Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:10099

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-12-2020
Datum publicatie
02-02-2021
Zaaknummer
200.275.301
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

artikel 1:401 lid 1, eerste volzin, BW; afwijzing verzoek wijziging kinderalimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.275.301

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 485237)

beschikking van 3 december 2020

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: de man,

advocaat: mr. C.A.H. Boom te Utrecht,

en

[de vrouw] ,

wonende te [B] ,

verder te noemen: de vrouw.

1 De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 10 december 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, verder ook te noemen: de bestreden beschikking.

2 De procedure in hoger beroep

2.1

Op 10 maart 2020 is het beroepschrift met producties, ingekomen. De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 2 november 2020 met een beeldbelverbinding plaatsgevonden. Aanwezig was de man, bijgestaan door zijn advocaat.

De vrouw was, hoewel daartoe opgeroepen, niet aanwezig.

3 De feiten

3.1

De man en de vrouw zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2016. [de minderjarige] heeft haar hoofdverblijf bij de vrouw.

3.2

De man en de vrouw zijn in artikel 6 van het door de man op 23 mei 2018 en door de vrouw op 4 juni 2018 ondertekende ouderschapsplan met betrekking tot de kinderalimentatie het volgende overeengekomen:

De ouders spreken af dat de vader momenteel geen bijdrage betaalt in de kosten van [de minderjarige] . Vader beschikt niet over enig inkomen (anders dan een studiefinancieringslening) en moeder ontvangt een bijstandsuitkering. Vader beschikt momenteel niet over draagkracht.

3.3

In het ouderschapsplan zijn de ouders ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken - voor zover hier van belang - overeengekomen dat [de minderjarige] volgens het volgende schema bij de man verblijft:

week 1: dinsdag 9:00 uur t/m 18:30 uur en vrijdag 18:00 uur t/m zondag 18:30 uur

week 2: dinsdag 9:00 uur t/m donderdag 18:30 uur

3.3

In de beschikking van 27 februari 2019 heeft de rechtbank bepaald dat de man aan de vrouw vanaf die datum als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] € 195,- per maand moet betalen en bepaald dat de kinderbijslag toekomt aan de vrouw. De man heeft in die procedure geen verweer gevoerd.

4 Het geschil

4.1

In de bestreden beschikking is de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot wijziging van de door hem aan de vrouw te betalen kinderalimentatie.

4.2

De man is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De man verzoekt het hof - uitvoerbaar bij voorraad - zijn verzoeken in eerste aanleg alsnog toe te wijzen en de door de man te betalen bijdrage in de kosten van [de minderjarige] met ingang van februari 2019 op nihil te stellen en te bepalen dat partijen de kinderbijslag zullen delen.

4.3

De vrouw heeft geen verweer gevoerd.

5 De overwegingen voor de beslissing

5.1

De man stelt in grief I dat de rechtbank hem ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn verzoek.

5.2

Op grond van artikel 1:401 lid 1, eerste volzin, van het Burgerlijk Wetboek kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Ingevolge lid 4 kan een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud ook worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De man heeft op de mondelinge behandeling toegelicht dat de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken met betrekking tot [de minderjarige] is gewijzigd. Verder heeft hij bewijsstukken van zijn schuldenlast overgelegd. Aldus is aannemelijk dat vanaf 27 februari 2019 sprake is van gewijzigde omstandigheden, zodat dat een hernieuwde beoordeling van de draagkracht van de man op zijn plaats is. In zoverre slaagt grief I. Het hof zal het verzoek van de man alsnog beoordelen.

5.3

De man heeft de door de vrouw gestelde behoefte van [de minderjarige] van € 195,- per maand in 2019 niet betwist, zodat het hof uitgaat van die behoefte.

Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt die behoefte € 199,88 per maand in 2020.

5.4

De man had in 2019 een loon voor loonheffing van € 28.987,-. Dat blijkt uit zijn loonstrook over januari 2020 (productie 1 in hoger beroep). Dat leidt tot een netto besteedbaar maandinkomen (NBI) van € 2.238,- per maand. De man komt in aanmerking voor de inkomensafhankelijke combinatiekorting omdat partijen de zorg voor [de minderjarige] - nagenoeg - bij helfte delen (zie Hoge Raad 13 maart 2020. ECLI:NL:HR:2020:415).

De man zit sinds 5 februari 2020 in de gemeentelijke schuldhulpverlening. Ingevolge die regeling heeft de man een vrij te laten bedrag (VTLB) ter beschikking voor zijn noodzakelijke lasten (productie 6 in hoger beroep). Gesteld noch gebleken is dat in dat VTLB rekening is gehouden met een te betalen bijdrage voor [de minderjarige] . Derhalve heeft de man geen draagkracht om de in de bestreden beschikking opgelegde bijdrage te voldoen. Gelet op het feit dat de schuldenlast van de man reeds gedurende langere tijd bestaat, acht het hof aannemelijk dat het de man al sinds 27 februari 2019 aan draagkracht ontbreekt.

Voor zover de man na die datum kinderalimentatie heeft betaald, is niet in geschil dat dit in overeenstemming is met de behoefte van [de minderjarige] en kan van de vrouw niet worden gevergd dat zij deze bedragen terugbetaalt.

5.5

Het hof wijst het verzoek van de man tot het delen van de kinderbijslag met de vrouw af. De ouders hebben tezamen onvoldoende draagkracht om in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te voorzien. Gesteld noch gebleken is dat de man, als hij - een deel van - de kinderbijslag zou ontvangen ook een hoger VLTB en daarmee een hogere draagkracht zou hebben. Aldus zou - dat deel van - de kinderbijslag niet aan [de minderjarige] ten goede komen.

5.6

Aan een beoordeling van de overige grieven komt het hof niet toe.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 10 december 2019:

stelt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] met ingang van 27 februari 2019 vast op nihil;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.B. de Groot, R. Feunekes en R.A. Eskes, bijgestaan door mr. J.M. van Gastel-Goudswaard als griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter getekend door mr. J.H. Lieber en is op 3 december 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.