Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:10026

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-12-2020
Datum publicatie
11-12-2020
Zaaknummer
19/01330
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2019:3965, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Integrale proceskostenvergoeding?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 11-12-2020
FutD 2020-3719
V-N Vandaag 2020/3197
NTFR 2021/157
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer: 19/01330

uitspraakdatum: 1 december 2020

Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de erven van [X] te [Z]

(hierna gezamenlijk: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 3 september 2019, nummer AWB 18/5746, ECLI:NL:RBGEL:2019:3965, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst

(hierna: de Inspecteur),

betreffende de hierna te noemen aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2014 met dagtekening 22 juni 2018 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd (hierna: de aanslag). Daarnaast is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht (hierna: de beschikking).

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag en de beschikking gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar, de aanslag en de beschikking vernietigd en de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in de bezwaar- en beroepsfase en terugbetaling van het betaalde griffierecht aan belanghebbende gelast.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 128. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het Hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het Hof – verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een zitting te worden gehoord. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2 Vaststaande feiten

De Rechtbank heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt:

2.1.

De Inspecteur heeft [X] niet uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2014. [X] heeft uit eigen beweging voor 2014 aangifte gedaan welke aangifte door de Inspecteur is ontvangen op 5 december 2017. [X] is overleden [in] 2017.

2.2.

Met dagtekening 22 juni 2018 heeft de Inspecteur de aanslag conform de aangifte vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 18.888. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt met als reden dat de aanslag buiten de wettelijke termijn is opgelegd.

2.3.

Met dagtekening 1 oktober 2018 heeft de Inspecteur het bezwaar afgewezen. De Inspecteur heeft daarbij wel een forfaitair berekende kostenvergoeding toegekend voor het indienen van het bezwaarschrift. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

2.4.

Met dagtekening 29 maart 2019 heeft de Inspecteur - hangende het beroep bij de Rechtbank - de aanslag en de beschikking alsnog verlaagd naar nihil. De Inspecteur heeft in dat kader aan belanghebbende een forfaitair berekende proceskostenvergoeding toegekend in verband met het indienen van het beroepschrift en heeft toegezegd het griffierecht te vergoeden.

In aanvulling op de door de Rechtbank vastgestelde feiten stelt het Hof het volgende vast.

2.5.

Aangezien de Inspecteur de aanslag lopende de beroepsfase bij de Rechtbank heeft verminderd, heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard en de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van de op forfaitaire wijze berekende proceskosten in de bezwaar- en beroepsfase aan de zijde van belanghebbende en voorts terugbetaling van het betaalde griffierecht gelast.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of belanghebbende recht heeft op vergoeding van de werkelijke proceskosten. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank. De Inspecteur is de tegenovergestelde mening toegedaan en concludeert tot bevestiging van die uitspraak.

4 Gronden

4.1.

Niet in geschil is dat de aanslag is opgelegd buiten de wettelijke termijn. In beginsel wordt het beloop van een vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, bepaald met toepassing van artikel 2, lid 1, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) en het in de daarbij behorende bijlage opgenomen puntensysteem. Hierbij geldt dat een vergoeding op grond van het Besluit het karakter heeft van een tegemoetkoming in de werkelijke kosten1.

4.2.

In artikel 2, lid 3, van het Besluit is bepaald dat de bestuursrechter in bijzondere omstandigheden kan afwijken van de op grond van in artikel 2, lid 1, van het Besluit, op forfaitaire wijze, berekende bedragen. Uit vaste jurisprudentie blijkt dat, als de Inspecteur het verwijt kan worden gemaakt dat hij de aanslag heeft vastgesteld of in rechte heeft gehandhaafd, terwijl op dat moment duidelijk is dat die aanslag in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden, dit een reden is om een van het forfait afwijkende vergoeding van proceskosten toe te kennen2. Ook is er grond voor zo’n afwijkende vergoeding als de Inspecteur bij het opleggen van de aanslag in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld3.

4.3.

Belanghebbende verwijt de Inspecteur, naar het Hof begrijpt, enerzijds de aanslag tegen beter weten in buiten de wettelijke termijn te hebben vastgesteld en anderzijds onzorgvuldig handelen. Belanghebbende heeft daartoe gesteld dat de Inspecteur voldoende gelegenheid had om de aanslag binnen de wettelijke termijn op te leggen, nu het gaat om een eenvoudige aangifte die op 5 december 2017 door de Inspecteur is ontvangen en de gemachtigde voorafgaand telefonisch en eind november 2017 per e-mail aan de Inspecteur heeft gemeld dat de aangifte IB/PVV 2014 op korte termijn zou worden ingediend. Ook was de Inspecteur per eind oktober 2016 al op de hoogte van het box 3-vermogen per 1 januari 2014. Dit had de Inspecteur moeten bewegen tijdig een aangiftebiljet IB/PVV 2014 uit te reiken, te verzoeken om verlenging van de aanslagtermijn, een collega in te schakelen dan wel binnen de wettelijke termijn een aanslag op basis van een redelijke schatting op te leggen, aldus belanghebbende. Belanghebbende heeft ook gesteld dat voor conversie van de aanslag in een navorderingsaanslag IB/PVV 2014 het benodigde nieuwe feit ontbreekt, omdat de Inspecteur voor het einde van de aanslagtermijn over alle informatie beschikte om een aanslag op te leggen.

4.4.

