Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:9863

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-11-2019
Datum publicatie
29-11-2019
Zaaknummer
18/01052
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2018:4161, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Informatiebeschikking. Verstrekken auditfiles.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 29-11-2019
FutD 2019-3129
V-N Vandaag 2019/2752
V-N 2020/7.1.5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 18/01052

uitspraakdatum: 19 november 2019

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] B.V te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 1 oktober 2018, nummer AWB 17/4153, ECLI:NL:RBGEL:2018:4161, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Amsterdam (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De Inspecteur heeft op 30 augustus 2016 ten aanzien van belanghebbende een informatiebeschikking gegeven als bedoeld in artikel 52a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) wegens het niet voldoen aan de verplichtingen vervat in artikel 47 van de AWR (hierna: de informatiebeschikking). De informatiebeschikking heeft betrekking op de omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2015.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en belanghebbende een termijn gegeven van zes weken, gerekend vanaf de dag nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden, om alsnog aan de Inspecteur de in de informatiebeschikking gevraagde informatie te verstrekken.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2019. De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak van belanghebbende met nummer 18/01060.Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende importeert en verkoopt kleding en bijbehorende accessoires voor [A] , een fitnessprogramma onder een geregistreerde merknaam. De verkoop van de kleding en accessoires vindt plaats via een webwinkel, via fysieke winkels en via beurzen.

2.2.

In het kader van een controle over het tijdvak eerste kwartaal 2010 heeft belanghebbende de Belastingdienst/Douane een auditfile over het jaar 2010 verstrekt.

2.3.

Belanghebbende heeft over de tijdvakken 2011 tot en met 2015 aangiften omzetbelasting gedaan.

2.4.

De Inspecteur heeft naar aanleiding van de aangiften omzetbelasting over de tijdvakken 2011 tot en met 2015 belanghebbende verzocht om nadere informatie te verstrekken met betrekking tot deze tijdvakken, waaronder de auditfiles (per jaar).

2.5.

Op 30 juni 2016 heeft belanghebbende een deel van de gevraagde informatie overgelegd aan de Inspecteur (kolommenbalansen, schriftelijke grootboekrekeningen, dagboek bank met alle bijbehorende bankafschriften, dagboek crediteuren met alle bijbehorende facturen van de crediteuren, dagboek verkopen met alle bijbehorende Excel ontvangstgegevens en alle dagrapporten van de verkopen op afstand). Belanghebbende heeft onder andere de gevraagde auditfiles niet overgelegd.

2.6.

De Inspecteur heeft op 12 mei 2016, 24 mei 2016, 26 mei 2016, 15 juni 2016 en 2 augustus 2016 belanghebbende schriftelijk dan wel mondeling verzocht informatie te verstrekken met betrekking tot de jaren 2011 tot en met 2015 (waaronder de auditfiles).

2.7.

Met dagtekening 30 augustus 2016 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een informatiebeschikking gegeven voor de jaren 2011 tot en met 2015, omdat belanghebbende niet of niet geheel aan de informatieverplichting uit hoofde van artikel 47 van de AWR heeft voldaan. De informatiebeschikking luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“In het kader van het boekenonderzoek bij [X] BV, betreffende de aangiften omzetbelasting over de periode 1 januari 2011 tot en met 31 december 2015 is u verzocht om informatie te verstrekken, welke van belang kan zijn voor uw belastingheffing.

(…)

Ik heb u en uw adviseur (de heer [B] ) daarom reeds diverse malen schriftelijk dan wel mondeling verzocht om mij de gevraagde informatie te verstrekken, en wel op de volgende momenten:

(…).

Deze verzoeken zien op de volgende informatie die ik nog niet van u heb ontvangen:

- de audit file (per jaar) met betrekking tot de jaren 2011 tot en met 2015.

Tevens heb ik u en uw adviseur (de heer [B] ) reeds diverse malen schriftelijk gevraagd om mij aanvullende informatie te verstrekken, en wel op de volgende momenten:

(…).

