Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:9943

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-11-2019
Datum publicatie
21-11-2019
Zaaknummer
200.235.197/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De levering van een in 2005 gekochte woonboot is juridisch nooit voltooid. De verkoper is in 2015 veroordeeld om daar alsnog aan mee te werken, maar dat is er niet van gekomen. Bij arrest in hoger beroep wordt de verkoper opnieuw veroordeeld om zijn medewerking te verlenen. Wanneer hij dat niet doet, kan de levering toch doorgaan omdat het hof heeft beslist dat het arrest dan in de plaats treedt van de handtekening van de verkoper.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.235.197/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 158850)

arrest van 19 november 2019

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. J.R.L. van Gasteren, kantoorhoudend te Leusden,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [B] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

niet verschenen.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het verstekvonnis van 14 februari 2018 van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, locatie Leeuwarden (hierna: de rechtbank).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 5 maart 2018;

- de memorie van grieven van 5 juni 2018 (met producties).

2.2

Op de eerst dienende dag (27 maart 2018) heeft zich voor [geïntimeerde] geen advocaat gesteld, zodat tegen hem verstek is verleend.

2.3

[appellante] heeft arrest gevraagd en hiertoe de stukken overgelegd. Arrest is bepaald op heden.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten.

3.2

Bij koopovereenkomst van 9 juli 2005 heeft [appellante] een woonboot gekocht van [geïntimeerde] voor € 2.000,-. De woonboot is genaamd [C] en draagt het brandmerk [0000] . Op 9 juli 2005 is de woonboot feitelijk geleverd aan [appellante] .

3.3

In 2013 bleek dat [geïntimeerde] in de registers van het kadaster nog steeds als eigenaar van de woonboot stond geregistreerd. [appellante] heeft [geïntimeerde] benaderd om mee te werken aan wijziging van de registratie bij het kadaster, maar zonder succes.

3.4

[appellante] heeft [geïntimeerde] vervolgens in rechte betrokken. Bij verstekvonnis van

13 oktober 2015 heeft de kantonrechter in de rechtbank Leeuwarden [geïntimeerde] veroordeeld:

"(...) tot volledige medewerking aan de eisende partij [hof: [appellante] ] aan en het nemen van maatregelen tot formalisering van de op 9 juli 2005 gesloten koopovereenkomst met betrekking tot de woonboot " [C] " met brandmerk [0000] , door het doorhalen van de op voormelde woonboot rustende hypotheken in de openbare registers alsmede het doorhalen van de eigendom van de gedaagde partij [hof: [geïntimeerde] ] van voormelde woonboot uit de openbare registers van het Kadaster, en al het nodige te doen zodat de eisende partij in de openbare registers van het Kadaster van voormelde woonboot wordt geregistreerd".

Aan deze veroordeling is een dwangsom verbonden van € 2.000,- per dag met een maximum van € 20.000,-. Ook is [geïntimeerde] veroordeeld tot betaling van de proceskosten en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.5

Nadat [appellante] ten laste van hem beslag had gelegd, is [geïntimeerde] overgegaan tot betaling van de verbeurde dwangsommen. Nadien heeft [appellante] in overleg met [geïntimeerde] een notaris ingeschakeld die de vereiste concept-akten heeft opgesteld. Ondanks dat [geïntimeerde] zijn medewerking heeft toegezegd, is ondertekening van de notariële akten tot op heden uitgebleven.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

Tegen de achtergrond van voormelde feiten stelt [appellante] dat zij geen andere mogelijkheid ziet dan [geïntimeerde] opnieuw in rechte te betrekken. [appellante] heeft in eerste aanleg gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

(1) bepaalt dat het in deze zaak te wijzen vonnis in de plaats zal treden van de voor de eigendomsoverdracht en levering van de woonboot " [C] " met het brandmerk [0000] noodzakelijk op te maken notariële akte;

(2) [geïntimeerde] veroordeelt tot betaling aan [appellante] van de door de notaris gemaakte kosten van € 2.206,95;

(3) [geïntimeerde] veroordeelt tot betaling aan [appellante] van € 331,04 aan buitengerechtelijke kosten;

(4) [geïntimeerde] veroordeelt tot betaling aan [appellante] van de proceskosten (te vermeerderen met de wettelijke rente) en de nakosten.

