Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:10004

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-12-2020
Datum publicatie
07-12-2020
Zaaknummer
200.279.153
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1:253a BW; zorg- en informatieregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.279.153

(zaaknummer rechtbank Gelderland 342185)

beschikking van 1 december 2020

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. D. van Bloemendaal te Ermelo,

en

[verweerster] ,

wonende te [A] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.M.P. Gerrits te Wijchen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank van Gelderland, zittingsplaats Zutphen (verder te noemen: de rechtbank), van 6 december 2018, 15 oktober 2019 en 25 februari 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De beschikking van 25 februari 2020 wordt hierna de bestreden beschikking genoemd.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 14 mei 2020;

- het verweerschrift;

- een journaalbericht van mr. van Bloemendaal van 15 oktober 2020 met producties;

- een journaalbericht van mr. van Bloemendaal van 26 oktober 2020 met een productie.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 3 november 2020 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) is [B] verschenen. Met instemming van een ieder is aan een stagiaire van de raad bijzondere toegang tot de mondelinge behandeling verleend.

3 De feiten

3.1

Het huwelijk van de partijen is [in] 2016 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank in de registers van de burgerlijke stand.

3.2

Partijen zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2014 te [A] . De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige] .

3.3

Bij de echtscheidingsbeschikking van 21 juli 2016 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, conform het door partijen ondertekende ouderschapsplan van 30 juni 2016:

- bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de moeder zal zijn;

- als verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [de minderjarige] vastgesteld:

  • -

    dat zij een weekeinde per veertien dagen van vrijdag 18.00 uur tot zondag 16.00 uur, alsmede tijdens een nader te bepalen middag en nacht door de week bij de vader zal verblijven;

  • -

    dat de vader de zorg op zich neemt gedurende de helft van de vakanties en de feestdagen;

- bepaald dat de ouders elkaar over en weer op de hoogte stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van [de minderjarige] en elkaar daarover te raadplegen.

4 De omvang van het geschil

4.1

In de bestreden beschikking heeft de rechtbank naar aanleiding van de (gewijzigde) verzoeken van de vader en de moeder voormelde beschikking van 21 juli 2016 en het ouderschapsplan van 30 juni 2016 gewijzigd en, uitvoerbaar bij voorraad, voor zover hier van belang:

- als regeling ter verdeling van zorg- en opvoedingstaken (hierna ook: de zorgregeling) vastgesteld dat [de minderjarige] eenmaal per twee weken vier uur bij de vader verblijft, waarbij de overdracht plaatsvindt onder begeleiding van een professionele begeleider,

- het verzoek van de vader te bepalen dat de moeder zich houdt aan de wettelijke informatie- en consultatieplicht afgewezen.

4.2

De vader is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De vader verzoekt het hof deze beschikking te vernietigen en bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. de beschikking van 26 juli 2016 en het op 30 juni 2016 ondertekende ouderschapsplan te wijzigen wat betreft de zorgregeling en opnieuw beschikkende, te bepalen dat [de minderjarige] bij hem zal verblijven gedurende eenmaal per veertien dagen van vrijdag 17.00 uur tot zondag 18.00 uur, middels de opbouw volgens de navolgende frequentie:

eerste omgangsweekend van vrijdag 17.00 uur tot vrijdag 19.00 uur, volgende omgangsweekend van:

vrijdag 17.00 uur tot zaterdag 10.00 uur;

vrijdag 17.00 uur tot zaterdag 12.00 uur;

vrijdag 17.00 uur tot zaterdag 14.00 uur;

vrijdag 17.00 uur tot zaterdag 16.00 uur;

vrijdag 17.00 uur tot zaterdag 18.00 uur;

vrijdag 17.00 uur tot zondag 10.00 uur;

vrijdag 17.00 uur tot zondag 12.00 uur;

vrijdag 17.00 uur tot zondag 16.00 uur;

vrijdag 17.00 uur tot zondag 18.00 uur,

alsmede de helft van de vakanties en de feestdagen;

II. te bepalen dat de moeder dient zich te houden aan de wettelijke consultatie- en informatieverplichtingen, door middel van verzending van een e-mail in het tussengelegen weekend, dus eenmaal per veertien dagen, in welk e-mailbericht de moeder melding maakt van de schoolontwikkelingen, persoonlijke ontwikkelingen, sportontwikkelingen en medische ontwikkelingen van [de minderjarige] ,

kosten rechtens.

4.3

De moeder voert verweer en verzoekt het hof de grieven van de vader af te wijzen/te verwerpen, als onjuist en ongegrond en de bestreden beschikking te bekrachtigen, met compensatie van de proceskosten tussen partijen.

5 De motivering van de beslissing

De ontvankelijkheid

5.1

Het hof zal eerst beslissen over de ontvankelijkheid van de vader, nu de moeder stelt dat de vader niet-ontvankelijk is in het door hem ingestelde hoger beroep omdat de rechtbank bij beschikking van 19 oktober 2020 de bestreden beschikking heeft gewijzigd.

5.2

Anders dan de moeder stelt, kan de vader worden ontvangen in het door hem ingestelde hoger beroep tegen de bestreden beschikking. De beschikking van de rechtbank van 19 oktober 2020 heeft alleen betrekking op de begeleiding tijdens de overdrachtsmomenten, maar ziet niet op de frequentie van de zorgregeling die de vader in hoger beroep aan de orde stelt.

Het wettelijk kader

5.3

Ingevolge artikel 1:253a lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan, voor zover hier van belang, omvatten:

a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken;

b. de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd.

