerbaarheid bij voorraad) zijn voortbouwende grieven. De grieven van de curator (A tot en met D) hebben betrekking op de rente (A), de afwijzing van buitengerechtelijke kosten en proceskosten in verband met het bewijsbeslag en de inzagevordering (B) en de berekening van de aan de curator toegewezen proceskosten (C). De curator heeft onder grief D een aantal losse klachten geschaard. De curator heeft zijn vorderingen in hoger beroep gewijzigd. Tegen die wijziging zijn geen processuele bezwaren gesteld of gebleken, zodat het hof die gewijzigde vorderingen zal beoordelen.

Impex is niet door ontbinding van de koopovereenkomst bevrijd van de verbintenis om de tweede helft van de koopprijs aan Drettmann te voldoen (grief VII van [appellanten] c.s.)

4.5

Tussen partijen is niet in geschil dat de grondslag aan de vorderingen van de curator jegens [appellanten] c.s. komt te ontvallen indien Impex jegens Drettmann niet langer gehouden is om de tweede helft van de koopsom te voldoen, omdat de daartoe strekkende verbintenis niet langer bestaat. Dat moet worden beoordeeld naar het op de koopovereenkomst toepasselijke Duitse recht, daarover zijn partijen het eens.

4.6

Volgens [appellanten] c.s. is Impex bevrijd van de verbintenis tot betaling van het tweede deel van de koopprijs vanwege de buitengerechtelijke ontbinding van de overeenkomst in september 2009. Het hof volgt hen daarin niet, op grond van het volgende. [appellanten] c.s. hebben de ontbinding van de overeenkomst gebaseerd op een tweetal gebreken, te weten verkleuring van de gelcoating van het jacht en het bouwjaar van de motoren van het jacht: die zijn van het bouwjaar 2006 en niet van het bouwjaar 2008. De rechtbank heeft het beroep op ontbinding in verband met de verkleuring afgewezen op grond van artikel VI.2 van de algemene voorwaarden van Drettmann. Daarin is bepaald dat de overeenkomst slechts kan worden ontbonden, indien Drettmann tot twee keer toe heeft geweigerd het gebrek te herstellen of dat dit herstel is mislukt. [appellanten] c.s. hebben tegen de uitleg die de rechtbank aan dit artikel heeft gegeven niet gegriefd, zodat het hof daarvan uit heeft te gaan. De rechtbank heeft verder overwogen dat [appellanten] c.s. niet hebben gesteld dat Drettmann tussen 27 juli 2009 - toen bij brief over dit gebrek is geklaagd - en 8 september 2009 – de datum waarop [appellanten] c.s. de ontbinding van de overeenkomst inriepen – twee keer heeft geweigerd het gebrek te herstellen. [appellanten] c.s. hebben in hoger beroep weliswaar verwezen naar correspondentie die dr. Behrens in augustus 2009 met Drettmann heeft gevoerd, maar zij hebben niet gesteld dat daaruit een weigering van Drettmann om tot herstel over te gaan als bedoeld in artikel VI.2 van de algemene voorwaarden zou kunnen worden afgeleid. Maar zelfs als dat wel zo zou zijn, dan kan dat [appellanten] c.s. niet baten. De curator heeft immers ook aangevoerd dat gezien het bepaalde in artikel VI.1 van de algemene voorwaarden niet tijdig is geklaagd over het gebrek, namelijk niet binnen 8 dagen na levering, waarbij volgens de curator de klachttermijn is aangevangen op 7 april 2008, toen het jacht in Rotterdam is afgeleverd.

De curator heeft bestreden dat van een rechtens relevante klacht sprake is geweest in de e-mail van 24 april 2008, omdat daarin niet tot uitdrukking is gebracht dat de verrichte prestatie ten achter blijft bij hetgeen de verbintenis vergt én Impex als schuldeiser, Drettmann als schuldenaar niet heeft geïnformeerd over de gestelde aard of omvang van de

tekortkoming. Impex, voor wiens rekening en risico het transport kwam, heeft slechts melding gemaakt van transportschade met toezending van twee foto’s waaruit het kleurverschil zou blijken, met de gelijktijdige vermelding dat het kleurverschil waarschijnlijk is veroorzaakt door het plakband bij het transport en zij eerst het jacht eens zal poleren. Nadien is Impex niet eerder dan op 27 juli 2009 op de kwestie teruggekomen. Met de curator is het hof van oordeel dat die enkele mededeling over verkleuring als gevolg van het transport niet is te kwalificeren als een tijdige, rechtens relevante klacht omtrent een gebrek. Maar zelfs als de mail van 24 april 2008 (productie 7c in hoger beroep) als een tot Drettmann gerichte klacht moet worden aangemerkt, dan is dat gelet op de termijn van 8 dagen na aflevering van het jacht te laat. Het jacht is immers op 7 april 2008 door SCA namens Impex in ontvangst genomen en toen aan Impex afgeleverd. Het hof verwerpt de stelling van [appellanten] c.s. dat de contractuele klachttermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid is aangevangen op 17 april 2008, toen het schip in Kerkdriel was ‘uitgepakt’. [appellanten] c.s. hebben die stelling niet met feiten en omstandigheden onderbouwd, wat ook geldt voor hun stelling dat een termijn van 8 dagen reeds ‘op voorhand onredelijk’ kort is. Ook die stelling wordt daarom verworpen.

