Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:10226

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-12-2020
Datum publicatie
10-12-2020
Zaaknummer
200.273.889
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie, geen lagere draagkracht als gevolg van Covid-19.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.273.889

(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 478964 en 479108)

beschikking van 8 december 2020

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. W.F. Wienen te Almere,

en

[verweerster] ,

wonende te [B] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. C.E. Tonningen-ter Huizen te Hilversum.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Voor het verloop van het geding tot 18 augustus 2020 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- een journaalbericht van mr. Wienen van 1 september 2020 met productie;

- een journaalbericht van mr. Tonningen-ter Huizen van 6 oktober 2020 met producties.

2 De motivering van de beslissing

2.1

Het hof blijft bij wat is overwogen en beslist in de (tussen)beschikking van 18 augustus 2020, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.

In die beschikking heeft het hof de bestreden beschikking vernietigd en een eindbeslissing gegeven voor de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor [de minderjarige] over de periode van 10 april 2019 tot 15 maart 2020. Het hof heeft zich onvoldoende voorgelicht geacht om te kunnen beslissen over de invloed van de door de man gestelde inkomensterugval door de maatregelen vanwege Covid-19 op de door hem te betalen kinderalimentatie en heeft daarom de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] met ingang van 15 maart 2020 voorlopig gesteld op het bedrag dat de man maandelijks heeft betaald en voor zover er nog niet is betaald op nihil en iedere verdere en definitieve beslissing op dat punt aangehouden. De man is in de gelegenheid gesteld nader toe te lichten wat de financiële gevolgen van (het beleid in verband met) Covid-19 zijn voor de omzet en winst van zijn onderneming en voor zijn inkomen en welke overheidstegemoetkomingen hij in verband hiermee heeft ontvangen of – voor zover bekend – nog zal ontvangen. De vrouw is in de gelegenheid gesteld hierop te reageren.

2.2

Gelet op de tussenbeschikking van 18 augustus 2020 ligt slechts nog ter beoordeling aan het hof voor in hoeverre bij het vaststellen van de draagkracht van de man vanaf 15 maart 2020 rekening moet worden gehouden met een inkomensterugval als gevolg van de maatregelen vanwege Covid-19. Het hof heeft partijen alleen op dat punt in de gelegenheid gesteld een nadere toelichting en reactie daarop te geven. In wat de vrouw in haar reactie op andere punten aanvoert, ziet het hof geen aanleiding om terug te komen op zijn eerdere oordelen. Voor zover in de reactie van de vrouw nieuwe stellingen zijn opgenomen, acht het hof het in strijd met de eisen van een goede procesorde om in dit stadium van de procedure nog acht te slaan op die stellingen. Beoordeling daarvan zou immers leiden tot een aanzienlijke en onaanvaardbare vertraging van de behandeling van deze zaak, zeker omdat de periode waarover het hof dient te oordelen al op 15 maart 2020 is ingegaan.

2.3

Bij het berekenen van de draagkracht van de man voor de periode tot 15 maart 2020 is het hof uitgegaan van een aan de man toekomende winst uit onderneming van € 35.724,- in 2019. De man stelt dat sprake is van een inkomensterugval en voert in zijn toelichting aan dat zijn aandeel in het resultaat van [C] V.o.f. over de eerste helft van 2020 € 8.831,64 bedraagt, inclusief tegemoetkomingen vanuit de overheid, en dat hij verwacht voor de tweede helft van 2020 eveneens aanspraak te moeten maken op tegemoetkomingen vanuit de overheid. De vrouw betwist de juistheid en volledigheid hiervan en stelt dat de man voldoende draagkracht heeft voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] .

2.4

Het hof is van oordeel dat niet is gebleken dat de draagkracht van de man (aanzienlijk) is gedaald als gevolg van de uitbraak van Covid-19, in die zin dat dit dient te leiden tot vaststelling van een lagere kinderalimentatie. Uit de door de man ingediende financiële stukken volgt dat de omzet van [C] V.o.f. wel is gedaald. Zoals ook de vrouw opmerkt in haar reactie, blijkt uit deze stukken echter ook dat de man in de periode tot 31 juli 2020 een bedrag van afgerond € 25.610,- aan kapitaal heeft opgenomen uit de vof. Het hof leidt hieruit af dat de man de (tijdelijke) omzetdaling door Covid-19 kennelijk heeft opgevangen met zijn kapitaal in de vof, zodat er geen nadelige gevolgen voor zijn draagkracht zijn. Het hof houdt daarom geen rekening met een lagere draagkracht van de man voor de periode vanaf 15 maart 2020

2.5

Nu de berekening van de kinderalimentatie ook voor het overige ongewijzigd blijft, zal het hof de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van 15 maart 2020 vaststellen op hetzelfde bedrag als voor de voorliggende periode, te weten € 315,- per maand. Daarmee vervalt de bij de tussenbeschikking van 18 augustus 2020 voorlopig vastgestelde bijdrage.

2.6

Het hof zal de proceskosten in beide instanties compenseren, nu partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de procedure het kind van partijen betreft.

3 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] , geboren [in] 2004 te [B] , met ingang van 15 maart 2020 € 315,- per maand dient te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in beide instanties, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, R. Feunekes en M.H.F. van Vugt, bijgestaan door mr. H. Bouhuys als griffier, en is op 8 december 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.