Met betrekking tot deze verzoeken heb ik op de volgende onderdelen géén en/of onvoldoende informatie van u ontvangen:

- Inzake de in 2015 ingevoerde auto's:

- de aankoopfacturen en/of inkoopverklaringen van alle in 2015 ingevoerde auto’s, waaruit blijkt of de auto's in Amerika zijn aangekocht door:

1. [X] BV, of

2. de heer [C] of de heer [D] en vervolgens doorverkocht aan [X] BV;

- per auto onderbouwing over wie de eigenaar is voordat het vervoer van Amerika naar Nederland aanvangt en wie het risico draagt over het vervoer;

- de voorraadadministratie van de in 2015 Ingevoerde auto's door [X] BV;

- de administratieve en financiële afwikkeling (boeking / journaalpost en bankafschrift van betaling) van de in 2015 aangekochte en ingevoerde auto's door [X] BV.

- Het door [X] BV met betrekking tot deze auto's aan de Belastingdienst ingediende verzoek en de aan haar verstrekte beschikking om de verruimde margeregeling van art. 28c lid 1 Wet omzetbelasting te mogen toepassen op de leveringen van door [X] BV zelf ingevoerde voorwerpen voor verzamelingen.

- Voor de in geheel 2015 aan Catawiki geleverde auto's door [X] BV verzoeken wij u om per auto de volgende informatie aan ons te verstrekken:

- de boeking / journaalpost van de inkoop van deze auto;

- de door [X] BV ontvangen aankoopfactuur en/of de inkoopverklaring

van de inkoop van deze auto;

- het bankafschrift van betaling van de inkoop van deze auto;

- de specificatie (chassisnummer) van de inkoop van deze auto;

- de boeking / journaalpost van de levering (verkoop) van deze auto;

- het bankafschrift van ontvangst bij de levering (verkoop) van deze auto, waar het ontvangen

bedrag uit blijkt.

- Uit de van u ontvangen lijst met verkopen aan Catawiki blijken tevens in 2016 verkochte auto's.

Met betrekking tot deze auto's willen wij alleen bovengenoemde informatie voor de auto's die vóór 2016 zijn ingekocht.

- Een detailoverzicht van de voorraadstand auto's ultimo 2015 (voorraadadministratie 2015);

- Een kopie van de door u aangevraagde beschikking, waarin u heeft verzocht om de negatieve

winstmarge voor de globalisatieregeling toe te mogen passen.

- Inzake de in 2012 in Nederland ingekochte 196 auto's:

- Tijdens het onderzoek op het bedrijfsadres van [X] BV ( [a-straat 1] te [Z] ) op 30 juni 2016 heeft uw adviseur aangegeven dat deze 196 auto’s in maart 2013 in een brand in de garage en showroom van [E] zijn verwoest. Daarmee zou belastingplichtige ultimo 2013 geen voorraad auto's meer in de boeken hebben. Uw adviseur wist tijdens het gesprek niet waar de 196 afgebrande auto's zich bevinden. Enkele auto's zouden zijn meegenomen door de politie / brandweer voor onderzoek. Ook zouden uit andere auto's weer auto's voor de verkoop worden samengesteld. Wij ontvangen met betrekking tot deze 196 auto's graag de locatie waar de nog bestaande restanten van deze afgebrande auto's zich bevinden;

- bankafschrift van de betaling van deze 196 ingekochte auto's.

Motivering belastingplichtige

Uw adviseur (de heer [B] ) heeft op 30 juni 2016 mondeling aangegeven dat hij van mening is de audit files niet te hoeven verstrekken. Volgens de heer [B] bevatten deze persoonlijke aantekeningen en omschrijvingen die hij niet met de Belastingdienst wil delen. Ook heeft de heer [B] aangegeven informatie te hebben gevonden op de website van de Belastingdienst, waaruit blijkt dat [X] BV niet verplicht is om de audit files te verstrekken. De heer [B] heeft aangegeven specificaties van grootboekrekeningen voor ons uit te kunnen printen, indien wij deze willen inzien. Op 23 augustus 2016 heeft uw adviseur per e-mail aangegeven: "De oude pakketten van Snelstart hadden geen auditfile en aangezien 2011 is gevoerd met een oude versie van Snelstart is deze niet aanwezig. Versie 7 is zelfs niet meer op te starten. En voorts is de omzet gegenereerd bij Icepay en daar is wel een excellbestand van maar geen auditfile zodat deze ook niet overgelegd kan worden. Als de auditfile zich tot de maker richt, dan moet u aan de maker maar de audit file vragen. De brochure is zo helder als glas er staat: maar de belastingdienst verplicht ondernemers daar niet toe. Daar staat geen woord Spaans bij".