4.7

Daar komt nog het volgende bij. De curator heeft in eerste aanleg aangevoerd dat de aanspraken wegens gebreken, waaronder het recht op ontbinding (maar ook de aanspraak op schadevergoeding), zijn verjaard op grond van artikel X.1 van de algemene voorwaarden van Drettmann. In dat artikel is een verjaringstermijn van een jaar na aflevering opgenomen ("Ansprüche des Kaufers wegen eines Mangels der Ware verjahren in einem

Jahr ab Übergabe”). Op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep dient het hof ook dat verweer te beoordelen. Zowel indien zou moeten worden uitgegaan van een klacht op 24 april 2008 en een op die datum beginnende verjaringstermijn als van een op

7 april 2008 (datum aflevering) beginnende verjaringstermijn was het recht om de ontbinding van de koopovereenkomst in te roepen op 8 september 2009 al verjaard. [appellanten] c.s. hebben de desbetreffende stelling van de curator, gebaseerd op diens uitleg van de artikel X.1 van de algemene voorwaarden, niet gemotiveerd bestreden. Evenmin hebben zij een onderbouwd beroep gedaan op eventuele stuiting van deze verjaring.

4.8

Tegen het oordeel van de rechtbank (rechtsoverweging 3.9 van het eindvonnis) dat over het kenbare gebrek over de motoren niet eerder dan in juli 2009 is geklaagd en dat dit gelet op artikel VI.1 van de algemene voorwaarden te laat is, hebben [appellanten] c.s. niet gegriefd, zodat dit vast staat. Ook daarop stuit het beroep op ontbinding af. Daar komt nog bij dat [appellanten] c.s. niet hebben toegelicht op grond van welke feiten en omstandigheden, gelet op de inhoud van de overeenkomst en de verwachtingen die Impex over de motoren mocht hebben, sprake is van een tekortkoming, enkel vanwege het bouwjaar van de motoren, Over de inhoud van de overeenkomst tussen Impex en Drettmann op dit specifieke punt hebben [appellanten] c.s. niets steekhoudends gesteld. Op de kwaliteit van de motoren was kennelijk niets aan te merken, gezien het rapport van 3 september 2010 van de deskundige [C] . Die heeft in dat rapport verklaard dat de motoren van het bouwjaar 2006 in kwalitatief opzicht niets onder doen voor motoren van een later bouwjaar (2008) en dat vervanging daarvan zinloos was.

4.9

Tussenconclusie is dat de ontbindingsverklaring van Impex in september 2009 geen effect heeft gesorteerd. Impex is niet van haar betalingsverplichtingen jegens Drettmann bevrijd en zij bleef gehouden het tweede deel van de koopprijs ( € 666.500,- aan hoofdsom) aan Drettmann te voldoen. Een andere grond voor het niet langer verschuldigd zijn van dat tweede deel de koopprijs is door [appellanten] c.s. niet gesteld.

IMI heeft niet bevrijdend betaald aan Impex; [appellanten] c.s. hebben onrechtmatig gehandeld jegens de curator (grief IV-VII van [appellanten] c.s.)

4.10

Tussen partijen is niet in geschil dat de vraag of [appellanten] c.s. onrechtmatig jegens de curator hebben gehandeld moet beantwoord met toepassing van Nederlands recht en de vraag wat de gevolgen van de cessie bij voorbaat zijn (meer in het bijzonder: of IMI alleen bevrijdend aan de curator kon betalen) naar Duits recht. Niet gesteld of gebleken is overigens of er op dat punt verschil bestaat met het Nederlandse recht. Door [appellanten] c.s. is niet weersproken de stelling van de curator dat naar Duits recht een dergelijke cessie bij voorbaat tot zekerheid geldig is. Het staat op grond van de stellingen van partijen genoegzaam vast dat Drettmann naast een eigendomsvoorbehoud een cessie bij voorbaat van een mogelijke vordering van Impex op de koper van het jacht had bedongen (Vorausabtretungsklausel) en Impex de bevoegdheid had gegeven die vordering namens Drettmann te incasseren.

