Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:10067

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-12-2020
Datum publicatie
11-01-2021
Zaaknummer
Wahv 200.265.158
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 30 WAM. Onverzekerd voertuig. Schorsen kan alleen op de manieren die in het Kentekenreglement zijn omschreven. Met het overmaken van een geldbedrag aan de RDW komt geen schorsing tot stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.265.158/01

CJIB-nummer

: 212112471

Uitspraak d.d.

: 3 december 2020

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (hierna: Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 2 augustus 2019, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 100,-.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie van € 330,- opgelegd voor: “voor een bromfiets niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden”. Volgens een registercontrole van de Dienst Wegverkeer (hierna: RDW) zou deze gedraging op 25 september 2017 zijn verricht met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] . De kantonrechter heeft het sanctiebedrag gematigd tot € 100,-.

2. De betrokkene voert in hoger beroep aan dat zij ter zitting en ook daarna geen antwoord heeft gekregen op de door haar gestelde vragen. Van 2012 tot en met 2019 is de tenaamstelling van het kenteken in het kentekenregister volgens de betrokkene geschorst en is ieder jaar € 11,00 dan wel € 11,10 betaald aan de RDW. Enkele van die betalingen aan de RDW om de tenaamstelling van het kenteken te schorsen blijken door de RDW niet te achterhalen. Het betreft betalingen gedaan in het jaar 2015, 2016 en 2017. Daarbij geeft de betrokkene aan dat de betalingen niet altijd op correcte wijze, de RDW manier, zijn gedaan, maar naar haar mening dient de RDW dit te accepteren. De RDW heeft het geld ook niet teruggestort. Dat is pas op 21 mei 2019 gebeurd. Verder voert zij aan niet op de hoogte te zijn gesteld over de juiste wijze van schorsen, al zegt de RDW dat dit wel het geval is. De betrokkene benadrukt dat als zij op de hoogte zou zijn geweest, zij de tenaamstelling van het kenteken niet op dezelfde wijze zou schorsen.

3. Met betrekking tot het verweer van de betrokkene dat haar vragen niet zijn beantwoord, overweegt het hof dat, gelet op artikel 12, eerste lid, van de Wahv de zitting bij de kantonrechter ertoe strekt dat partijen, de betrokkene en de officier van justitie, hun standpunten kunnen toelichten. Na het sluiten van het onderzoek ter zitting beslist de kantonrechter vervolgens op het beroep. Artikel 13, tweede lid, van de Wahv bepaalt dat de beslissing van de kantonrechter met redenen moet zijn omkleed. Dit betekent dat de kantonrechter moet ingaan op de door de betrokkene geformuleerde gronden. Dat is hier gebeurd. Geen rechtsregel schrijft voor dat de officier van justitie of de kantonrechter ter zitting de vragen die bij een betrokkene leven moet beantwoorden of de kantonrechter -of het hof- dat in zijn beslissing moet doen.

4. Artikel 30, tweede lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (hierna: WAM) bepaalt dat voor een motorrijtuig waarvoor een kentekenbewijs is afgegeven, de kentekenhouder een verzekering overeenkomstig deze wet moet afsluiten en in standhouden.

5. Uit artikel 67, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) blijkt dat de betrokkene er als kentekenhouder van het motorrijtuig verantwoordelijk voor is om, indien met het voertuig geen gebruik van de weg wordt gemaakt, de Dienst Wegverkeer te verzoeken de tenaamstelling in het kentekenregister te schorsen. Daarbij is uitdrukkelijk voorgeschreven dat de aanvraag op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze plaats moet vinden. Een schorsing brengt mee dat de verzekeringsplicht gedurende de periode van schorsing niet geldt (artikel 2, derde lid, van de WAM) en de betrokkene dan dus niet gehouden is het voertuig te verzekeren (artikel 30, derde lid, van de WAM).

6. Artikel 67, derde lid, van de WVW 1994 luidt:

‘De aanvraag van een schorsing dient te geschieden overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels.’

7. Artikel 50 van het Kentekenreglement luidt:

‘1. De aanvraag bij de Dienst Wegverkeer van een schorsing als bedoeld in artikel 67 van de wet vindt plaats op één van de volgende wijzen:

a. door de kentekencard, een bij ministeriële regeling aangewezen legitimatiebewijs alsmede de tenaamstellingscode over te leggen.

b. langs elektronische weg door gebruikmaking van een door de Dienst Wegverkeer vastgesteld authenticatiemiddel.

