Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:10055

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-12-2020
Datum publicatie
09-12-2020
Zaaknummer
21-006261-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Jeugdstrafrecht. Veroordeling voor poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen met braak en diefstal door twee of meer verenigde personen met braak tot een werkstraf van 120 uren, met aftrek, en een voorwaardelijke jeugddetentie van 4 maanden. Gedeeltelijke hoofdelijke toewijzing vordering benadeelde partij met niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Opheffing geschorst bevel voorlopige hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-006261-19

Uitspraak d.d.: 2 december 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 26 november 2019 met parketnummer 16-263638-18 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum1] 2001,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 18 november 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde tot 4 maanden jeugddetentie voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren alsook een taakstraf voor de duur van 120 uren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Voorts heeft de advocaat-generaal de hoofdelijke toewijzing gevorderd van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij1] tot een bedrag van € 157,67 vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. R.W.A. Offermanns, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De meervoudige kamer van de rechtbank Midden-Nederland heeft verdachte veroordeeld voor het samen met anderen plegen van een poging tot woninginbraak en een (voltooide) woninginbraak. De rechtbank heeft verdachte daarvoor opgelegd een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 4 maanden, met een proeftijd van 2 jaren en met een bijzondere voorwaarde alsook een taakstraf voor duur van 120 uren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Tot slot heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij1] hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 57,67 vermeerderd met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en met niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij in haar vordering voor het overige.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 22 december 2018 te [plaats1] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om in/uit een woning (gelegen aan de [adres1] ) één of meer goed(eren) naar zijn/hun gading en/of geld, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s) toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij1] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming,

- naar de achterzijde en/of in de achtertuin van voornoemde woning is/zijn gegaan (door over een schutting heen te klimmen) en/of

- met een zaklamp door één of meer ruit(en) van voornoemde woning heeft/hebben geschenen en/of door één of meer ruit(en) van voornoemde woning heeft/hebben gekeken en/of

- een buitenlamp van de muur aan de achterzijde van voornoemde woning heeft/hebben los getrokken/gemaakt en/of

- met een breekvoorwerp heeft/hebben gewrikt in een sluitnaad van één of meer ruit(en) en/of kozijn(en) aan de achterzijde van voornoemde woning,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.


2.
hij in of omstreeks de periode van 21 december 2018 tot en met 22 december 2018 te [plaats1] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in/uit een woning (gelegen aan de [adres2] ) onder andere een sleutelbos en/of een iPad en/of sieraden, waaronder een goudkleurige ketting, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s) toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn/haar mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat zij de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen acht. Zij acht daartoe onder meer redengevend de verklaringen van de aangevers, het proces-verbaal van aanhouding van de drie verdachten, het sporenonderzoek van de braaksporen aangetroffen bij beide woningen, de omstandigheden waaronder de verdachten zijn aangehouden en het uitblijven van een steekhoudende verklaring van de kant van verdachte.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak van het onder 1 en 2 tenlastegelegde bepleit wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Van enige betrokkenheid van verdachte bij de feiten zou uit de stukken weliswaar kunnen blijken. Dit maakt echter niet dat sprake is van voldoende wettig en overtuigend bewijs om tot een bewezenverklaring te komen. Er is onvoldoende concrete informatie die duidt op de betrokkenheid van verdachte bij de inbraken die nacht. Daar komt bij dat de gouden ketting die bij verdachte is aangetroffen zijn eigendom is en dus niet is weggenomen uit de woning van aangever [benadeelde partij2] . De ketting is al generaties in het bezit van de familie van verdachte, aldus de raadsman.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.

Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.

Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt het hof met betrekking tot het tenlastegelegde het volgende af.1

Uit de verklaring van aangeefster [benadeelde partij1] blijkt dat zij op zaterdag 22 december 2018 omstreeks 04:00 uur wakker werd van gerommel. Zij zag het schijnsel van een zaklamp in haar woning. Zij zag dat dit vanuit de achtertuin kwam. Zij zag in het schijnsel van dit licht ten minste 2 silhouetten van personen bij het achterraam staan. Zij hoorde harde klappen en breekgeluiden bij het raam vandaan komen. Daarop heeft zij direct de politie gebeld.2

Uit het proces-verbaal van sporenonderzoek opgemaakt door verbalisanten [verbalisant1] en [verbalisant2] blijkt het volgende. Het onderzoek werd verricht bij [benadeelde partij1] te [adres1] , [plaats1] . Aan de achterzijde van de woning bevond zich een tuin, welke was omheind door een schuting. Mevrouw [benadeelde partij1] verklaarde aan de verbalisanten dat zij personen in het donker gekleed voor het keukenraam zag staan. Zij verklaarde verder dat één van deze personen een rood breekijzer in de handen had.

De verbalisanten relateren dat men de plaats aan de achterzijde van de woning was opgelopen. Hier had men de buitenlamp boven de achterdeur met pluggen uit de muur getrokken. Men had aan de achterzijde van de woning gepoogd het uitzetraam van de keuken open te breken door met een breekvoorwerp in de sluitnaad van het raam te wrikken. De verbalisanten zagen in de sluitnaad van het uitzetraam, in een afdruk van de klauwzijde van een breekijzer, oranje/rode verf, welke afkomstig was van het gebruikte breekvoorwerp.3

Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant3] blijkt het volgende. Op 22 december 2018 omstreeks 03:52 uur werd de melding uitgegeven dat er werd ingebroken of geprobeerd in te breken bij de [adres1] te [plaats1] . Omstreeks 04:00 uur zagen de verbalisanten dat er een scooter op de weg reed. De scooter trok de aandacht, omdat hij vanuit de richting van het incident kwam rijden en omdat er drie personen op zaten die allen donkere kleding droegen. Verbalisant [verbalisant3] zag dat er tweemaal wat werd weggegooid. Hij zag dat dit werd gedaan door een opzittende van de scooter. Verbalisanten hielden de opzittenden staande ter hoogte van de kruising tussen de busbaan en het [plaats2] . De drie opzittenden bleken te zijn:

Naam: [medeverdachte1]

Voornamen: [voornaam1]

Geboortedatum: [geboortedatum2] 2001

Naam: [verdachte]

Voornamen: [voornaam2]

Geboortedatum: [geboortedatum1] 2001

Naam: [medeverdachte2]

Voornamen: [voornaam3]

Geboortedatum: [geboortedatum3] 19994

Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant4] blijkt het volgende. Op 22 december 2018 omstreeks 04:10 uur was verbalisant [verbalisant4] ter plaatse op de kruising van het [plaats2] met de busbaan. Hij zag dat de diensthond [naam1] bij een witte bundel van plastic boterhamzakjes ging liggen. Hij hoorde collega [verbalisant3] zeggen dat er een zaklampje in zat. Hij zag dat [naam1] bij een groene tas bleef staan. Hij hoorde collega [verbalisant3] zeggen dat er een oranje breekijzer in zat.5

Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant5] blijkt het volgende. Op 22 december 2018 omstreeks 03:52 uur heeft de bewoonster van de [adres1] te [plaats1] een melding gedaan bij de politie. Op zaterdag 22 december 2018 doet de bewoner van de [adres2] te [plaats1] , de heer [benadeelde partij2] , een melding van een inbraak in zijn woning. Beide locaties heeft verbalisant [verbalisant5] in Google Maps genoteerd. Hieruit bleek dat de loopafstand [tussen beide locaties] 4 minuten is voor de 300 meter.6

Uit de verklaring van aangever [benadeelde partij2] met de daaraan gehechte bijlage van de gestolen goederen blijkt het volgde. Op 21 december 2018 te 20:00 uur heeft [benadeelde partij2] de woning verlaten. De woning was deugdelijk afgesloten. Op 22 december 2018 te 12:00 uur kwam hij bij de woning. Hij zag dat aan de voorzijde het raam geforceerd was. Hij zag dat het houten kozijn was vernield met een breekvoorwerp. De aangever heeft (onder meer) de volgende goederen als gestolen opgegeven:

- Tablet Samsung Galaxy S3;

  • -

    Sleutelhanger met Mercedes-Benz logo met drie sleutels;

  • -

    Gouden schakelarmband;

  • -

    2 gouden trouwringen;

  • -

    Gouden ketting voor zakhorloge;

  • -

    Gouden ketting met hartje.7

Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant6] blijkt het volgende. Verbalisant [verbalisant6] heeft foto's gemaakt van alle sleutelbossen die de verdachten bij zich hadden. De foto's heeft de verbalisant vervolgens ook gestuurd naar collega [verbalisant7] . [verbalisant7] was op dat moment met een collega van de forensische opsporingsdienst ter plaatse in de woning aan de [adres2] te [plaats1] . Verbalisant [verbalisant6] zag dat collega [verbalisant7] een bericht stuurde dat de sleutelbos met de drie sleutels, voorzien van een ring met een Mercedes[-Benz] logo van de bewoners van [adres2] [te [plaats1] ] waren. Dit betroffen de sleutels die medeverdachte [medeverdachte1] bij zich droeg ten tijde van de aanhouding.

Vervolgens kreeg verbalisant [verbalisant6] van collega [collega2] een bericht toegestuurd met twee foto's van handschoenafdrukken. Dit betreffen foto's 10 en 11 die achter het proces-verbaal zijn gehecht. Verbalisant [collega2] belde verbalisant [verbalisant6] en deelde hem mee dat hij ter plaatse was op de [adres2] en dat verbalisanten daar de toegestuurde handschoenafdrukken hadden aangetroffen. Verbalisant [collega2] vroeg aan verbalisant [verbalisant6] of er handschoenen bij de verdachten aangetroffen waren die matchen met de afdrukken. Hierop zag verbalisant [verbalisant6] dat in de fouillering van verdachte [verdachte] en verdachte [medeverdachte1] handschoenen zaten en dat er in de fouillering van verdachte [medeverdachte2] geen handschoenen zaten. Verbalisant [verbalisant6] wist dat er handschoenen in beslag waren genomen die op de locatie van de aanhouding waren aangetroffen. Deze zijn zichtbaar op foto 12, welke achter het proces-verbaal is gehecht. Verbalisant [verbalisant6] nam waar dat het bolletjesprofiel van deze handschoenen sterke vergelijkingen vertoonde met de afdrukken met bolletjesprofiel die op foto's 10 en 11 zijn weergegeven.8

Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant7] en [verbalisant8] blijkt het volgende. De verbalisanten hoorden dat er in de nacht van 21 op 22 december 2018 een drietal inbrekers was aangehouden. De verbalisanten hoorden dat deze verdachten waren aangehouden voor een poging inbraak aan de [adres1] te [plaats1] . De verbalisanten relateren dat dit hemelsbreed honderd meter van de woning aan de [adres2] is. Verbalisant [verbalisant7] hoorde dat er sleutels bij de aangehouden verdachten waren aangetroffen. Hij ontving foto's van deze goederen. De verbalisanten hoorden dat aangever [benadeelde partij2] bij het tonen van de foto met sleutels zei: "Ja! Dat zijn mijn sleutels! 100%. Het is een sleutelbos met een sleutelhanger met een Mercedes[-Benz] logo erop.9

Uit het proces-verbaal van vergelijkend werktuigsporenonderzoek blijkt het volgende. Onderzoeker [onderzoeker1] ontving (A) een breekijzer, oranje van kleur en concludeert het volgende. De beitel en spijkertrekker vertonen bewerkingssporen die van fabriekswege zijn aangebracht en beschadigingen die door gebruik zijn ontstaan.