De tekst daarvan luidt als volgt:

Die aus dem Weiterverkauf oder sonstigen Rechtsgrund (z.B Versicherung,

unerlaubte Handlung) bezüglich der Vorbehaltsware entstandenen Forderungen

einschließlich sämtlicher Saldoforderungen aus Kontokorrent tritt der Käufer

bereits hiermit in Höhe des Rechnungswertes sicherungshalber an uns ab. Dies

gilt auch für den Fall, dass nach den vorstehenden Beschränkungen eine

Weiterveräusserung nicht zulässig war. Wir nehmen die Abtretung an (…).

De bepaling over de incassobevoegdheid luidt als volgt:

“Der Käufer ist widerruflich berechtigt, die an uns abgetretenen Forderungen im

eigenen Namen und für unsere Rechnung einzuziehen. Diese

Einziehungsermächtigung kann widerrufen werden, wenn der Käufer seinen

Zahlungsverpflichtungen nicht ordnungsgemäß nachkommt. lm Fall des

berechtigten Widerrufs hat der Käufer bzw. sein Rechtsnachfolger oder

Insolvenzverwalter auf Verlangen die abgetretenen Forderungen und deren

Schuldner nebst Adressen bekannt zu geben, alle zum Einzug erforderlichen

Angaben zu machen, die dazugehörenden Unterlagen auszuhändigen und dem

Schuldner die Abtretung unverzüglich anzuzeigen.“

4.11

Zowel [appellant1] , wiens wetenschap aan Impex kan worden toegerekend, als [appellant3] (als bestuurder van IMI) waren van de cessie en de incassobevoegdheid op de hoogte. [appellant3] heeft tijdens de comparitie bij de rechtbank verklaard dat hij in verband met de door hem gewenste zekerheid voor de geldlening de koopovereenkomst tussen Drettmann en Impex en de bijbehorende algemene voorwaarden heeft gelezen. De rechtbank heeft in het bestreden eindvonnis in rechtsoverweging 3.15 ten aanzien van de aan IMI toe te rekenen wetenschap van [appellant3] het volgende overwogen: IMI en [appellant3] als bestuurder van IMI zijn vanaf de koopovereenkomst van 12 februari 2008 direct en intensief betrokken geweest bij de gang van zaken rondom het jacht. IMI wist dat Impex nog de andere helft van de koopprijs, € 666.500,00, aan Drettmann moest betalen. Drettmann was een relatie van [appellant3] [appellant1] en [appellant3] zijn vader en zoon. Bij de koopovereenkomst heeft niet alleen [appellant1] de algemene voorwaarden onder ogen gehad, maar [appellant3] ook. De wetenschap van [appellant3] kan aan IMI worden toegerekend, gelet op zijn positie in IMI. IMI was de indirecte financier en heeft het volledige bedrag van € 666.500,00 via de aandeelhouder van Impex (IBI) aan Impex voor de aankoop van het jacht geleend. IMI bevond zich in dezelfde branche als Impex en kan dus geacht worden op de hoogte te zijn van bedingen die Drettmann in de algemene

voorwaarden heeft opgenomen. Daar had zij ook als geldschieter alle belang bij. IMI deed

kennelijk ook zaken in Duitsland, omdat IMI en Impex zich rechtens lieten

vertegenwoordigen door dezelfde Duitse advocaat. Kortom, IMI wist van de hoed en de rand. Tegen deze overwegingen hebben [appellanten] c.s. niet gegriefd, zodat het hof die tot uitgangspunt neemt.

4.12

Uit de stellingen van [appellanten] c.s. (zie bijvoorbeeld de verklaring daarover van [appellant1] tijdens de comparitie bij de rechtbank) blijkt dat de financiële positie van Impex in augustus 2012 verslechterde en dat de bank van Impex voorwaarden aan verdere financiering stelde, waaraan Impex niet kon voldoen. De kosten voor instandhouding van het jacht - het enige actief van Impex - waren zo hoog opgelopen dat Impex die niet langer kon opbrengen. Ondertussen was al in maart en juli van dat jaar door de curator aan Impex kenbaar gemaakt - en niet bestreden is dat [appellant3] ook daarvan ook op de hoogte was - dat de incassobevoegdheid was ingetrokken, dat een eventuele koopprijs van het jacht alleen bevrijdend aan de curator kon geschieden en dat een mogelijke koper van het jacht daarover moest worden geïnformeerd. Tegen de overweging van de rechtbank in 3.13 in het eindvonnis - dat de incassobevoegdheid contractueel is geregeld en los staat van de eigendom van het jacht - hebben [appellanten] c.s. niet gegriefd.

