Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:10190

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-12-2020
Datum publicatie
21-12-2020
Zaaknummer
200.278.722/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Er hoeft geen sprake te zijn van vrees voor vervreemding wanneer de vader bereid is de wensen van zijn zoon over het contact met de vader serieus te nemen. Het is aan de vader om het contact met de GI opnieuw aan te gaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.278.722/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 195357)

beschikking van 1 december 2020

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. S.E. de Jong te Groningen,

en

de gecertificeerde instelling

Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,

gevestigd te Groningen,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

[de moeder] ,

wonende te [B] ,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A. Mulder te Groningen,

en

[de bijzondere curator] ,

in haar hoedanigheid van bijzondere curator over [de minderjarige] ,

kantoorhoudend te Groningen.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Voor het verloop van het geding tot 4 augustus 2020 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum. In die tussenbeschikking heeft het hof mr. J.A.H. Nieman benoemd tot bijzonder curator over [de minderjarige] om als onafhankelijke derde op te komen voor zijn belangen, hem een stem te geven en om het hof te adviseren over het verzoek van de vader in hoger beroep. De bijzondere curator heeft aan het verzoek van het hof voldaan en heeft haar bevindingen in een schriftelijk verslag van 23 september 2020 vastgelegd en aan het hof toegestuurd.

1.2

Daarna heeft het hof de volgende stukken ontvangen:

- een brief van de raad van 5 oktober 2020, waarin de raad aangeeft niet te zullen reageren op het verslag van de bijzondere curator;

- een journaalbericht van mr. Mulder van 7 oktober 2020;

- een brief van het JL&R van 8 oktober 2020;

- een journaalbericht van mr. De Jong van 15 oktober 2020;

- een brief van mr. De Jong van 22 oktober 2020 met productie(s).

1.3

Het hof acht zich op basis van de nu beschikbare stukken voldoende voorgelicht en zal, zoals in de tussenbeschikking aangekondigd, nu op de stukken uitspraak doen. Het hof zal daarin ook de schriftelijke reactie van de vader betrekken die bij de brief van mr. De Jong is gevoegd. Weliswaar is deze reactie te laat binnen gekomen, maar nu de belanghebbenden niet door het hof in de gelegenheid zijn gesteld om op elkaars reactie te reageren, zijn zij door deze (te) late reactie niet in hun verdediging geschaad.

2 De motivering van de beslissing

2.1

Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de tussenbeschikking van
4 augustus 2020, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.

2.2

De bijzondere curator heeft in haar schriftelijk verslag van 23 september 2020 het hof geadviseerd om de bestreden beschikking te bekrachtigen. Weliswaar blijkt ook uit het verslag dat [de minderjarige] zijn vader heel graag wil zien en dat hij het liefst een keer per veertien dagen een weekend bij zijn vader zou willen zijn, maar dit moet wel -zo heeft [de minderjarige] in de gesprekken met de bijzondere curator aangegeven- op een voor [de minderjarige] veilige manier kunnen plaatsvinden. De bijzondere curator heeft vervolgens in haar verslag geformuleerd aan welke voorwaarden voor omgang zou moeten worden voldaan. Zij heeft er daarbij op gewezen dat het van belang is dat er meer zicht komt op de (opvoed)situatie bij de vader thuis.

2.3

De GI heeft in reactie op het verslag te kennen gegeven dat er nu meer duidelijkheid is met betrekking tot [de minderjarige] zijn wensen en voorwaarden en dat de ontwikkelingsbedreiging dat [de minderjarige] zijn vader niet ziet moet worden weggenomen. Ook onderschrijft de GI het belang dat er meer zicht dient te komen op de situatie bij de vader. Volgens de GI zal de vader zijn medewerking moeten geven en hulp en ondersteuning moeten zoeken en aanvaarden.

2.4

De moeder heeft eveneens benadrukt dat er zicht moet komen op de situatie bij de vader thuis. Pas als die er voldoende is en als de GI meent dat de veiligheid van [de minderjarige] kan worden gewaarborgd kan het contact met [de minderjarige] opgebouwd worden.

2.5

De vader heeft laten weten [de minderjarige] niet te herkennen in het verslag. Hij benadrukt dat hij de vader is van [de minderjarige] en recht heeft op contact met hem. Volgens de vader is er geen reden om hem dat contact te onthouden.