Daarnaast ontving onderzoeker [onderzoeker1] van verbalisant [verbalisant1] afvormingen van werktuigsporen en concludeert het volgende. De afvormingen, gemerkt (1) werden blijkens informatie veiliggesteld tijdens een forensisch sporenonderzoek d.d. 22 december 2018 naar aanleiding van een poging diefstal door middel van braak uit een woning gelegen aan de [adres1] te [plaats1] .

Tijdens een vergelijkend microscopisch onderzoek tussen enerzijds de op kraslijnen gelijkende indrukken in het afgevormde indrukspoor (1.3) en anderzijds karakteristieke slijpsporen op de spijkertrekker van breekijzer (A), werden aansluitende lijnen waargenomen. Daarnaast werden tussen enerzijds het indrukspoor in afvorming (1.3) en anderzijds beschadigingen op de spijkertrekker van breekijzer (A), overeenkomende onregelmatigheden waargenomen.

Door onderzoeker [onderzoeker1] werd tevens een oriënterend selectieonderzoek gestart naar werktuigsporen in de sporenverzameling van de Forensische Opsporing Midden-Nederland en werden de navolgende werktuigsporen voor nader onderzoek geselecteerd: (2) [adres2] te [plaats1] , afvormingen. De afvormingen werden blijkens informatie veiliggesteld op 22 december 2018 naar aanleiding van een diefstal door middel van braak uit een woning aan de [adres2] te [plaats1] .

Tijdens een vergelijkend microscopisch onderzoek tussen enerzijds de indruksporen in de afvorming (2.2) en anderzijds de afgevormde proefindruksporen vervaardigd met de binnenzijde van de spijkertrekker van breekijzer (A), werden overeenkomende onregelmatigheden waargenomen. De onregelmatigheden in de proefindruksporen, die overeenkomen in de onregelmatigheden in de afvorming (2.2), zijn veroorzaakt met karakteristieke beschadigingen op de spijkertrekker van breekijzer (A).

Op grond van het vergelijkend werktuigsporenonderzoek concludeert onderzoeker [onderzoeker1] het volgende:

- De afgevormde werktuigsporen (1.3) zijn veroorzaakt met breekijzer (A);

De afgevormde werktuigsporen (2.2) zijn waarschijnlijk veroorzaakt met breekijzer (A).10

Uit het proces-verbaal mastgegevens en het proces-verbaal van bevindingen historische gegevens blijkt het volgende. In de historische gegevens van medeverdachte [medeverdachte2] is te zien dat zijn mobiele telefoon in de nacht van 22 december op meerdere momenten, namelijk om 02:02 uur, 03:12 uur en 03:13 uur, aanstraalt in [plaats3] op de [adres3] te [plaats1] . Deze tijdstippen bevinden zich in de periode waarin is ingebroken op de [adres2] te [plaats1] . Hemelsbreed is de afstand tussen de [adres3] te [plaats1] en de [adres2] te [plaats1] 450 meter.11

Uit het proces-verbaal vergelijkend schoensporenonderzoek blijkt het volgende. Bij verdachte [verdachte] zijn een paar schoenen van het merk Nike, maat 44,5 en voorzien van [nummer] inbeslaggenomen. Onderzoekers [verbalisant9] en [verbalisant10] hebben van deze schoenen proefafdruksporen gemaakt. Voorts hebben zij schoenafdruksporen ontvangen naar aanleiding van de poging tot diefstal met braak in vereniging uit de woning aan de [adres1] te [plaats1] . De proefafdruksporen hebben zij vergeleken met de drie schoenafdruksporen. Tijdens het vergelijkend onderzoek naar tussen enerzijds de drie schoenafdruksporen en anderzijds de zool van de rechterschoen van verdachte en het hiermee vervaardigde proefafdrukspoor is ten aanzien van alle drie de vergelijkingen het volgende gebleken. Het profiel komt overeen en de afmetingen komen praktisch overeen. Voorts zijn er geen onverklaarbare verschillen door de onderzoekers waargenomen. De conclusie is dat alle schoenafdruksporen zijn veroorzaakt met een schoen, soortgelijk aan de schoen van verdachte [verdachte] .12