4.13

Uit de gang van zaken volgt dat [appellanten] c.s. er voor hebben gekozen om in de slechte financiële situatie waarin Impex verkeerde de eigen belangen veilig te stellen. [appellanten] c.s. hebben daartoe verschillende wegen bewandeld. [appellant3] heeft daarover tijdens de comparitie bij het hof gezegd dat hij heeft gehandeld in het belang van zijn zoon en van hemzelf als financier. Dat is ten koste gegaan van de belangen van Drettmann, zoals hierna zal blijken. Hoewel de overeenkomsten van geldlening tussen IMI en IBI en tussen IBI en Impex geen verplichting tot verpanding van Impex jegens IMI kennen (de daarin voorkomende bepaling: ‘het jacht wordt in zekerheid gegeven’ duidt meer op een naar Nederlands recht ongeldige titel voor overdracht tot zekerheid dan op een verplichting tot verpanding), heeft Impex meegewerkt aan een dergelijke (onverplichte) verpanding. Dat IMI vervolgens op basis van dit pandrecht het jacht onder zich heeft genomen door dit in vuistpand te nemen, blijkt echter niet. Het in vuistpand nemen van een verpande zaak leidt bovendien niet tot eigendom van de pandhouder. Wat daar ook van zij, uit de factuur van

20 september 2012 en de kwitantie blijkt dat Impex vervolgens het jacht aan IMI heeft verkocht en in eigendom heeft overgedragen. De tekst van de kwitantie (‘Aan u geleverd en door u volledig betaald waarbij het economische en juridische eigendom per heden naar u is overgegaan’) laat daarover aan duidelijkheid niets te wensen over. De stelling van [appellanten] c.s. (randnummer 63, memorie van grieven) dat de factuur is opgesteld voor het sluitend maken van de administratie en ‘door een gebrek aan middelen en ervaring’ doet daaraan niet af. Ook de gang van zaken nadien wijst er op dat IMI zich als rechthebbende op grond van een koopovereenkomst beschouwde: zij schreef het jacht in het register in en heeft in 2015 het jacht aan een derde verkocht en geleverd. Uit niets blijkt dat dit is gebeurd in het kader van executie op basis van een pandrecht. Met deze verkoop aan IMI werd de door Impex aan de curator verschuldigde koopprijs op 20 september 2012 opeisbaar. [appellanten] c.s. hebben niet voldoende onderbouwd dat op grond van de tussen Impex en Drettmann geldende afspraken van opeisbaarheid geen sprake is, omdat IMI niet als ‘eindkoper’ (memorie van grieven, randnummer 64) kan worden aangemerkt, zodat het hof aan die stelling voorbijgaat.

4.14

In plaats van er voor te zorgen dat IMI van de met Impex overeengekomen koopprijs van € 671.500,- het aan de curator nog verschuldigde bedrag van € 666.500,- zou betalen, hebben [appellanten] c.s. meegewerkt aan een betalingsconstructie die ertoe heeft geleid dat IMI de door haar verschuldigde kooprijs verrekende met haar vordering op IBI uit hoofde van de geldlening, terwijl alle betrokkenen wisten dan wel behoorden te weten te weten dat alleen bevrijdend aan de curator kon worden betaald. Het moet aan [appellanten] c.s. zonder meer duidelijk geweest zijn, als dat al niet de vooropgezette bedoeling was, dat de door Impex verschuldigde koopprijs niet zou worden voldaan en dat Impex geen verhaal meer zou bieden voor de vorderingen van de curator. De ontbinding en turboliquidatie van Impex kort na de transactie spreekt in dat opzicht boekdelen.

4.15

In deze omstandigheden heeft IMI niet bevrijdend aan Impex betaald. De vordering van de curator jegens IMI is op die primaire grondslag toewijsbaar. Daar komt bij dat IMI ook onrechtmatig heeft gehandeld jegens de curator door mee te werken aan de geschetste betalingsconstructie. Impex is niet alleen tekortgeschoten in de nakoming van de verbintenis tot betaling van de restant koopprijs, maar heeft ook onrechtmatig gehandeld door mee te werken aan de geschetste constructie. Van dit onrechtmatig handelen en tekortschieten valt IMI (en Impex) een rechtens relevant verwijt te maken. Dat is ook het uitgangspunt in juridische zin. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de aansprakelijkheid niet tot deze vennootschap(pen) beperkt blijft. Het handelen van [appellant1] en [appellant3] levert een persoonlijke verplichting tot schadevergoeding op, omdat hen van hun handelingen en gedragingen worden als bestuurder van Impex ( [appellant1] ) en IMI ( [appellant3] ) hen persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt1. Dat brengt mee dat [appellant1] en [appellant3] gehouden zijn de schade van de curator te vergoeden. Dat hun handelen tot schade heeft geleid in de door de curator gestelde omvang is door [appellanten] c.s. niet betwist.