Motivering Belastingdienst

[X] BV heeft op basis van de AWR de verplichting om per jaar de audit file te verstrekken met betrekking tot de jaren 2011 tot en met 2015, zulks ter keuze van de inspecteur en binnen een door de inspecteur te stellen termijn. Belastingplichtige dient ervoor zorg te dragen dat de administratie zodanig dient te zijn ingericht en bewaard dat controle binnen een redelijke termijn mogelijk is, waarbij de benodigde medewerking (met inbegrip van het verschaffen van het benodigde inzicht in de opzet en de werking van de administratie) dient te worden verleend.

Zoals hierboven omschreven heeft de heer [B] op 23 augustus 2016 verklaard dat:

- het jaar 2011 is gevoerd met een oude versie van Snelstart;

- versie 7 niet meer op te starten is;

- de audit file niet aanwezig is en deze niet overgelegd kan worden.

Argumentatie voor het wel kunnen aanmaken en overleggen van de audit file voor 2011

In 2012 heeft een administratieve nacontrole op de invoer van goederen plaatsgevonden bij [X] BV. Dit onderzoek is uitgevoerd door een medewerker van de douane, de heer [F] . Uit de in het dossier aanwezige correspondentie (e-mail van 15 maart 2012 van de heer [F] aan de heer [B] ) blijkt dat de heer [B] op 14 maart 2012 heeft toegezegd de audit file over het jaar 2010 toe te zenden. Tevens blijkt uit de in het dossier aanwezige correspondentie (e-mail van 15 mei 2012 van de heer [B] aan de heer [F] ) dat de heer [B] op 15 mei 2012 de audit file over het jaar 2010 per e-mail heeft verstrekt aan de heer [F] .

Uit de in ons bezit zijnde audit file van het jaar 2010 blijkt het volgende: De heer [B] heeft op 15 mei 2012 de audit file met betrekking tot het jaar 2010 aangemaakt met behulp van het boekhoudpakket 'Snelstart! Boek4' met versie 'V10.1.4'. Het is hierdoor niet aannemelijk dat de boekhouding van een jaar later (2011) is gevoerd met een eerdere versie dan versie 'V10.1.4', zoals de heer [B] verklaard (versie 7). Tevens is het niet aannemelijk dat de heer [B] wel in staat is om een audit file over het jaar 2010 aan te maken, maar dit niet kan voor het hierna gelegen jaar. Tevens is het reeds met oudere versies (Windowsversie 7.50, Windowsversie 5.21 en Dosversie) mogelijk om een audit file aan te maken.

Op basis van de ontvangen audit files voor de periode november 2015 tot en met december 2015 en het jaar 2010 en de hier genoemde argumentatie is het dan ook aannemelijk dat u in staat bent om de audit files op te kunnen leveren voor de jaren 2011 tot en met 2015.

Om een efficiënte en doelmatige controle in te kunnen stellen, is het door ons opvragen van de audit files in dit geval niet onredelijk.

De heer [B] heeft aangegeven dat de audit files persoonlijke aantekeningen en omschrijvingen bevatten die hij niet met de Belastingdienst wil delen. De audit file is een kopie van de digitale administratie. Nu persoonlijke aantekeningen en omschrijvingen volgens de heer [B] zijn opgenomen in de digitale administratie, zijn deze daarmee een onderdeel geworden van de brongegevens en mogen deze niet worden verwijderd.

Ik stel thans dan ook vast dat u niet of niet geheel aan uw informatieverplichting uit hoofde van de AWR heeft voldaan. Ik geef u hiervoor dan ook een informatiebeschikking. Deze is gebaseerd op artikel 52a van de AWR, en wordt aan u afgegeven omdat u ook na herhaalde verzoeken, niet heeft voldaan aan uw informatieverplichtingen van artikel 47 eerste lid letter a en b jo. 49 eerste lid jo. 52 zesde lid van de AWR.

(…)

Als u niet aan uw informatieverplichtingen voldoet en niet of niet tijdig bezwaar maakt tegen

deze beschikking, wordt deze informatiebeschikking onherroepelijk. Dat brengt dan met zich

mee dat u in een nadelige bewijspositie terechtkomt in de bezwaarfase tegen de

belastingaanslagen waarop de informatieverzoeken zien. U dient dan namelijk te bewijzen dat

die belastingaanslagen niet juist zijn, de zogeheten omkering en verzwaring van de bewijslast.