Het hof overweegt dat aan het hiervoor gerelateerde bolletjesprofiel van de handschoenen en de hierboven gerelateerde schoenafdrukspoor een beperkte bewijswaarde kan worden toegekend, in die zin dat deze bewijsmiddelen niet op zichzelf staan, maar dat ze moeten worden beschouwd in samenhang met de overige bewijsmiddelen. Beide bewijsmiddelen passen bij de uiteindelijke conclusie van het hof dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en vormen daarvoor geen contra-indicatie.

Samenvattend overweegt het hof dat verdachte, samen met de medeverdachten [medeverdachte2] en [medeverdachte1] , kort na de melding van de poging tot inbraak in de woning aan de [adres1] , op een scooter reed, dat één van de drie verdachten al rijdend (onder meer) een breekijzer heeft weggegooid dat is gebruikt bij beide inbraken en dat één van de drie verdachten ( [medeverdachte1] ) buit afkomstig van de woninginbraak aan de [adres2] bij zich bleek te hebben. Juist deze omstandigheden vragen om een verklaring van verdachte, maar verdachte heeft zich bij de politie aanvankelijk op zijn zwijgrecht beroepen. Pas bij de rechtbank en later bij het hof geeft verdachte een verklaring voor zijn aanwezigheid op het tijdstip en de plek waarop hij is aangehouden.

Hij heeft verklaard dat hij medeverdachte [medeverdachte1] naar zijn vriendin had gebracht rond 24:00 uur en vervolgens weer had opgehaald op verzoek van [medeverdachte1] . Die verklaring vindt echter geen steun in de inhoud van het dossier, met name ook niet in de verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte1] en [medeverdachte2] en is ook overigens niet te verifiëren.

In het verlengde van het voorgaande concludeert het hof dat, gelet op de weergegeven feiten en omstandigheden en het ontbreken van een aannemelijke verklaring van verdachte, sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de beide medeverdachten. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen van beide tenlastegelegde feiten bewezen.

De gouden ketting

In het aanvullend proces-verbaal van bevindingen (PL0900-2018366705-6) d.d. 26 september 2019) van verbalisant [verbalisant6] is vastgelegd dat en hoe aangever [benadeelde partij2] is geconfronteerd met de stellingname van de verdachte dat de bij hem – verdachte – inbeslaggenomen gouden ketting geen, bij de woninginbraak buitgemaakt, eigendom is van aangever, maar eigendom in van de verdachte (zelf). In dit proces-verbaal is verwoord dat de aangever stellig en gemotiveerd uiteen zet dat de onder de verdachte inbeslaggenomen en aan aangever inmiddels geretourneerde ketting wel degelijk zijn – aangevers - eigendom is. Mede in aanmerking genomen het feit dat de verdachte zich ook overigens weinig open c.q. eerlijk heeft betoond, ziet het hof geen enkele aanleiding om vraagtekens te plaatsen bij het eigendomsrecht van de aangever met betrekking tot de betreffende ketting. De enkele bewering van de verdachte en het tonen van een eerder genomen foto waarop een ketting te zien is waarvan – als vermeld – de aangever gemotiveerd uiteen zet dat dit een andere ketting betreft, volstaan daartoe niet.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 22 december 2018 te [plaats1] , tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om uit een woning gelegen aan de [adres1] één of meer goederen van hun gading en/of geld, toebehorende aan [benadeelde partij1] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak,

- naar de achtertuin van voornoemde woning zijn gegaan en

- met een zaklamp door een ruit van voornoemde woning hebben geschenen en door een ruit van voornoemde woning hebben gekeken en

- een buitenlamp van de muur aan de achterzijde van voornoemde woning hebben los getrokken en

- met een breekvoorwerp hebben gewrikt in een sluitnaad van een ruit en kozijn aan de achterzijde van voornoemde woning,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.