[appellanten] c.s. kunnen zich niet beroepen op verrekening (grief V en VII van [appellanten] c.s.)

4.16

[appellanten] c.s. hebben gesteld dat de curator niets van hen te vorderen heeft, omdat zijn vorderingen door verrekening wegvallen tegen hun hogere tegenvordering. Het gaat daarbij om de door Impex in 2012 aan hen gecedeerde vordering die [appellanten] c.s. in hun conclusie van repliek in reconventie in de procedure bij de rechtbank hebben gesteld op
€ 941.885,38, op basis van de specificatie in productie 19 bij die conclusie. Daarbij is in de processtukken in eerste aanleg slechts in algemene termen aangegeven dat het gaat om ‘kosten/verliesposten’ die voortvloeien uit de koopovereenkomst tussen Impex en Drettmann van 12 februari 2008. [appellanten] c.s. hebben de in productie 19 voorkomende kosten niet nader toegelicht en niet onderbouwd dat en in hoeverre die kosten een gevolg zijn van een tekortkoming van Drettmann of op welke andere grondslag die vordering is gebaseerd. Ook in de toelichting op de grieven is geen nadere feitelijke onderbouwing of toelichting gegeven en is volstaan met een verwijzing naar wat daarover in eerste aanleg is gesteld. [appellanten] c.s. schieten daarom tekort in de stelplicht die op hun rust. Voor zover aan de te verrekenen vordering ten grondslag is gelegd dat sprake is van een tekortkoming in verband met het bouwjaar van de motoren van het jacht (randnummer 86 van de memorie van grieven lijkt daarop te wijzen) is die grondslag ondeugdelijk, omdat voor het aannemen van een tekortkoming in verband daarmee onvoldoende is gesteld of gebleken (zie ook 4.8 van dit arrest).

4.17

Voor zover het beroep op verrekening is gestoeld op onrechtmatig handelen van de curator omdat hij verkoop van het jacht zou hebben tegengewerkt na 2011 en het op juridisch onhoudbare stellingen frustreren van [appellanten] c.s. (memorie van grieven, randnummer 86) strandt dat beroep eveneens op het ontbreken van een deugdelijke onderbouwing. Het gaat dan kennelijk ook niet meer om schade van Impex, ter zake waarvan de vordering aan [appellanten] c.s. is gecedeerd, maar om ‘eigen schade’ van [appellanten] c.s. maar dat is gissen.

4.18

Het beroep op verrekening kan ook om andere redenen niet slagen. De curator heeft, onbestreden door [appellanten] c.s., aangevoerd dat het beroep op verrekening in artikel V.9 van de algemene voorwaarden van Drettmann is beperkt. Volgens dat artikel is verrekening alleen mogelijk, indien Drettmann de vordering heeft erkend of indien deze in rechte is vastgesteld. Dat doet zich niet voor. Daarnaast is volgens de curator de aansprakelijkheid van Drettmann voor de door [appellanten] c.s. gestelde schade in artikel VII.3 van de algemene voorwaarden uitgesloten, behoudens gevallen van opzet of grove schuld. Ook dat is door [appellanten] c.s. niet weersproken, waarbij ook niet is gesteld, laat staan onderbouwd, dat in de gegeven omstandigheden geen beroep op deze exoneratiebepaling kan worden gedaan.

De curator heeft recht op € 666.500,- van IMI en van [appellant3] en [appellant1] , vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 5 oktober 2012 respectievelijk de wettelijke rente vanaf 20 september 2012, met de door hem aangebrachte beperkingen en maximeringen (grief A van de curator)

4.19

De curator heeft in zijn memorie van grieven in het incidenteel hoger beroep zijn vorderingen verminderd. Op grond van artikel 129 Rv in verbinding met artikel 353 Rv is dat processueel toegestaan. Dat de schade van de curator als gevolg van het onrechtmatig handelen van [appellanten] c.s., in hoofdsom € 666.500,- ( het niet betaalde deel van de door Impex verschuldigde koopprijs) bedraagt is door hen niet bestreden en dat komt het hof juist voor. Zouden de gewraakte handelingen achterwege zijn gelaten, dan zou IMI de aan Drettmann gecedeerde vordering van Impex aan de curator hebben voldaan.