(…)”

2.8.

De Handleiding auditfile december 2001 van de belastingdienst vermeldt – voor zover hier van belang – het volgende:

Voor wie is de handleiding?

Deze handleiding is bestemd voor de makers van financiële software met fiscale raakvlakken die de Auditfile in hun pakket willen opnemen.

De Auditfile bevat een standaardgegevensset uit het financiële grootboek. Bij een belastingcontrole zal een medewerker van de Belastingdienst een ondernemer vragen om dergelijke gegevens uit zijn administratie te verstrekken. Gegevens over bijvoorbeeld de projectadministratie en de loonadministratie staan niet in de Auditfile.

(…)

Achtergrond

Ongeveer 90% van de ondernemers voert de administratie met behulp van een computer. Ondernemers in het midden- en kleinbedrijf maken hierbij meestal gebruik van financiële standaardsoftware. Dit betekent dat bijna iedere ondernemer administratieve basisgegevens in digitale vorm bezit. Volgens de fiscale bewaarplicht moeten ondernemers deze gegevens in digitale vorm bewaren en aanleveren tenzij hun administratie zo gering is dat deze in uitgeprinte vorm gemakkelijk kan worden gecontroleerd. Fysieke verdichting van gegevens is alleen toegestaan als de achterliggende, gedetailleerde gegevens bewaard blijven en binnen redelijke tijd in te zien zijn.

Een controle door de Belastingdienst is nog vaak papier-georiënteerd. Hierdoor worden de voordelen van het gebruik van digitale gegevens voor zowel de ondernemer als de Belastingdienst onvoldoende benut. Met de Auditfile kunnen die voordelen wel worden benut. Voordelen van de Auditfile voor de ondernemer zijn onder andere:

- tijdsbesparing: bij een belastingcontrole zal een ondernemer minder uitleg hoeven te geven over de inrichting van zijn administratie;

- vereenvoudiging: een ondernemer hoeft voor een belastingcontrole zijn gegevens niet meer te converteren naar een voor de Belastingdienst leesbare vorm.

De Auditfile heeft een faciliterende functie; de Belastingdienst stimuleert ondernemers om voor een controle gebruik te maken van de Auditfile maar de Belastingdienst verplicht ondernemers daar niet toe.

(…)”

2.9.

Het proces-verbaal van de zitting bij de Rechtbank vermeldt – voor zover hier van belang – het volgende:

“(…)

De gemachtigde verklaart:

Wij hebben ook niet betwist dat er auditfiles zijn, er zijn auditfiles, die worden gemaakt in versie 11. Wij stellen dat de Belastingdienst de auditfiles al heeft, maar dat zij deze niet mag gebruiken, want deze zijn via een slinkse wijze verkregen. Dat de Belastingdienst de auditfiles al heeft, blijkt ook uit het feit dat de Belastingdienst al aanslagen heeft opgelegd en uit de brief van 19 september 2012. De Belastingdienst heeft de auditfiles al, door daar nogmaals om te vragen is misbruik van recht. Ik ben van mening dat de auditfile niet overgelegd hoeft te worden, omdat anders sprake is van willekeur. Ondernemers die kiezen voor een software met auditfile moeten deze dan overleggen en ondernemers met software waar dat niet mogelijk is, hoeven dat dan niet. Dit leidt tot discriminatie. (…)”

3 Geschil

In geschil is of de Inspecteur terecht een informatiebeschikking aan belanghebbende heeft gegeven. Hierbij is specifiek in geschil of de auditfiles dienen te worden overgelegd op grond van artikel 47 van de AWR.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

In artikel 47 van de AWR is, voor zover hier van belang, bepaald dat ieder is gehouden desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn, alsmede de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan – zulks ter keuze van de inspecteur – waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen.

4.2.

Ingevolge artikel 49 van de AWR dienen de gegevens en inlichtingen binnen een door de inspecteur te stellen termijn duidelijk, stellig en zonder voorbehoud worden verstrekt, mondeling, schriftelijk of op andere wijze, zulks ter keuze van de inspecteur.

4.3.

