Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:10179

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-12-2020
Datum publicatie
08-12-2020
Zaaknummer
21-006041-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Jeugdstrafrecht. Bewezenverklaring artikel 164 Sr; uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte en medeverdachte gipsblokken op de spoorwegovergang hebben gelegd waar vervolgens een trein tegen aan is gereden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-006041-19

Uitspraak d.d.: 8 december 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland van 11 november 2019 met parketnummer 05-043273-19 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 24 november 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wegens het primair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf van 100 uren, met aftrek van voorarrest, waarvan 50 uren voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. R.E.F. Bergwerf Bok, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

primair
hij op of omstreeks 18 februari 2019 in Velp (gemeente Rheden), in elk geval in Nederland, met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk gevaar heeft veroorzaakt voor het verkeer door mechanische kracht over een spoorweg, immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) een of meer zware gipsblokken, althans een of meer (zware) voorwerp(en) op/tegen de treinrails geplaatst/gegooid/gelegd.

subsidiair
hij op of omstreeks 18 februari 2019 te Velp (gemeente Rheden) met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de spoorlijn Arnhem Zutphen (ter hoogte van de locatie Velperbroek aansluiting Dieren), in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen goederen, te weten de spoorrails (op genoemde locatie) en/of een (goederen)trein welk geweld bestond uit het op het spoor plaatsen/gooien/leggen van een of meer zware gipsblokken, althans een of meer (zware) voorwerp(en).

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van al het tenlastegelegde. Verdachte heeft ontkend dat hij gipsblokken op het spoor in Velp heeft gelegd. Er is volgens de raadsman onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte hier bij betrokken was. Op het moment dat er een aanrijding heeft plaatsgevonden van een trein met de gipsblokken, was verdachte al thuis.

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Uit de voorhanden zijnde stukken en verklaringen leidt het hof het volgende af.

Op 18 februari 2019 was verdachte in het gezelschap van [medeverdachte] in Velp. Zij zijn die avond in de buurt van de spoorlijn en spoorwegovergang op de Ommerhofselaan/Alexanderstraat in Velp geweest.

Er is op 18 februari 2019 omstreeks 18:00 uur door [getuige A] gezien dat er op de Zuider Parallelweg in Velp twee jongens liepen, van wie er één met stenen aan het sjouwen was. De andere jongen was op een fiets. De [getuige A] heeft deze jongens beschreven. Hij heeft de jongens meerdere keren heen en weer zien lopen met de stenen vanuit de tuin van een in aanbouw zijnde woning richting de spoorwegovergang. Deze afstand betrof maar een paar meter. Daarna heeft hij de jongens weg zien lopen richting de Dorpstraat. Er lagen volgens de getuige geen gipsblokken op de weg.

Verdachte en [medeverdachte] zijn op 18 februari 2019 rond 19:05 uur gezien op de Zuider Parallelweg in Velp. Zij hebben daar een aantal minuten gesproken met [getuige A] . De [getuige A] is omstreeks 19:12 uur weer vertrokken omdat hij naar voetbaltraining moest.

Omstreeks 19:20 uur is door [getuige B] bij de politie melding gemaakt van een verdachte situatie in haar straat, de Zuider Parallelweg in Velp. Zij heeft daar twee jongens gezien op de hoek van de Alexanderstraat en de Zuider Parallelweg die zich opvallend gedroegen. Zodanig opvallend dat zij de politie heeft gebeld.

Naar aanleiding van de melding om 19:20 uur is [verbalisant X] ter plaatse gekomen. Hij heeft op de Zuider Parallelweg in Velp twee jongens aangetroffen van wie er één op de fiets zat. Bij aankomst is één van de jongens hard weg gefietst. Van de jongen die bleef staan, heeft [verbalisant X] afgifte van diens telefoon verzocht. [verbalisant X] is eerst achter de jongen op de fiets aan gegaan en heeft hem even verderop staande gehouden. Deze jongen bleek verdachte te zijn. Verdachte heeft een bekeuring gekregen voor het niet voeren van fietsverlichting. Vervolgens is [verbalisant X] terug gegaan naar de jongen die nog op de Zuider Parallelweg stond. Deze jongen bleek [medeverdachte] te zijn. Verbalisant Vos heeft aan [medeverdachte] zijn telefoon terug gegeven en heeft zijn gegevens genoteerd.

[medeverdachte] is op die avond aan de deur geweest bij zijn oud voetbaltrainer [getuige D] . Volgens [getuige D] heeft [medeverdachte] staan praten met zijn zoon. [getuige D] heeft gehoord dat [medeverdachte] zei dat zijn vriend iets had gedaan. En ook dat [medeverdachte] zei dat zijn telefoon was afgenomen door de politie. [getuige D] heeft een paar minuten later gezien dat er een auto stopte bij [medeverdachte] en dat hij wat terug kreeg. Vervolgens heeft [getuige D] nog gehoord dat [medeverdachte] aan het bellen was. Hij heeft gezien dat [medeverdachte] vervolgens in de richting van de spoorwegovergang vertrok. Tussen het moment dat [medeverdachte] aan de deur stond tot aan de aanrijding van de trein zat ongeveer vijf tot tien minuten. Voor het hof staat gelet op het voorgaande vast dat [medeverdachte] tussen 19:20 uur en iets na 19:30 uur voor de deur van [getuige D] heeft gestaan.