4.20

De vordering van de curator tot betaling van het restant van de koopprijs is op grond van de overeenkomst tussen Impex en Drettmann onderworpen aan Duits recht. Op grond van de tussen die partijen gemaakte afspraken is de vordering opeisbaar geworden op het moment dat Impex het jacht heeft verkocht aan IMI. De verkoop aan IMI door Impex kwalificeert als een verkoop aan een derde; de stelling van [appellanten] c.s. dat de vordering van de curator op Impex op 20 september 2012 niet opeisbaar is geworden, heeft het hof hiervoor al verworpen ( in 4.13). De curator heeft onweersproken gesteld dat Impex op dat moment al in verzuim verkeerde, zodat een nadere ingebrekestelling niet nodig was, vanwege de onterechte ontbindingsverklaring in september 2009. Op grond van artikel VI.1 van de algemene voorwaarden geldt in de verhouding tussen Impex en Drettmann een contractuele rente, zoals die door de curator is verwerkt in zijn vorderingen. De vordering van de curator op IMI vloeit niet voort uit een handelsovereenkomst naar Nederlands recht, ook al was de voor vordering van Impex op IMI die IMI niet bevrijdend aan Impex heeft voldaan dat wel het geval, zodat de vordering van de curator op IMI niet moet worden vermeerderd met wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW, maar met de wettelijke rente van artikel 6:119 BW, met ingang van de ingangsdatum die de curator in zijn vordering heeft opgenomen (5 oktober 2012). Ook [appellant1] en [appellant3] zijn hoofdelijk gehouden om € 666.500,-, maar dan vermeerderd met wettelijke rente vanaf

20 september 2012, aan de curator te voldoen. In het dictum (‘Beslissing’) zal dat worden gepreciseerd.

De vraag of Impex en niet Drettmann eigenaar van het jacht is geworden is niet van belang (grieven II –IV van [appellanten] c.s.)

4.21

[appellanten] c.s. hebben in hun grieven in de kern genomen betoogd dat Drettmann zich de eigendom van het jacht niet heeft kunnen voorbehouden omdat Impex - door levering in Taiwan door Vision en verkrijging door middel van de BoS en BC- eigenaar van het jacht is geworden en bevoegd was om over het jacht het jacht te beschikken (lees: verpanden en aan IMI over te dragen). Het hof heeft hiervoor geoordeeld op grond waarvan IMI en [appellant1] en [appellant3] aan de curator moeten betalen. De beslissingen jegens [appellanten] c.s. worden niet anders, ook indien juist zou zijn dat het door Drettmann bedongen eigendomsvoorbehoud goederenrechtelijk geen effect heeft gesorteerd en Impex eigenaar van het jacht zou zijn geworden. Dat laat onverlet dat Impex de tweede helft van de koopprijs aan Drettmann moest betalen en dat is met het hiervoor geschetste en beoordeelde handelen van IMI en [appellanten] c.s. op onrechtmatige wijze gefrustreerd. Een uitgewerkt en gemotiveerd oordeel over de goederenrechtelijke aspecten van de zaak, zoals die door [appellanten] c.s. zijn benoemd, is daarmee zonder belang. Bij gebrek aan dat belang falen de grieven.

De grieven van de curator over de vergoeding van buitengerechtelijke kosten (grief B1 en B2 van de curator en grief VIII van [appellanten] c.s.) slagen niet

4.22

De rechtbank heeft aan de curator toegewezen een vordering op IMI tot betaling van buitengerechtelijke kosten voor een bedrag van € 5.107,50. [appellanten] c.s. hebben in hun grief VIII daartegen bezwaar gemaakt, maar dat bezwaar bouwt alleen voort op de stelling dat IMI niet tot betaling van de hoofdsom jegens de curator is gehouden. Die stelling is verworpen, zodat daarmee ook het bezwaar tegen de toewijzing van deze kosten wegvalt. Dat betekent dat de curator, wat betreft IMI, in ieder geval recht houdt op dit bedrag. Dat geldt niet voor de door de rechtbank toegewezen wettelijke rente met ingang van 2 november 2016: de curator heeft immers zijn vordering in het incidenteel hoger beroep wat betreft de ingangsdatum gewijzigd in 13 december 2017.

4.23

Volgens de curator heeft hij recht op een hogere vergoeding voor buitengerechtelijke kosten jegens IMI en ook jegens [appellant1] en [appellant3] . Wat hen betreft in ieder geval ook op het jegens IMI toegewezen bedrag van € 5.107,50.

4.24

De curator heeft op verschillende gronden betoogd dat de kosten die hij heeft gemaakt in verband met het bewijsbeslag en de - door de rechtbank afgewezen - inzagevordering als buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking komen, op grond van artikel 6:96 lid 2 sub a, b of c BW. Dat de rechtbank die inzagevordering heeft afgewezen doet daaraan volgens de curator niet af.

