Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:10213

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-12-2020
Datum publicatie
11-01-2021
Zaaknummer
Wahv 200.249.648
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een verwijzing naar wat in administratief beroep is aangevoerd, is geen beroepsgrond tegen de beslissing van de officier van justitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2021/64
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.249.648/01

CJIB-nummer

: 208777988

Uitspraak d.d.

: 8 december 2020

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 27 september 2018, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. H.P. Olthof, kantoorhoudende te Leiderdorp.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard, omdat het beroepschrift aan de kantonrechter geen gronden bevat en dat verzuim niet binnen de daartoe gestelde termijn is hersteld.

2. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat hij, anders dan de kantonrechter kennelijk heeft geoordeeld, wel degelijk beroepsgronden tegen de beslissing van de officier van justitie heeft ingediend. In zijn beroepschrift heeft hij immers om een termijn verzocht, teneinde het beroep met redenen te omkleden en aan te vullen, in aanvulling op hetgeen reeds in de voorfase is gesteld. Dat laatste houdt volgens de gemachtigde in dat hij zijn beroepsgronden heeft geformuleerd in de vorm van een impliciete herhaling van de gronden die in het kader van het administratief beroep zijn aangevoerd. Dit betekent dat de kantonrechter ondanks het uitblijven van nadere beroepsgronden, na een daartoe strekkende uitnodiging, niet tot niet-ontvankelijkheid van het beroep kon besluiten wegens het ontbreken van gronden.

3. Met de gronden van het beroep worden de redenen bedoeld die de indiener heeft om een besluit vernietigd, gewijzigd of herroepen te krijgen. De gemachtigde - een professioneel rechtsbijstandverlener - heeft slechts volstaan met een mededeling die ertoe strekt dat de gronden van het administratief beroep worden gehandhaafd en heeft niet aangegeven waarom de officier van justitie de ingediende bezwaren niet juist heeft beoordeeld. Gelet op het voorgaande kan deze mededeling, nu het geen redenen bevat die de indiener van het beroepschrift heeft om de beslissing van de officier van justitie te vernietigen, niet als beroepsgrond worden beschouwd. Dit betekent ook dat de kantonrechter niet in hoefde te gaan op de in administratief beroep aangevoerde gronden.

4. Het hof stelt vast dat het beroepschrift aan de kantonrechter geen beroepsgronden bevat. Het dossier bevat een op 17 juli 2018 aan de gemachtigde verzonden proces-verbaal van zitting van de kantonrechter van 29 mei 2018, waarin de gemachtigde op dit verzuim wordt gewezen en hij in de gelegenheid wordt gesteld om binnen vier weken na de verzenddatum van het proces-verbaal het verzuim te herstellen. Hierbij is gewezen op de mogelijke consequentie van het niet herstellen van het verzuim. Hierop heeft de gemachtigde niet gereageerd.

5. De kantonrechter heeft dan ook terecht geconcludeerd dat het verzuim gronden in te dienen niet is hersteld en het beroep op juiste gronden niet-ontvankelijk verklaard. Het hof zal deze beslissing daarom bevestigen. Het hof kan de bezwaren van de gemachtigde tegen de inleidende beschikking daarom niet beoordelen.

6. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.