2. De Dienst Wegverkeer geeft aan de aanvrager een schorsingsverslag af en in het geval van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, verstrekt deze dienst een nieuwe tenaamstellingscode.’

8. De hoofdregel is dus dat de kentekenhouder er voor moet zorgen dat zijn voertuig verzekerd is. De mogelijkheid van schorsing is een uitzondering op die hoofdregel. Een aanvraag tot schorsing dient op de voorgeschreven wijze plaats te vinden. In het Kentekenreglement worden daarvoor twee mogelijkheden geboden. In theorie zijn er meer manieren denkbaar om een aanvraag te doen. De mogelijkheden tot het doen van een aanvraag zijn echter limitatief omschreven. Dit betekent dat de RDW (de Dienst Wegverkeer) aan een aanvraag die op een andere wijze wordt ingediend dan is voorgeschreven, geen gevolg kan geven.

9. Uit het dossier volgt dat de betrokkene op respectievelijk 13 juli 2015, 11 juli 2016 en 12 juli 2017 een bedrag van € 11,00 heeft overgemaakt naar de RDW. Daarbij heeft de betrokkene niet een van de hierboven (limitatief) opgesomde mogelijkheden voor aanvraag tot schorsing doorlopen. Het rechtstreeks overschrijven van een bedrag aan de RDW behoort immers niet tot de genoemde mogelijkheden. Dit brengt mee dat geen aanvraag tot schorsing is ingediend.

10. Het hof stelt op basis van de informatie in het dossier vast dat het voertuig niet was verzekerd en dat de geldigheid van de tenaamstelling in het kentekenregister ook niet was geschorst. Daarmee staat vast dat de gedraging is verricht.

11. Vervolgens dient het hof te beoordelen of er andere redenen zijn een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen.

12. Voor zover de betrokkene zich op het standpunt stelt dat zij van een en ander niet (goed) op de hoogte was, kan dat haar niet baten. Het uitgangspunt is dat van een betrokkene mag worden verwacht dat zij zich inspant om op de hoogte te zijn van de voor haar geldende regelgeving en dat zij zich bij vragen of onduidelijkheden wendt tot de daarvoor passende dienst, zoals in dit geval de RDW. Overigens volgt uit de zich in het dossier bevindende reactie van de RDW in deze zaak, dat diverse afdelingen van de RDW betrokken zijn geweest bij deze kwestie, dat veelvuldig contact met de betrokkene is geweest en dat de Afdeling Handhaving de betrokkene meerdere keren op de juiste schorsingsprocedure heeft gewezen. Indien een en ander voor de betrokkene na die contacten nog niet duidelijk was, had het op haar weg gelegen om (juridische) hulp in te schakelen.

13. Voor zover de betrokkene stelt dat deze situatie juist is veroorzaakt door de handelwijze van de RDW verwerpt het hof dat. Op grond van de stukken is niet aannemelijk geworden dat van de zijde van de RDW de indruk is gewekt dat de geldigheid van de tenaamstelling in het kentekenregister (in dit geval in 2017) was geschorst dan wel zou worden geschorst. Aan de omstandigheid dat de RDW in 2015 - mogelijk naar aanleiding van een klachtenprocedure - bij wijze van uitzondering handmatig een schorsing tot stand heeft gebracht, mocht de betrokkene niet de gerechtvaardigde verwachting ontlenen dat dit ook voor de daarop volgende jaren zo zou gebeuren. Dat de door de betrokkene overgeschreven bedragen niet door de RDW zijn te achterhalen en pas achteraf zijn teruggestort, is onzorgvuldig te noemen, maar brengt niet mee dat de betrokkene erop mocht vertrouwen dat de geldigheid van de tenaamstelling in het kentekenregister was geschorst

14. Het hof ziet in dat wat door de betrokkene is aangevoerd dan ook geen aanleiding het bedrag van de sanctie verdergaand te matigen dan de kantonrechter al heeft gedaan. Dit brengt mee dat de beslissing van de kantonrechter zal worden bevestigd.

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van Swart als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.