In artikel 51 van de AWR is, voor zover relevant, bepaald dat voor een weigering aan de in de artikelen 47 en 49 van de AWR omschreven verplichtingen te voldoen niemand zich met vrucht kan beroepen op de omstandigheden dat hij uit enigerlei hoofde tot geheimhouding verplicht is, zelfs niet indien deze hem bij een wettelijke bepaling is opgelegd.

4.4.

In artikel 52a, eerste lid, van de AWR is, voor zover van belang, bepaald dat als met betrekking tot een op te leggen aanslag of een te nemen beschikking niet of niet volledig wordt voldaan aan de verplichtingen ingevolge artikelen 47 en 49 van de AWR, de inspecteur dit kan vaststellen bij voor bezwaar vatbare (informatie)beschikking.

4.5.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de informatiebeschikking ten onrechte is gegeven omdat een informatiebeschikking per jaar had moeten worden gegeven. Bovendien geeft de informatiebeschikking niet aan wat de Inspecteur per jaar wil ontvangen en geeft de informatiebeschikking de gevolgen van het niet verstrekken van de informatie niet weer. De auditfiles maken ook helemaal geen deel uit van de administratie. De auditfiles zijn slechts een bewerking van de boekhouding door de vennootschap zelf, een afgeleide van de administratie met bewerkingen die persoonlijke gegevens bevatten en die ook onvolledig is. Bovendien blijkt uit de ‘‘Handleiding Auditfile” van de belastingdienst, dat belanghebbende niet wettelijk verplicht is de auditfile over te leggen. De auditfile is slechts een faciliterende functie gericht op de ondernemer. Belanghebbende mocht erop vertrouwen dat afgifte van de auditfile niet verplicht was. Door afgifte te vragen van de auditfile is ook sprake van discriminatie ten opzichte van ondernemers die een boekhoudpakket hebben zonder auditfile-functie. Gelijke gevallen moeten gelijk worden behandeld. Voorts gebruikt de belastingdienst de informatiebeschikking voor een heel ander doel dan om de materiële belastingschuld vast te stellen. De belastingdienst is bezig met een fishing expedition en is uit op omkering van de bewijslast. Ten slotte merkt belanghebbende op dat de belastingdienst de auditfiles over 2010, 2011, 2012 en 2015 al heeft.

4.6.

Belanghebbende betoogt onder meer dat de inspecteur die ten aanzien van een belastingplichtige toepassing wil geven aan artikel 52a, eerste lid, van de AWR per belastingjaar een afzonderlijke informatiebeschikking moet geven. Dit betoog faalt. Noch uit de tekst van artikel 52a, eerste lid, van de AWR, noch uit de totstandkomingsgeschiedenis daarvan, volgt dat een informatiebeschikking niet betrekking kan hebben op meer dan één belastingjaar (HR 11 december 2015, nr. 15/02637, ECLI:NL:HR:2015:3489, r.o.2.3.1).

4.7.

Voorts merkt het Hof op dat – anders dan belanghebbende stelt – de Inspecteur in de informatiebeschikking duidelijk heeft aangegeven welke gegevens en informatie hij per jaar wil ontvangen en welke mogelijke gevolgen aan het niet verstrekken van de gevraagde informatie zijn verbonden (zie 2.7).

4.8.

Artikel 47 van de AWR geeft de inspecteur ruime bevoegdheden aan een belastingplichtige informatie te vragen. Het is slechts vereist dat het gevraagde op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing van de betrokken belastingplichtige (HR 8 januari 1986, nr. 23.034, ECLI:NL:HR:1986:AW8125). Voor het antwoord op de vraag of voor een belastingplichtige op grond van artikel 47 van de AWR een verplichting bestaat aan de inspecteur desgevraagd gegevens en inlichtingen te verstrekken en/of boeken, bescheiden en andere gegevensdragers beschikbaar te stellen, is voldoende dat de inspecteur zich, gelet op de hem ter beschikking staande gegevens, in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de door hem gevraagde gegevens, inlichtingen, boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers van belang kunnen zijn voor de belastingheffing ten aanzien van deze belanghebbende (HR 18 april 2003, nr. 38.122, ECLI:NL:HR:2003:AF7498, en HR 18 december 2015, nr. 15/00040, ECLI:NL:HR:2015:3603).

4.9.