De Inspecteur heeft gesteld dat - nu de aangifte IB/PVV 2014 op 5 december 2017 door de Belastingdienst is ontvangen en in 2018 aan de aanslagregelend ambtenaar is aangeboden voor een inhoudelijke behandeling - bij de aanslagregelend ambtenaar de gedachte is opgekomen dat de aanslagtermijn nog niet was verstreken. De Inspecteur heeft hierbij gewezen op de fasen die een ingediende aangifte doorloopt voordat deze door een behandelaar inhoudelijk kan worden beoordeeld. De bezwaarbehandelaar was vervolgens van mening dat aan de Inspecteur een redelijke termijn moet worden gegeven voor het opleggen van de aanslag. Hierbij heeft hij verwezen naar de regelgeving betreffende belastingrente, en heeft hij ook gesteld dat de gegevens in de ingediende aangifte een nieuw feit vormden, mede gelet op de datum waarop de aangifte door de Belastingdienst is ontvangen. Hierdoor was conversie van de aanslag in een navorderingsaanslag IB/PVV 2014 namelijk mogelijk. Ook heeft de Inspecteur gesteld dat het excelbestand dat gemachtigde eind oktober 2016 heeft overgelegd - met daarin het vermogen per 1 januari 2014 - aanleiding heeft gegeven tot langdurige compromis-besprekingen tussen partijen en dat het daarom niet gebruikelijk is op basis daarvan tussentijds een aanslag vast te stellen.

Gelet hierop is er - aldus de Inspecteur - geen sprake van handelen tegen beter weten in, noch van in vergaande mate onzorgvuldig handelen door de Inspecteur.

4.5.

De eerste vraag die beantwoord moet worden is of de Inspecteur het verwijt kan worden gemaakt dat hij de aanslag heeft vastgesteld of gehandhaafd, terwijl duidelijk was dat deze in een procedure geen stand zou houden.

4.6.

De Inspecteur heeft gesteld dat de aanslagregelend ambtenaar bij het vaststellen van de aanslag van mening was dat hij in 2018 de aanslag kon opleggen, aangezien hij de aangifte IB/PVV-2014 pas in 2018 ter behandeling ontving. Het Hof acht de door de Inspecteur gegeven uitleg geloofwaardig en verbindt daaraan de conclusie dat de aanslag is opgelegd ten gevolge van een vergissing. Gelet op het vorenstaande heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de Inspecteur de aanslag tegen beter weten in heeft opgelegd.

Aan het voorgaande doet niet af - zoals belanghebbende heeft gesteld - dat er in de diverse voorafgaande fasen mogelijk onverklaarde vertraging heeft plaatsgehad.

4.7.

Uit de brief van de Inspecteur van 20 september 2018 waarin hij een voorlopige beslissing op het ingediende bezwaarschrift geeft, blijkt dat hij heeft erkend dat de aanslag buiten de wettelijke termijn is opgelegd. Wel heeft hij daarbij het standpunt ingenomen dat de aanslag kon worden geconverteerd in een navorderingsaanslag, aangezien de wettelijke termijn waarbinnen de aanslag moest worden opgelegd te kort was om een aanslag op te leggen en uit de ingediende aangifte IB/PVV 2014 is gebleken dat er sprake was van belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3). In dit geval gaat het niet om de vraag of conversie gelet op regelgeving en jurisprudentie mogelijk was, en daarbij de vraag of er sprake is van een nieuw feit dat navordering zou rechtvaardigen, maar enkel om de vraag of het de Inspecteur kan worden verweten dat hij de aanslag in de bezwaarfase tegen beter weten in heeft gehandhaafd. Een dergelijk verwijt kan de Inspecteur naar het oordeel van het Hof ook ten aanzien van die fase niet worden gemaakt nu bedoeld standpunt niet van iedere redelijke grond is ontbloot noch evident in strijd is met jurisprudentie van de Hoge Raad.

4.8.

Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur niet het verwijt kan worden gemaakt dat hij de aanslag heeft vastgesteld of gehandhaafd, terwijl duidelijk was dat de aanslag in een procedure geen stand zal houden.

4.9.

De tweede vraag die dient te worden beantwoord is of de Inspecteur in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld door de aanslag niet voor afloop van de wettelijke aanslagtermijn vast te stellen. De Inspecteur kan enige mate van onzorgvuldigheid worden verweten, nu belanghebbende de Inspecteur voorafgaand aan het indienen van de aangifte telefonisch en per e-mail heeft ingelicht en de Inspecteur desondanks heeft nagelaten - al dan niet in overleg met belanghebbende - voor eind 2017 een aanslag IB/PVV 2014 op te leggen dan wel een verlenging van de aanslagtermijn af te stemmen. Desondanks kan dit nalaten naar het oordeel van het Hof niet worden gekwalificeerd als in vergaande mate onzorgvuldig handelen door de Inspecteur. Daartoe is hetgeen belanghebbende in dit kader heeft gesteld - zonder nadere toelichting - onvoldoende, mede gelet op hetgeen het Hof heeft overwogen in onderdeel 4.6.

4.10.

Gelet op het voorgaande is er naar het oordeel van het Hof geen sprake van bijzondere omstandigheden die een afwijking van de op grond van in artikel 2, lid 1, van het Besluit forfaitair berekende bedragen rechtvaardigen.

Slotsom

4.11.

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

Griffierecht en proceskosten

4.12.

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep ongegrond;

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, mr. drs. T.A. Gladpootjes en mr. drs. L.B.M. Klein Tank, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Muller als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 december 2020.

De griffier, De voorzitter,

A. Muller A.J. Kromhout

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 1 december 2020.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn.

  3. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. de dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

1 Hoge Raad 25 september 2015, nr. 14/04107, ECLI:NL:HR:2015:2794.

2 Hoge Raad 13 april 2007, nr. 41235, ECLI:NL:HR:2007:BA2802.

3 Hoge Raad 4 februari 2011, nr. 09/02123, ECLI:NL:HR:2011:BP2975.