Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:9894

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-11-2019
Datum publicatie
27-11-2019
Zaaknummer
200.240.384
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onrechtmatig besluit, relativiteit?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.240.384

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht C/16/434384)

arrest van 19 november 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. M.C. Hoogendam,

tegen:

de vereniging Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst,

gevestigd te Utrecht,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: KNMG,

advocaat: mr. A.N.L. de Hoogh.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 28 juni 2017 (comparitievonnis) en 21 maart 2018 (eindvonnis) die de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 29 mei 2018,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord (met producties).

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

[appellant] vordert in het hoger beroep – samengevat – vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog toewijzing van zijn vorderingen, met veroordeling van de KNMG in de proceskosten.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten:

3.1.

[appellant] was vanaf 1984 werkzaam als huisarts.

3.2.

Op 12 januari 2014 heeft [appellant] bij de Registratiecommissie Geneeskundig Specialisten (hierna: de RGS) van KNMG een verzoek tot herregistratie als huisarts per 1 april 2014 ingediend.

3.3.

Bij besluit van 19 mei 2014 heeft de RGS deze aanvraag afgewezen. Reden voor de afwijzing is dat [appellant] volgens de RGS niet voldoet aan twee vereisten voor herregistratie: het draaien van avond-, nacht- en weekenddiensten (anw-diensten) en het volgen van intercollegiale toetsing.

3.4.

Tegen dit besluit is [appellant] in bezwaar gegaan. Bij besluit van 17 oktober 2014 heeft de RGS het bezwaar van [appellant] ongegrond verklaard, waarna hij in beroep is gegaan bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Die heeft het beroep op 21 april 2015 ongegrond verklaard.

3.5.

Daarna is [appellant] in hoger beroep gekomen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die op 6 april 2016 uitspraak heeft gedaan. De Afdeling heeft het hoger beroep gegrond verklaard omdat de RGS, gegeven het beperkt aantal anw-diensten dat [appellant] als huisarts diende te verrichten en het grote aantal diensten dat hij als forensisch arts heeft verricht, in het besluit van 17 oktober 2014 niet heeft gemotiveerd waarom hij werd geacht alle aspecten van de huisartsengeneeskunde minder te beheersen dan een huisarts met een vergelijkbare ervaring die per jaar 25 uur anw-diensten zou hebben verricht.

3.6.

De RGS heeft op 20 mei 2016 een nieuw besluit genomen dat inhoudt dat [appellant] registratie als huisarts met terugwerkende kracht per die datum voor een jaar is verlengd, dus tot 20 mei 2017.

3.7.

Op 30 augustus 2016 heeft [appellant] de RGS aansprakelijk gesteld, die bij brief van 15 november 2016 aansprakelijkheid (weer) van de hand heeft gewezen.

3.8.

In de tussentijd heeft [appellant] van het besluit van 20 mei 2016 beroep ingesteld bij de Raad van State. Die heeft dat beroep op 22 maart 2017 ongegrond verklaard.

3.9.

Op 21 mei 2017 is [appellant] registratie als huisarts doorgehaald.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1.

[appellant] heeft in eerste aanleg – samengevat – gevorderd een verklaring voor recht dat de door de KNMG ingestelde RGS toerekenbaar tekort is geschoten jegens hem door zijn aanvraag tot herregistratie op 17 oktober 2014 te weigeren, met veroordeling van KNMG tot vergoeding van de schade op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente en met veroordeling van KNMG in de proceskosten.

4.2.

De rechtbank heeft bij vonnis van 21 maart 2018 beslist, dat ter zake van de vordering van [appellant] , welke wordt opgevat als te zijn gebaseerd op onrechtmatige daad, er niet is voldaan aan de voor aansprakelijkheid vereiste relativiteit. Immers, de overtreden norm ziet op handhaving van de kwaliteit van te leveren zorg jegens hen die zorg behoeven en niet op inkomens- en pensioenbescherming van de specialist (in dit geval: de huisarts). De vordering tot veroordeling van KNMG tot vergoeding van de schade wegens gederfde inkomsten (op te maken bij staat) dient dan ook afgewezen te worden. In die situatie heeft [appellant] geen belang meer bij de verklaring voor recht dat KNMG onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1.