Om 19:34 uur is een stoptrein ongehinderd de spoorwegovergang op de Ommerhofselaan/ Alexanderstraat in Velp gepasseerd. Om 19:45 uur vond vervolgens op deze spoorwegovergang een aanrijding plaats van een intercitytrein met (gips)betonblokken die op het spoor lagen. De gipsblokken zijn zodoende tussen 19:34 uur en 19:45 uur op het spoor geplaatst, zodanig dat hier een trein mee in aanraking kon komen.

[verbalisant X] is omstreeks 19:53 uur te plaatse gekomen bij de spoorwegovergang waar de aanrijding heeft plaatsgevonden. Aldaar is hij door een collega-agent aangesproken. Deze collega heeft even daarvoor de [getuige A] gesproken, die hem verteld heeft dat hij eerder die avond twee jongens heeft gezien die met betonblokken richting het spoor hadden gesjouwd. Bij het horen van het door [getuige A] opgegeven signalement van deze twee jongens denkt [verbalisant X] onmiddellijk aan de twee jongens die hij kort ervoor had stilgehouden; zij voldeden aan dit signalement. De politie is vervolgens naar de woningen van verdachte en [medeverdachte] gegaan en ze zijn allebei aangehouden.

Bij de aanhouding zijn bij verdachte handschoenen aangetroffen met daarop wit/grijs poeder, afkomstig van gipsblokken.

Verdachte en [medeverdachte] hebben meerdere verklaringen afgelegd over wat zij op de avond van 18 februari 2019 precies hebben gedaan en welke route zij hebben afgelegd. Deze verklaringen zijn niet consistent te noemen. Verdachte heeft aanvankelijk verschillende verklaringen gegeven hoe de wit/grijze poeder op zijn handschoenen gekomen is voordat hij uiteindelijk heeft verklaard dat hij een van de gipsblokken heeft opgepakt. Daarnaast is niet duidelijk geworden hoe laat verdachte en [medeverdachte] zijn thuisgekomen die avond. En voor hun verklaring dat zij andere jongens in de buurt van de betreffende spoorwegovergang hebben gezien die avond en die verantwoordelijk zouden zijn voor het leggen van de gipsblokken op het spoor, is geen steun in het dossier.

Gelet op het bovenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, en daarbij in het bijzonder de zeer korte tijdspanne tussen het moment waarop verdachte en medeverdachte bij de woning van [getuige D] waren die vlakbij de spoorwegovergang is gelegen en het moment waarop de aanrijding heeft plaatsgevonden, is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte en [medeverdachte] de gipsblokken op het spoor hebben gelegd, waarna een aanrijding heeft plaatsgevonden tussen een trein en de blokken. Het hof vindt dit wettig en overtuigend bewezen en komt tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair
hij op of omstreeks 18 februari 2019 in Velp (gemeente Rheden), in elk geval in Nederland, met een of meer ander en, althans alleen opzettelijk gevaar heeft veroorzaakt voor het verkeer door mechanische kracht over een spoorweg, immers heeft verdachte en /of zijn mededader (s) een of meer zware gipsblokken , althans een of meer (zware) voorwerp(en) op /tegen de treinrails geplaatst/gegooid/ gelegd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk gevaar veroorzaken voor het verkeer door mechanische kracht over een spoorweg.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De kinderrechter heeft verdachte veroordeeld wegens het primair tenlastegelegde tot een werkstraf van 100 uren, met aftrek van voorarrest, waarvan 50 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en daar aan verbonden meerdere bijzondere voorwaarden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wegens het primair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf van 100 uren, met aftrek van voorarrest, waarvan 50 uren voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het veroorzaken van gevaar voor anderen, door gipsblokken op het treinspoor te leggen. Een volle reizigerstrein is in botsing gekomen met deze blokken. Het is een geluk dat de gipsblokken zijn verbrijzeld en dat er geen grote schade of letsel is ontstaan. De gevolgen hadden veel ernstiger kunnen zijn. Het hof neemt dit verdachte zeer kwalijk.

Ter terechtzitting bij het hof is met verdachte uitgebreid gesproken over zijn persoonlijke omstandigheden. Ook is zijn jeugdreclasseringswerker als getuige-deskundige gehoord. Inmiddels is enige tijd verstreken sinds het plegen van het bewezenverklaarde feit. Het gaat beter met verdachte. Hij gaat naar school en doet het daar goed, hij heeft een bijbaantje en hij heeft zich niet meer schuldig gemaakt aan het plegen van strafbare feiten. Volgens de jeugdreclasseringswerker zijn er geen begeleidingsdoelen meer.

Het hof vindt de door de kinderrechter opgelegde werkstraf passend en zal dezelfde straf opleggen. Een deel van de werkstraf zal voorwaardelijk worden opgelegd, met een proeftijd van twee jaren. Deze voorwaardelijke taakstraf dient als stok achter de deur om te voorkomen dat verdachte zich in de toekomst nog eens schuldig maakt aan het plegen van strafbare feiten. Het hof ziet in de huidige persoonlijke omstandigheden van verdachte geen aanleiding (meer) om aan de proeftijd nog bijzondere voorwaarden te verbinden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 47, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z en 164 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen jeugddetentie.

Bepaalt dat een gedeelte van de werkstraf, groot 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen jeugddetentie, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft op het geschorste, tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. R.W. van Zuijlen, voorzitter,

mr. M. Keppels en mr. M.J. Vos, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. B.P. Snijder, griffier,

en op 8 december 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.