2.6

Het hof is van oordeel dat de wijziging van de zorgregeling die de kinderrechter in de bestreden beschikking van 26 februari 2020 heeft aangebracht in stand dient te blijven. Het hof neemt na eigen onderzoek de motivering van de kinderrechter over en voegt hier nog het volgende aan toe.

2.7

Uit de gesprekken die [de minderjarige] met de bijzondere curator heeft gevoerd is duidelijk geworden dat [de minderjarige] graag contact wil hebben met zijn vader. Uit die gesprekken is echter ook gebleken dat de omgang met zijn vader op een voor [de minderjarige] veilige manier moet plaatsvinden en dat [de minderjarige] die veiligheid in het verleden niet (altijd) heeft ervaren. Daarmee worden naar het oordeel van het hof de zorgen van de GI over [de minderjarige] in het contact met de vader, die er al veel eerder waren, bevestigd. Het hof verwijst in dat verband ook naar hetgeen het hof in zijn beschikking van 29 augustus 2019 (die ging over de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] ) heeft overwogen. Het hof schreef in die beschikking onder meer: “Het lijkt erop dat [de minderjarige] in de thuissituatie bij vader aangepast gedrag vertoont, en zich (bij vader) niet veilig voelt. Het is de vraag of de vader over voldoende pedagogische vaardigheden beschikt om [de minderjarige] te bieden wat hij nodig heeft om zich positief te ontwikkelen.” En: “Het hof acht daarnaast van belang dat er zicht komt op de pedagogische vaardigheden van de vader.”

2.8

Hoewel op zichzelf juist is dat de vader, zoals hij zelf aangeeft, recht heeft op contact met [de minderjarige] , is het hof gezien voornoemde zorgen van oordeel dat wijziging van de oude zorgregeling -die overigens ook al sinds medio 2019 niet meer door de vader werd nageleefd- in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk was en is. Anders dan de vader lijkt te betogen, houdt de wijziging van de zorgregeling niet in dat er geen contact meer kan zijn tussen [de minderjarige] en de vader, maar dat dit contact plaatsvindt onder regie en verantwoordelijkheid van de GI en onder de voorwaarden die de GI daaraan in het belang van [de minderjarige] stelt. Die voorwaarden houden onder meer in dat de vader [de minderjarige] niet belast met volwassenproblematiek, zich niet negatief uitlaat over de moeder en zich meewerkend -en niet dreigend- opstelt richting de hulpverlening. Na een gezamenlijk gesprek hierover met de vorige advocaat van de vader in februari 2020 is de vader echter uit contact gegaan met de GI waarna verdere afspraken over de voorwaarden en het hervatten van de omgang niet tot stand zijn gekomen. Dit is niet in het belang van [de minderjarige] , die nu immers al lange tijd geen contact meer heeft met de vader.

2.9

Daar waar de vader, evenals alle betrokkenen, inclusief [de minderjarige] , wil dat er weer omgang plaatsvindt roept het hof de vader op het contact met de GI opnieuw aan te gaan en daarbij zo nodig hulp voor zichzelf te zoeken en te aanvaarden. Van belang is verder -zo blijkt uit het verslag van de bijzondere curator- dat de vader oog heeft voor [de minderjarige] zijn wensen over het contact met de vader en hem daarin serieus neemt. Het baart het hof in dat verband zorgen dat de vader spreekt over een gemanipuleerd kind.

Als de vader het gesprek met de GI (opnieuw) aangaat kunnen de voorwaarden waaronder contact tussen de vader en [de minderjarige] kan plaatsvinden worden besproken en kan -ervan uitgaand dat de vader zich daar in het belang van [de minderjarige] ook aan houdt- naar contactherstel worden toegewerkt. In die situatie hoeft van vrees voor vervreemding, waarover de vader in zijn eerste grief spreekt, geen sprake te zijn.

3 De slotsom

Uit het vorenstaande volgt dat de grieven van de vader niet kunnen slagen en dat de bestreden beschikking zal worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof, beschikkende in het hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 26 februari 2020;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.W. Beversluis, J.G. Idsardi en I.M. Dölle, bijgestaan door mr. J.M.G. van Wijk als griffier en is op 1 december 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.