Kern van het geschil zoals dat door de vier grieven van [appellant] in hoger beroep aan de orde wordt gesteld is de vraag of er sprake is van relativiteit tussen de door [appellant] geleden schade en het onrechtmatig handelen door de RGS, dat wil zeggen of de geschonden norm strekt tot bescherming tegen schade zoals [appellant] die stelt te hebben geleden.

5.2.

Evenals de rechtbank stelt het hof voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat het besluit op bezwaar door de vernietiging ervan door de Raad van State onrechtmatig is en dat deze onrechtmatigheid van RGS aan KNMG is toe te rekenen.

Relativiteit

5.3.

Bij de beoordeling stelt het hof het volgende voorop. Bij de beantwoording van de vraag of is voldaan aan het in artikel 6:163 BW neergelegde vereiste dat de geschonden norm strekt tot bescherming tegen schade zoals de benadeelde die heeft geleden, komt het aan op het doel en de strekking van de geschonden norm, aan de hand waarvan moet worden onderzocht tot welke personen en tot welke schade en welke wijzen van ontstaan van schade de daarmee beoogde bescherming zich uitstrekt (vgl. Hoge Raad 20 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1409). Hierover wordt met betrekking tot de onderhavige door RGS geschonden norm het volgende overwogen.

5.4.

Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) beoogt een zo veel mogelijk uniforme regeling te geven voor alle daarvoor in aanmerking komende beroepen op het gebied van de individuele gezondheidszorg teneinde de kwaliteit van de beroepsuitoefening te bewaken en te bevorderen en het publiek te beschermen tegen ondeskundig en onzorgvuldig handelen (Mvt, Kamerstukken II 1985/86, 19522, 3, p. 2).

Bij de beoordeling zijn vervolgens van belang:

- het besluit van 21 augustus 2008 houdende de algemene eisen voor de opleiding tot huisarts, specialist ouderengeneeskunde en arts voor verstandelijk gehandicapten, de erkenning als opleider, opleidingsinrichting of opleidingsinstituut voor de opleiding tot huisarts, specialist ouderengeneeskunde of arts voor verstandelijk gehandicapten en de registratie en herregistratie van huisartsen, specialisten ouderengeneeskunde en artsen voor verstandelijk gehandicapten (hierna: het Kaderbesluit), zoals vastgesteld door het College voor Huisartsgeneeskunde, Verpleeghuisgeneeskunde en medische zorg voor verstandelijk Gehandicapten;

- het besluit van 21 augustus 2008 houdende opleidings-, erkennings- en (her)registratie-eisen voor het specialisme huisartsengeneeskunde (hierna: het Besluit) van het College voor Huisartsgeneeskunde, Verpleeghuisgeneeskunde en medische zorg voor verstandelijk Gehandicapten.

5.5.

Uit de in het Besluit en Kaderbesluit opgenomen eisen voor herregistratie volgt dat deze eisen alleen zien op het handhaven van de kwaliteit van de door de (in deze) huisarts te leveren zorg jegens hen die zorg behoeven. In het bijzonder wijst het hof daarbij op artikel D. 17 eerste lid, aanhef en onder a en b van het Kaderbesluit en artikel D.2, eerste lid van het Besluit.

5.6.

De hiervoor genoemde regels strekken onmiskenbaar ter bescherming van de kwaliteit van zorg voor de zgn. zorgvragers. In het Kaderbesluit en het Besluit zijn geen aanwijzingen te vinden dat deze regels de inkomens- en pensioenbelangen van de individuele huisarts, in dit geval [appellant] , beschermen.

Uit het vorenstaande volgt dat de herregistratie uitsluitend kan plaatsvinden als, kort gezegd, de arts voldoet aan de geformuleerde kwaliteitseisen uit het Kaderbesluit en het Besluit. Het hof neemt dan ook aan dat deze regels beogen de kwaliteit van de beroepsuitoefening te bewaken en te bevorderen en het publiek te beschermen tegen ondeskundig en onzorgvuldig handelen door de specialist.