Het Hof stelt voorop dat op de Inspecteur de bewijslast rust ter zake van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat hij de informatiebeschikking, omdat belanghebbende niet aan haar verplichtingen ingevolge artikel 47 van de AWR heeft voldaan, terecht heeft gegeven. Dit betekent dat de Inspecteur aannemelijk moet maken dat hij met zijn verzoeken niet de grenzen der redelijkheid heeft overschreden en dat belanghebbende niet aan haar wettelijke informatieverplichting en verplichting om administratief medewerking te verlenen, heeft voldaan.

4.10.

Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur met de door hem gegeven onderbouwing aannemelijk gemaakt dat hij zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat auditfiles voor de belastingheffing van belanghebbende van belang kunnen zijn. Auditfiles betreffen samenvattingen van de gegevens van het grootboek en geven daarmee informatie omtrent de verschuldigde omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2015. Dat de gevraagde auditfiles niet de andere in de informatiebeschikking gevraagde informatie bevatten, doet aan het vorenstaande niet af. Voor de aanwezigheid van een belang als bedoeld in artikel 47 van de AWR is slechts vereist dat het gevraagde op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing van belanghebbende (HR 8 januari 1986, nr. 23.034, ECLI:NL:HR:1986:AW8125).

4.11.

Belanghebbende heeft eerst ter zitting van het Hof gesteld dat er geen auditfiles zijn omdat belanghebbende geen gebruik heeft gemaakt van de auditfilefunctie van het boekhoudprogramma. Het Hof acht deze verklaring van belanghebbende niet geloofwaardig. Belanghebbende heeft bij de Rechtbank expliciet verklaard niet te betwisten dat er auditfiles zijn (zie 2.9). Dit komt overeen met het standpunt van belanghebbende dat de auditfiles persoonlijke gegevens bevatten en haar standpunt dat de belastingdienst reeds de beschikking heeft over de auditfiles van verschillende periodes (2010, 2011, 2012 en 2015). De Inspecteur heeft ter zitting bij het Hof ook bevestigd de auditfiles van november en december 2015 in het bezit te hebben. Dit staat ook in de informatiebeschikking. Daarnaast beschikt de belastingdienst ook over een auditfile over het jaar 2010. Voor zover belanghebbende slechts heeft willen stellen geen auditfiles te hebben over het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 omdat het creëren van een auditfile met het toenmalig gebruikte boekhoudprogramma niet mogelijk was, acht het Hof dit in het licht van het vorenstaande ook niet geloofwaardig. Hierbij heeft het Hof in aanmerking genomen dat belanghebbende over een eerder jaar (2010) wel een auditfile heeft overgelegd.

4.12.

Overigens merkt het Hof nog op dat ook indien belanghebbende geen gebruik heeft gemaakt van de auditfilefunctie van haar boekhoudprogramma dit niet maakt dat de Inspecteur niet van belanghebbende kan verlangen dat belanghebbende de digitale informatie in de vorm van een auditfile verstrekt. Uitgangspunt is dat een belastingplichtige niet kan worden verplicht tot het verstrekken van inlichtingen waarover hij niet beschikt en ook niet kan beschikken (HR 25 januari 2002, nr. 36.063, ECLI:NL:HR:2002:AD8475 en HR 14 augustus 2015, nr. 14/05958, ECLI:NL:HR:2015:2168). Hiervan is echter geen sprake indien de belanghebbende wel beschikt over de informatie en de belastingdienst de informatie in een bepaalde vorm wil hebben en het boekhoudprogramma van de belanghebbende de digitale informatie in de gevraagde vorm kan leveren, in casu zelfs met één druk op de knop. De Inspecteur heeft de keuze op welke wijze een belastingplichtige de gegevens en inlichtingen verstrekt, mondeling, schriftelijk of zoals in casu op andere wijze. Het standpunt van belanghebbende dat dezelfde informatie in pdf-vorm kan worden aangeleverd, ontslaat belanghebbende derhalve niet van de plicht de gevraagde informatie in de door de Inspecteur gewenste vorm aan te leveren, zolang die vorm door het boekhoudprogramma wordt ondersteund.

4.13.

Dat de Inspecteur daarbij mogelijk stukken vraagt die hem reeds (deels) ter beschikking staan of ter beschikking hebben gestaan, doet daaraan niet af, omdat voor de aanwezigheid van een belang als bedoeld in artikel 47 van de AWR, slechts is vereist dat het gevraagde op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing van belanghebbende (HR 8 januari 1986, nr. 23.034, ECLI:NL:HR:1986:AW8125).