4.25

Het hof volgt de curator niet in zijn stelling dat de door hem gemaakte kosten kunnen worden toegewezen op grond van artikel 6:96 lid 2 sub a BW. Volgens de curator heeft hij het bewijsbeslag gelegd en inzage gevorderd in de in beslag genomen zaken in verband met zijn aanvankelijke idee om het jacht te revindiceren. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt ziet het hof niet in dat het redelijk is de daarmee gemoeide kosten ten laste van [appellanten] c.s. te brengen, nu de curator van die revindicatie heeft afgezien, noch op grond waarvan, dat zo zijnde, in dat licht sprake is van kosten ter voorkoming of beperking van schade. De vorderingen jegens IMI voor zover een bedrag van € 5.107,50 te boven gaande en [appellant1] en [appellant3] zijn niet op deze grond toewijsbaar.

4.26

Op zich kunnen de kosten in verband met het bewijsbeslag en met de inzagevordering worden geschaard onder artikel 6:96 lid 2 sub b BW, mits voldaan is aan dubbele redelijkheidstoets: waren de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk en zijn de gemaakte kosten naar hun omvang redelijk. In beginsel komen de kosten voor volledige vergoeding in aanmerking als aan deze eisen is voldaan, behoudens in geval het gaat om kosten waarvoor artikel 241 Rv een vergoeding pleegt in te sluiten (zie artikel 6:96 lid 3 BW). In dat geval verschieten de kosten van kleur en komen zij, bijzondere omstandigheden daargelaten, in beginsel niet meer voor aparte vergoeding in aanmerking. Dat geldt ook voor zover het gaat om buitengerechtelijke kosten zoals bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub c BW. Het hof verwerpt in verband met de toepassing van artikel 241 Rv de stelling van de curator dat geen sprake is van subjectieve cumulatie en dat [appellant3] , [appellant1] en IMI steeds als derden jegens elkaar zijn te beschouwen. Het hof begrijpt die stelling zo dat de gevorderde advocaatkosten wel voor vergoeding in aanmerking komen, omdat geen sprake is van proceskosten. Het bewijsbeslag en de inzagevordering zijn tegen [appellanten] c.s. ingesteld, zodat zich naar het oordeel van het hof niet de door de curator bedoelde situatie voordoet, waarbij een procespartij de proceskosten waarin hij is veroordeeld verhaalt op een derde.

4.27

Naar het oordeel van het hof zijn de werkzaamheden waarvoor de curator een vergoeding vraagt gericht op instructie van de zaak als bedoeld in artikel 241 Rv. Er is geen aanleiding daarover anders te oordelen nu de inzagevordering is afgewezen. Dat brengt mee dat die werkzaamheden niet voor aparte vergoeding in aanmerking komen. Voor de kosten van het bewijsbeslag krijgt de curator een vergoeding conform het liquidatietarief, zoals hierna in 4.2 zal blijken.

De proceskostenveroordeling in eerste aanleg wordt gewijzigd ( grief VIII van [appellanten] c.s. en grief C van de curator); de proceskostenveroordeling in het incident en in reconventie blijven ongewijzigd (grief B3 en B4 van de curator).

4.28

De curator heeft gesteld dat de rechtbank bij bepaling van het salaris advocaat van de curator ten onrechte niet is uitgegaan van 5 punten. Die klacht is terecht. Het hof begrijpt dat die klacht ook is gericht tegen de afwijzing van de vordering van de curator om [appellanten] c.s. in de beslagkosten te veroordelen (als onderdeel van de proceskosten). Het stond de rechtbank op zich vrij om van het liquidatietarief af te wijken, maar het hof ziet daartoe geen aanleiding. Het hof zal de proceskostenveroordeling (in oorspronkelijk conventie) dienovereenkomstig aanpassen (overeenkomstig het liquidatietarief). Het hof ziet in de afwijzing van de inzagevordering geen grond om het bewijsbeslag niet via het liquidatietarief te vergoeden (1 punt). Het hof zal in aanvulling daarop ook de kosten van vertaling van processtukken en producties, die de curator op verzoek van [appellanten] c.s. en de rechtbank heeft gemaakt, zijnde een bedrag van € 2.595,16 (excl. btw) toewijzen.

4.29

Tegen de afwijzing van de inzagevordering en, als keerzijde daarvan, de opheffing van het beslag en de veroordeling van de curator om de in beslag genomen stukken aan [appellanten] c.s. terug te geven is niet gegriefd. Die beslissing blijft dus in stand. Het hof ziet om die reden geen aanleiding voor een andere proceskostenveroordeling in het incident en in oorspronkelijk reconventie.

Grief D van de curator behoeft geen afzonderlijke bespreking; [appellanten] c.s. hebben geen belang bij hun klacht dat zij in eerste aanleg niet zijn geïnformeerd over een rechterswisseling.