5.4

De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechter dient bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht te nemen, wat er in een voorkomend geval toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de afweging van belangen.

5.5

Tussen de ouders is niet in geschil dat sprake is van een wijziging van omstandigheden nadat bij beschikking van 26 juli 2016 een zorgregeling is vastgesteld.

De zorgregeling

5.6

Het hof acht het niet in het belang van [de minderjarige] de zorgregeling uit te breiden naar een regeling waarbij zij, weliswaar met een opbouwperiode, om de week een weekend bij de vader verblijft. Het hof is van oordeel dat de inmiddels door de rechtbank vastgestelde zorgregeling op dit moment het maximaal haalbare is. Na een periode van geen contact tussen de vader en [de minderjarige] is sinds december 2018 sprake van begeleid contact. In de bestreden beschikking is dit begeleide contact gewijzigd in onbegeleid contact.
Op 28 oktober 2020 heeft het eerste onbegeleide contact tussen de vader en [de minderjarige] plaatsgevonden. In de periode vanaf de bestreden beschikking (25 februari 2020) tot
28 oktober 2020 is er geen contact geweest tussen de vader en [de minderjarige] , omdat door de maatregelen tegen het coronavirus de in de bestreden beschikking vastgelegde begeleide overdracht door een professionele begeleider niet meer kon plaatsvinden. Dit heeft ertoe geleid dat de vader een procedure is gestart bij de rechtbank over die overdrachtsmomenten. Uiteindelijk hebben partijen overeenstemming bereikt over hoe de overdrachtsmomenten georganiseerd kunnen worden zonder professionele begeleiding. Deze overeenstemming is vastgelegd in voormelde beschikking van 19 oktober 2020. Gelet op hoe het contact de afgelopen jaren is verlopen, acht het hof het van belang dat het onbegeleide contact tussen de vader en [de minderjarige] eerst voor een langere periode stabiel gaat verlopen, voordat gekeken kan worden of een uitbreiding in het belang van [de minderjarige] is. Positief is dat beide ouders zeggen dat het eerste onbegeleide contact op zich goed is verlopen. Alleen heeft de vader zich niet gehouden aan de afspraak van partijen dat alleen de opa (vaderszijde) [de minderjarige] terugbrengt bij de moeder en is hij tot vlak bij moeders huis meegelopen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader gezegd zich in het vervolg te zullen houden aan deze afspraak en thuis te zullen blijven wanneer opa vaderszijde [de minderjarige] terugbrengt naar de moeder.

5.7

Het hof betrekt in zijn oordeel ook dat de communicatie tussen de ouders nog steeds moeizaam verloopt. Dit vormt ook een belemmering om de zorgregeling uit te breiden. Er is sprake van een complex verleden tussen partijen, maar [de minderjarige] heeft beide ouders nodig in haar leven. Het hof dringt daarom, net als de rechtbank, bij beide ouders erop aan om in het belang van [de minderjarige] te gaan starten met een hulpverleningstraject om te komen tot een vorm van respectvol ouderschap. Nu de moeder bezwaar heeft tegen de in de bestreden beschikking genoemde SCHIP-methode, omdat zij nog niet in staat is met de vader in één ruimte te zijn, zou parallel ouderschap (een vorm van ouderschap waarin zo min mogelijk wordt “samen” gewerkt), een alternatief kunnen zijn, zoals ook de raad heeft voorgesteld.

5.8

Gelet op het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking met betrekking tot

de daarin vastgestelde frequentie van de zorgregeling bekrachtigen, zoals hierna te vermelden.

De informatieregeling

5.9

De vader heeft verzocht een tweewekelijkse informatieregeling vast te stellen, omdat de moeder hem niet informeert over [de minderjarige] . Met de raad, acht het hof een informatieregeling passend en in het belang van [de minderjarige] , maar is de door de vader verzochte frequentie te hoog. De informatieverschaffing is belangrijk, omdat de informatie die de moeder aan de vader verstrekt de vader beter in staat stelt aan te sluiten op de belevingswereld van [de minderjarige] tijdens de omgang. Het hof zal een informatieregeling vaststellen, inhoudende dat de moeder eens per twee maanden gehouden is de vader schriftelijk op de hoogte te stellen over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot [de minderjarige] , zoals recente ontwikkelingen op school, persoonlijke ontwikkeling, sport en medische aangelegenheden.

De proceskosten

5.10

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure het uit het huwelijk geboren kind betreft.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van

25 februari 2020 voor zover daarbij, met wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 21 juli 2016 en het op 30 juni 2016 ondertekende ouderschapsplan, als regeling voor de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken van [de minderjarige] is vastgesteld dat [de minderjarige] eenmaal per twee weken vier uur bij de vader verblijft;

vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van

25 februari 2020, voor zover deze ziet op de afwijzing tot vaststelling van een informatieregeling,

en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt een informatieregeling, met wijziging van de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 21 juli 2016 en het op 30 juni 2016 ondertekende ouderschapsplan, inhoudende dat de moeder eens per twee maanden gehouden is de vader schriftelijk op de hoogte te stellen over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot [de minderjarige] , zoals recente ontwikkelingen op school, persoonlijke ontwikkeling, sport en medische aangelegenheden;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.B. Knottnerus, R. Prakke-Nieuwenhuizen en

D.J.I. Kroezen, bijgestaan door mr. W. Nagelhout als griffier, en is op 1 december 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.