4.14.

Voor zover belanghebbende stelt dat de auditfiles persoonlijke gegevens bevatten in die zin dat de gemachtigde ten aanzien van bepaalde boekingen zijn juridische visie op die boekingen in de administratie heeft vermeld, welke opmerkingen ook in de auditfiles zichtbaar zijn, waardoor aan belanghebbende dan wel haar gemachtigde een beroep op geheimhouding toekomt, volgt het Hof dit standpunt niet. Artikel 51 van de AWR bepaalt immers dat voor een weigering aan de in de artikelen 47 en 49 van de AWR omschreven verplichtingen te voldoen niemand zich met vrucht kan beroepen op de omstandigheden dat hij uit enigerlei hoofde tot geheimhouding verplicht is, zelfs niet indien deze hem bij een wettelijke bepaling is opgelegd. Het is aan de belanghebbende om (administratieve) maatregelen te nemen indien kennisneming van de gegevens die voor zijn eigen belastingheffing van belang zijn tevens leidt tot kennisneming van gegevens waarvan hij of zijn gemachtigde stelt een geheimhoudingsplicht te hebben of waarvan hij niet wil dat de belastingdienst daar kennis van neemt, bijvoorbeeld door het voeren van een gescheiden administratie. In dit kader merkt het Hof nog op dat belanghebbende ter zitting van het Hof heeft gesteld dat zij de auditfiles over november en december 2015 wel aan de Inspecteur heeft overgelegd, nadat zij deze had geschoond van bedoelde persoonlijke gegevens.

Vertrouwensbeginsel

4.15.

Voor zover belanghebbende stelt dat aan de Handleiding auditfile december 2001 van de belastingdienst het vertrouwen kan worden ontleend dat een belastingplichtige de auditfile niet hoeft over te leggen, slaagt dit beroep op het vertrouwensbeginsel niet. De passage waarnaar belanghebbende verwijst, geeft slechts aan dat een ondernemer niet verplicht is van een boekhoudprogramma met een auditfilefunctie gebruik te maken, maar zegt niet dat indien de ondernemer hier wel gebruik van maakt, de belastingdienst de informatie niet in de vorm van een auditfile op zal vragen. Als het boekhoudprogramma een dergelijke functie wel kent, dan mag de belastingdienst de digitale informatie in die vorm opvragen (zie 4.12).

Gelijkheidsbeginsel

4.16.

Voor zover belanghebbende stelt dat de belastingdienst door het opvragen van de auditfile gelijke gevallen niet gelijk behandelt, slaagt het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet. Het Hof is van oordeel dat geen sprake is van gelijke gevallen. Belanghebbende heeft immers de beschikking over een boekhoudkundig programma met auditfilefunctie en de ondernemers waarmee zij zich vergelijkt niet.

Detournement de pouvoir

4.17.

Ten slotte slaagt ook het beroep van belanghebbende op schending van het beginsel van detournement de pouvoir niet. Belanghebbende heeft slechts de blote stelling ingenomen dat de belastingdienst de auditfiles voor een ander doel heeft opgevraagd dan in het kader van de belastingheffing.

Slotsom

4.18.

Gelet op het vorenoverwogene is de informatiebeschikking rechtsgeldig vastgesteld door de Inspecteur. Hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd, doet aan deze conclusie niet af. Het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank ter zake van de informatiebeschikking dient daarom ongegrond te worden verklaard. Het Hof zal een nieuwe termijn stellen waarbinnen belanghebbende alsnog de gevraagde inlichtingen en gegevens dient te verstrekken.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof:

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank; en

  • -

    bepaalt dat belanghebbende binnen een termijn van zes weken, gerekend vanaf de dag nadat deze uitspraak onherroepelijk is geworden, de in de informatiebeschikking gestelde vragen dient te beantwoorden en de daarin verzochte informatie dient te verstrekken.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Keulemans, voorzitter, mr. B.F.A. van Huijgevoort en mr. A. van Dongen, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.

De beslissing is op 19 november 2019 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(J.W.J. de Kort) (A.E. Keulemans)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 19 november 2019.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH DEN HAAG.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.