De vordering van [appellant] betreft door hem geleden schade wegens verlies aan inkomen en pensioenopbouw. De door de RGS overtreden norm, te weten die van het Kaderbesluit en het Besluit huisartsengeneeskunde, ziet echter niet op inkomens- en pensioenbescherming van de specialist (in deze: de huisarts) maar, als gezegd, op de bescherming van de kwaliteit van de zorg voor zorgvragers. Daarmee is niet voldaan aan de voor aansprakelijkheid vereiste relativiteit van de geschonden norm.

Correctie Langemeijer

5.7.

In de memorie van grieven doet [appellant] een beroep op de zgn. correctie Langemeijer. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van State van 6 april 2016 betoogt [appellant] dat RGS bij haar besluitvorming onvoldoende rekening heeft gehouden met de gerechtvaardigde belangen van [appellant] . Het hof begrijpt de stellingen van [appellant] aldus dat RGS een zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden door niet na te gaan of de nadelige gevolgen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. Het hof oordeelt hierover als volgt.

5.8.

De correctie Langemeijer houdt in dat hoewel de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden, en de schending van die norm dus op zichzelf genomen geen aansprakelijkheid voor die schade schept, toch daarvoor aansprakelijkheid bestaat omdat onder de omstandigheden van het geval die schending bijdraagt tot het oordeel dat een zorgvuldigheidsnorm is geschonden die wèl bescherming biedt tegen die schade (zie Hoge Raad 10 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9317, vgl. voor het bestuursrecht Raad van State 2 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3680 – correctie Widdershoven). De correctie Langemeijer betekent niet dat schending van een wettelijke norm die de benadeelde niet beschermt een factor is die als zodanig gewicht in de schaal legt bij het oordeel of in de omstandigheden van het geval jegens de benadeelde onzorgvuldig is gehandeld. Er moet worden beoordeeld hoe in de omstandigheden van het geval de schending van de wettelijke norm bijdraagt aan het oordeel dat de aangesproken partij onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld jegens de benadeelde. Enkele verwijzing naar mogelijk geleden of te lijden financiële schade volstaat daarvoor niet; concreet moet worden aangegeven op grond waarvan toepassing zou moeten worden gegeven aan de correctie Langemeijer. Aldus rust op de partij die zich beroept op schending jegens hem van een zorgvuldigheidsnorm (al dan niet via de correctie Langemeijer) stelplicht en, zo nodig, bewijslast van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de aangesprokene jegens hem in strijd met een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm heeft gehandeld.

5.9.

De RGS heeft in haar besluit van 19 mei 2014 uitdrukkelijk het belang van [appellant] hernieuwing van zijn inschrijving betrokken (blz. 6). Ook in haar besluit van 20 mei 2016 heeft RGS het belang van [appellant] bij herregistratie afgewogen tegen het algemeen belang en dat laatste belang laten prevaleren (blz. 4), In de uitspraak van 22 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:769, heeft de Raad van State overwogen (onder 6.5): “Dat [appellant] ( [appellant] ; toevoeging hof) ernstig is benadeeld door het besluit van 19 mei 2014 noopte de RGS er evenmin toe om alsnog, in afwijking van de herregistratie-eisen en in afwijking van haar beleid, over te gaan tot herregistratie voor vijf jaar. De RGS heeft aan het belang van bevordering van de kwaliteit van de beroepsuitoefening een groter gewicht mogen toekennen dan aan het belang van [appellant] bij herregistratie voor vijf jaar.”

Gelet op het voorgaande heeft [appellant] onvoldoende gemotiveerd aangevoerd dat RGS niet is nagegaan of de nadelige gevolgen voor [appellant] niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen Het beroep van [appellant] op de zogenoemde correctie Langemeijer faalt dan ook.

5.10.

Het door [appellant] gedane bewijsaanbod wordt gepasseerd omdat hij geen feiten heeft gesteld die –indien bewezen- tot een andere beslissing zou kunnen leiden, dan de hiervoor vermelde beslissing.

6 De slotsom

De grieven falen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van de KNMG zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 726,00

- salaris advocaat € 1.074,00 (1 punt x tarief II)

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten, indien deze niet binnen veertien dagen na betekening van het arrest worden betaald, zal worden toegewezen.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 21 maart 2018;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de KNMG vastgesteld op € 726,00 voor verschotten en op € 1.074,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. van der Pol, O.G.H. Milar en J.G.J. Rinkes, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 19 november 2019.