2.
hij in de periode van 21 december 2018 tot en met 22 december 2018 te [plaats1] , tezamen en in vereniging met anderen, in een woning gelegen aan de [adres2] onder andere een sleutelbos en sieraden, waaronder een goudkleurige ketting, toebehorende aan [benadeelde partij2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een woninginbraak en een nachtelijke poging daartoe. Woninginbraken maken een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers, die zich daardoor veelal niet meer veilig voelen in hun eigen woning. Dit blijkt ook uit de verklaring van het slachtoffer [benadeelde partij1] , zoals verwoord in haar vordering benadeelde partij. Tijdens de poging tot woninginbraak was zij alleen thuis en is zij wakker geworden van de harde klappen en breekgeluiden. Zoals blijkt uit haar verklaring heeft zij toen enkele angstige momenten moeten doorstaan. Ook naderhand is dit gevoel van angst vaak teruggekomen. De inbraak die verdachte samen met anderen heeft gepleegd in de woning aan de [adres2] vond plaats op het moment dat de vrouw van slachtoffer [benadeelde partij2] zich in het ziekenhuis bevond. Toen hij terugkwam uit het ziekenhuis was zijn hele huis overhoop gehaald en waren kostbare spullen weggenomen. Verdachte is volledig voorbijgegaan aan de gevolgen die zijn handelen voor de slachtoffers kon hebben en heeft gehad. Hij heeft zich kennelijk domweg laten leiden door zijn behoefte aan geld en spullen.

Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 13 oktober 2020. Hieruit blijkt dat verdachte voor het begaan van de onderhavige feiten niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Nadien is verdachte veroordeeld voor het rijden zonder rijbewijs, waarvoor hem een geldboete van € 180,- is opgelegd.

Het hof houdt voorts rekening met de rapporten van Samen Veilig Midden-Nederland (SaVe) van 24 mei 2019 en 12 november 2020, alsmede met het advies van de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) van 22 oktober 2019. SaVe adviseert de oplegging van een deels voorwaardelijke werkstraf met de maatregel van Toezicht en Begeleiding. De Raad adviseert ook de oplegging van een deels voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf, maar ziet geen aanleiding voor het adviseren van de jeugdreclasseringsmaatregel Toezicht en Begeleiding. De Raad rapporteert voorts dat verdachte zich het jaar voorafgaande aan de rapportage redelijk goed heeft ontwikkeld, niet meer actief in beeld is bij politie en zonder extra begeleiding redelijk goed lijkt te functioneren.

Het hof houdt verder rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die blijken uit het dossier en zoals die tijdens het onderzoek ter terechtzitting van het hof zijn besproken. Van belang is dat verdachte inmiddels voltijd als ZZP'er werkt bij zijn vader als dakdekker en hiervan kan rondkomen. Voorts heeft verdachte de wens geuit om in de toekomst verder te studeren. Gelet op het voorgaande, en ook gelet op de rapportages van SaVe en de Raad alsook de justitiële documentatie, lijkt verdachte zijn leven aldus een positievere wending te hebben gegeven.