4.30

De door de curator in grief D opgenomen bezwaren (in de nummers 43, 84 en 86 van de memorie van grieven in het incidenteel hoer beroep) behoeven geen afzonderlijke beoordeling, omdat die worden geacht besloten te liggen in wat het hof hiervoor over de andere grieven (met name in 4.13 en 4.20 over de opeisbaarheid) heeft geoordeeld.

Het hof handhaaft de uitvoerbaar bij voorraad verklaring (grief IX van [appellanten] c.s.)

4.31

[appellanten] c.s. hebben hun verzoek om de veroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren gebaseerd op de stelling dat er een (non)restitutierisico is. Die niet nader onderbouwde stelling is voor het hof niet voldoende om de veroordelingen niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Het hof heeft daarbij betrokken de toezegging van de curator om een eindarrest van het hof niet eerder te executeren dan nadat het arrest in kracht van gewijsde is gegaan.

Overig

4.32

Grief I van [appellanten] c.s. bevat in randnummer 25 nog de klacht dat zij niet zijn geïnformeerd over de rechterswisseling in de procedure bij de rechtbank na de comparitie van partijen. Mocht dat zo zijn, dan is die klacht is terecht, maar dat brengt niet mee dat het vonnis van de rechtbank om die reden moet worden vernietigd en andere beslissingen gegeven moeten worden. [appellanten] c.s. hebben in hoger beroep hun standpunten opnieuw ten overstaan van de hofcombinatie die dit arrest wijst naar voren kunnen brengen en hebben dus in zoverre geen inhoudelijk belang bij de grief. Om die reden faalt de grief.

5 De slotsom in het principaal en het incidenteel hoger beroep

5.1

De grieven in het principaal hoger beroep falen en de grieven in het incidenteel hoger beroep slagen gedeeltelijk. Het hof zal het bestreden vonnis gedeeltelijk vernietigen en voor het overige bekrachtigen.

5.2

Het hof zal in het principaal hoger beroep [appellanten] c.s. als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten van de curator veroordelen. Die kosten stelt het hof vast op
€ 5.517,- voor verschotten (griffierecht) en op € 9.356,- voor salaris advocaat (2 punten in tarief VII). Het hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding in verband met het verweer van de curator in het ingetrokken voorwaardelijk bevoegdheidsincident. De kosten in het incidenteel hoger beroep worden gecompenseerd, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

- verklaart [appellanten] c.s. niet-ontvankelijk in hun hoger beroep tegen de vonnissen van

29 juni 2016 en 15 februari 2017;

- verwerpt het hoger beroep voor zover het is gericht tegen de vonnissen van 4 oktober 2017 en 18 april 2018;

- bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad van

12 december 2018 voor zover het betreft wat is beslist in het dictum van dat vonnis in 4.1, 4.2, 4.7, 4.8, 4.9 en 4.10, vernietigt dit vonnis voor het overige en doet in zoverre opnieuw recht;

- veroordeelt IMI tot betaling aan de curator van € 666.500,- te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 5 oktober 2012, met bepaling dat de vordering is gemaximeerd tot een bedrag gelijk aan in hoofdsom € 666.500,- te vermeerderen met de contractuele rente gelijk aan de basisrente als vastgesteld door de Duitse Bundesbank op grond van § 247 lid 2 BGB + 8 procentpunten per jaar, te rekenen vanaf 20 september 2012, tot aan de dag van betaling;

- veroordeelt [appellant1] en [appellant3] , in die zin, dat wanneer de een betaalt, de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd, tot betaling aan de curator van
€ 666.500,- te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf

20 september 2012 tot aan de dag van betaling, met bepaling dat hetgeen aan de curator is voldaan ter inlossing van de vordering op IMI, in mindering strekt op hetgeen waartoe de curator in het licht van deze vordering is gerechtigd;

- veroordeelt IMI tot betaling van € 5.107,50 aan de curator, te vermeerderen met de

wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 13 december 2017 tot de dag van

betaling;

- veroordeelt [appellanten] c.s. hoofdelijk, in die zin, dat wanneer de een betaalt, de ander

tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd, in de kosten van de procedure bij de rechtbank in de hoofdzaak in conventie, vastgesteld op € 1.548,00 aan griffierecht, € 84,14

(kosten dagvaarding) en € 15.495, - aan salaris advocaat en op € 2.595,16 (excl. btw) vanwege vertaalkosten;

- veroordeelt [appellanten] c.s. hoofdelijk, in die zin, dat wanneer de een betaalt, de ander

tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd, in de kosten van het principaal hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de curator vastgesteld op € 5.517,- voor verschotten en op € 9.356,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

- compenseert de proceskosten in het incidenteel hoger beroep, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J. Smit, M.M.A. Wind en M.A.L.M. Willems en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op

8 december 2020.

1 ECLI:NL:HR:2020:984, ECLI:NL:HR:2014:2627, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758