4.2

In het bestreden vonnis van 14 februari 2018 heeft de rechtbank overwogen dat de hiervoor onder (1) vermelde vordering van [appellante] te onbepaald is en deze afgewezen. Ook de buitengerechtelijke incassokosten zijn door de rechtbank afgewezen. De rechtbank heeft [geïntimeerde] veroordeeld tot betaling aan [appellante] van € 2.206,95. [appellante] is veroordeeld tot betaling van de proceskosten van [geïntimeerde] (nihil). Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

5.1

[appellante] concludeert in de appeldagvaarding tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank van 14 februari 2018 en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties. In de memorie van grieven heeft [appellante] haar vordering gewijzigd en anders geformuleerd. Op grond van art. 130 lid 3 Rv is een verandering van eis uitgesloten tegen een partij die niet in het geding is verschenen, tenzij deze eiswijziging tijdig bij exploot kenbaar is gemaakt aan die partij. In dit geval is gesteld noch gebleken is dat de eiswijziging door [appellante] bij exploot kenbaar is gemaakt aan [geïntimeerde] , die in deze procedure niet is verschenen. Aan de eiswijzing gaat het hof daarom voorbij.

5.2

[appellante] heeft twee grieven ontwikkeld. Grief 1 bestrijdt de afwijzing door de rechtbank van de in 4.1 onder (1) bedoelde vordering. Grief 2 keert zich tegen de proceskostenveroordeling die de rechtbank ten laste van [appellante] heeft uitgesproken.

5.3

Uit de toelichting op grief 1 leidt het hof af dat het in eerste aanleg de bedoeling van [appellante] was een veroordeling van [geïntimeerde] te verkrijgen tot medewerking aan de levering van de woonboot [C] met daarbij de bepaling dat, indien [geïntimeerde] geen uitvoering geeft aan de veroordeling, de uitspraak dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte ex art. 3:300 lid 1 BW. Het hof begrijpt dat de vordering in hoger beroep erop gericht is alsnog een dergelijke veroordeling te verkrijgen. De vordering is niet weersproken en komt het hof niet ongegrond voor, zodat ze op na te melden wijze zal worden toegewezen. In zoverre slaagt grief 1, zodat het bestreden vonnis niet (geheel) in stand kan blijven.

5.4

Het hof kan de rechtbank overigens wel volgen in haar oordeel dat de vordering van [appellante] in eerste aanleg te onduidelijk was om toe te wijzen. Aangezien dit voor rekening en risico van [appellante] komt, zal de proceskostenveroordeling in eerste aanleg in stand worden gelaten. Grief 2 treft daarom geen doel.

5.5

Voor alle duidelijkheid zal het hof het bestreden vonnis van 14 februari 2018 geheel vernietigen, behoudens de daarin uitgesproken proceskostenveroordeling. Het hof begrijpt dat [appellante] de veroordeling tot betaling van € 2.206,95 wenst te handhaven. Tegen de afwijzing van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten heeft [appellante] niet uitdrukkelijk gegriefd, zodat die vordering in hoger beroep niet alsnog toewijsbaar is.

5.6

[geïntimeerde] zal als de in hoger beroep in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van [appellante] (salaris advocaat: 1 punt in tarief I).

De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

vernietigt het bestreden vonnis van de rechtbank van 14 februari 2018, behoudens de daarin uitgesproken proceskostenveroordeling die wordt bekrachtigd,

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] om binnen veertien dagen na betekening van dit arrest zijn volledige medewerking te verlenen aan de (juridische) levering aan [appellante] van de woonboot " [C] " met het brandmerk [0000] , en bepaalt dat, wanneer [geïntimeerde] geen gevolg geeft aan deze veroordeling, dit arrest in de plaats zal treden van de handtekening en/of parafen van [geïntimeerde] onder de voor die levering vereiste notariële akte, zoals bedoeld in art. 3:300 BW;

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellante] van € 2.206,95;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep en stelt die kosten aan de zijde van [appellante] tot aan deze uitspraak vast op € 421,79 aan verschotten en op € 759,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. M.W. Zandbergen en mr. J. Smit, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 19 november 2019.