Het hof is alles afwegende van oordeel dat oplegging van een voorwaardelijke jeugddetentie en een taakstraf in de vorm van een werkstraf, beide van de hierna aan te geven duur, passend en geboden is. Voor een andere, mildere strafmodaliteit, komt verdachte, gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten, niet in aanmerking. De op te leggen voorwaardelijke jeugddetentie van 4 maanden dient tevens als stok achter de deur teneinde te voorkomen dat verdachte zich in de toekomst nogmaals schuldig zal maken aan een (soortgelijk) strafbaar feit. Het hof ziet gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het rapport van de Raad geen aanleiding om aan de voorwaardelijke jeugddetentie de jeugdreclasseringsmaatregel van Toezicht en Begeleiding te verbinden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 157,67. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 57,67. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte en diens medeverdachten rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 57,67. Verdachte is samen met zijn medeverdachten tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag hoofdelijk zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de verzochte immateriële schade overweegt het hof het volgende. In beginsel bestaat alleen recht op immateriële schadevergoeding bij lichamelijk letsel, aantasting in eer en goede naam of als een benadeelde partij op andere wijze in haar persoon is aangetast.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat van 'aantasting van de persoon op andere wijze' als bedoeld in artikel 6:106 lid 1, onder b van het Burgerlijk Wetboek in ieder geval sprake is indien het handelen van de verdachte bij de benadeelde partij heeft geleid tot geestelijk letsel. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat het om meer moet gaan dan alleen psychisch onbehagen. De benadeelde partij zal volgens de Hoge Raad in ieder geval voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren, waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval een psychische beschadiging is ontstaan. Daarvoor is nodig dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel is of had kunnen zijn vastgesteld. Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij [benadeelde partij1] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de poging tot inbraak heeft geleid tot geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin, nu zij geen stukken van deskundigen ter onderbouwing daarvan heeft overgelegd.

Daarnaast is het mogelijk dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat er sprake is van 'aantasting van de persoon op andere wijze.' Het gaat daarbij echter om uitzonderlijke situaties die dermate ingrijpende gevolgen hebben voor de slachtoffers dat zij op die grond in aanmerking komen voor (immateriële) schadevergoeding. Het hof is van oordeel dat, hoewel het aannemelijk is dat de poging tot inbraak bij [benadeelde partij1] tot angstgevoelens heeft geleid, van een dergelijke situatie in haar geval geen sprake is. Het hof zal haar in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Het hof zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis jegens verdachte opheffen nu dit door de rechtbank bij vonnis niet is gedaan.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 63, 77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde, dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen jeugddetentie.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 4 (vier) maanden.

Bepaalt dat de jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij1] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 57,67 (zevenenvijftig euro en zevenenzestig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij1] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 57,67 (zevenenvijftig euro en zevenenzestig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 22 december 2018.

Heft op het geschorste, tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. H.J. Deuring, voorzitter,

mr. W. Foppen en mr. A.J. Rietveld, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. D. Janssen, griffier,

en op 2 december 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 In de hierna te melden bewijsmiddelen wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar de bijlagen van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd MD2R018216/2018366369/2018366705, gesloten en getekend op 24 januari 2019 door [naam2] , brigadier van politie eenheid Midden-Nederland.

2 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte, voor zover inhoudende de verklaring van [benadeelde partij1] op pagina 1001 e.v. van voornoemd proces-verbaal.

3 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van sporenonderzoek, voor zover inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant1] en [verbalisant2] op pagina's 1013 en 1014 van voornoemd proces-verbaal.

4 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant3] op pagina 1003 van het voornoemde proces-verbaal.

5 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant4] op pagina 1005 van het voornoemde proces-verbaal.

6 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant5] op pagina 1020 van het voornoemde proces-verbaal.

7 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte, voor zover inhoudende de verklaring van [benadeelde partij2] , met Bijlage gestolen goederen, pagina 2000 en verder van het voornoemde proces-verbaal.

8 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant6] op pagina's 1050 en 1057 van het voornoemde proces-verbaal.

9 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant7] en [verbalisant8] op pagina's 2004 en 2009 van het voornoemde proces-verbaal.

10 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van vergelijkend werktuigsporenonderzoek, voor zover inhoudende het relaas van senior forensisch onderzoeker bij politie Midden-Nederland [onderzoeker1] op pagina's 1070 - 1072 van het voornoemde proces-verbaal.

11 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal mastgegevens, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [naam2] op pagina 1092 van het voornoemde proces-verbaal.

12 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal vergelijkend schoensporenonderzoek, voor zover inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant9] en [verbalisant10] op pagina 1079 e.v. van het voornoemde proces-verbaal.