Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:984

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-02-2019
Datum publicatie
11-03-2019
Zaaknummer
WAHV 200.221.831
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De gemachtigde van de betrokkene betwist dat op juiste wijze een sanctie op grond van de Wahv is opgelegd. De inleidende beschikking van 11 juli 2016 kan in de visie van de gemachtigde niet gelden als een beschikking waarbij ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wahv de sanctie wordt opgelegd.

Op grond van een reeks wettelijke bepalingen, concludeert het hof dat de administratieve sanctie op de wettelijk voorgeschreven wijze is opgelegd en bekendgemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.221.831

4 februari 2019

CJIB 153496383

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel

van 7 juli 2017

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] ,

voor wie als gemachtigde optreedt [B] ,

wonende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, de beslissing van de officier van justitie vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.

Het hoger beroepschrift is aangevuld bij schrijven d.d. 22 mei 2018.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Op 11 januari 2019 zijn nog aanvullende stukken van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen.

De zaak is behandeld op de zitting van 21 januari 2019. De gemachtigde van de betrokkene is verschenen, bijgestaan door dhr. [D] . De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [E] .

Beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter door zijn beslissing te beginnen met de overweging "Aan betrokkene is op 11 juli 2011 een sanctie opgelegd…", de indruk wekt ervan uit te gaan dat wel degelijk een sanctie is opgelegd. Het standpunt van de betrokkene was en is dat nooit een sanctie is opgelegd. De kantonrechter wekt zo de schijn van vooringenomenheid ten opzicht van het standpunt van de betrokkene.

2. De kantonrechter is zijn opsomming van wat ter zitting is voorgevallen, besproken en door de kantonrechter is overwogen, begonnen met voormelde passage. Hij heeft dit uit het oogpunt van het bieden van rechtsbescherming van de betrokkene kunnen doen, om zichzelf aldus op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) bevoegd te achten om de namens de betrokkene aangevoerde bezwaren te bespreken, zoals de kantonrechter ook met zoveel woorden heeft overwogen. Het argument van de gemachtigde vormt daarom geen reden voor vernietiging van de beslissing van de kantonrechter.

3. De gemachtigde is verder van mening dat de kantonrechter er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat de zogenoemde "inleidende beschikking" met dagtekening 11 juli 2011 niet heeft te gelden als de beschikking waarbij ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wahv de sanctie wordt opgelegd. Er is geen sanctie opgelegd. Slechts het bevoegde bestuursorgaan, de aangewezen ambtenaar in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Wahv, kan en mag een sanctie opleggen. Deze aangewezen ambtenaar moet een rechtshandeling verrichten, dat wil zeggen dat hij een op een rechtsgevolg gerichte wilsverklaring moet geven houdende het besluit tot oplegging van de sanctie aan de betrokkene. Die rechtshandeling moet in een Wahv-zaak blijken uit een schriftelijk stuk, afkomstig van de aangewezen ambtenaar zelf. Een betrokkene moet zonder daarvoor al te veel moeite te hoeven doen kunnen controleren welke aangewezen ambtenaar jegens hem heeft besloten tot oplegging van een sanctie. De bekendmaking van de beslissing tot oplegging van de sanctie moet bovendien gebeuren door het bestuursorgaan dat de sanctie heeft opgelegd. Er moet dus niet alleen worden voldaan aan de eisen van de Wahv, maar ook aan die van de Awb (in het bijzonder de artikelen 10:11 en 10:12) en het Burgerlijk Wetboek (BW), in het bijzonder artikel 3:33 BW. In deze zaak ontbreekt een van de aangewezen ambtenaar afkomstige schriftelijke verklaring dat hij heeft besloten tot het opleggen van de sanctie aan de betrokkene. Ook blijkt niet dat de aangewezen ambtenaar de slechts aan hem toekomende bevoegdheid tot bekendmaking van zijn veronderstelde besluit tot oplegging van een sanctie heeft gemandateerd aan het CJIB. Over de noodzaak van mandaatkwestie heeft de kantonrechter zich niet uitgelaten.

4. Het hof stelt vast dat aan de betrokkene een op 11 juli 2011 gedateerd, van het CJIB afkomstig, document is toegezonden waarbij hem is meegedeeld dat een verkeersvoorschrift is overtreden en dat de betrokkene deze beschikking, waarbij een administratieve sanctie is opgelegd, ontvangt.

5. Met betrekking tot de vraag of aldus op juiste wijze een sanctie op grond van de Wahv is opgelegd, stelt het hof voorop dat de Wahv, die eerder in werking is getreden dan de Awb, een speciale wet is ten opzichte van de Awb. Bij de invoering van de Awb is de Wahv op onderdelen aangepast. Een en ander betekent dat niet in de Wahv opgenomen bepalingen uit de Awb niet zonder meer gelding hebben en dat het gevoerde verweer primair dient te worden beoordeeld aan de hand van het ten tijde van het document bij en krachtens de Wahv bepaalde.

6. Artikel 2, eerste lid, van de Wahv houdt - voor zover hier van belang - in:

"Ter zake van de in de bijlage bij deze wet omschreven gedragingen die in strijd zijn met op het verkeer betrekking hebbende voorschriften gesteld bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994, de Provinciewet of de Gemeentewet (Stb. 1992, 96), worden op de wijze bij deze wet bepaald administratieve sancties opgelegd."

7. Artikel 3 van de Wahv houdt - voor zover hier van belang - in:

"1. Met het toezicht op de naleving van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde voorschriften zijn belast de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen ambtenaren.

2. De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn bevoegd tot het opleggen van een administratieve sanctie ter zake van de door hen of op geautomatiseerde wijze vastgestelde gedragingen aan personen die de leeftijd van twaalf jaren hebben bereikt."

8. Artikel 4 van de Wahv houdt - voor zover hier van belang - in:

"1. De administratieve sanctie wordt opgelegd bij een gedagtekende beschikking. De beschikking bevat een korte omschrijving, onder verwijzing naar de aanduiding in de bijlage, van de gedraging ter zake waarvan zij is gegeven en het voor die gedraging bepaalde bedrag van de administratieve sanctie, de datum en het tijdstip waarop, alsmede de plaats waar de gedraging is geconstateerd. Bij ministeriële regeling worden het model van de beschikking en dat van de aankondiging van beschikking vastgesteld, of de eisen waaraan het model moet voldoen.

2. Zo mogelijk wordt aanstonds een aankondiging van de beschikking uitgereikt aan degene tot wie zij zich richt, of wordt deze achtergelaten in of aan het motorrijtuig. De bekendmaking van de beschikking geschiedt binnen vier maanden nadat de gedraging heeft plaatsgevonden, door toezending van de beschikking."

9. Artikel 2, eerste lid, van de Regeling modellen en formulieren ten behoeve van de handhaving Justitie houdt in:

"Het model van de beschikking, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften vermeldt in ieder geval:

a. de naam van de overtreder;

b. de gedraging, alsmede het overtreden voorschrift;

c. het te betalen sanctiebedrag;

d. de termijn waarbinnen de betaling moet plaatsvinden;

e. een aanduiding van de plaats waar en de datum en het tijdstip waarop de gedraging is geconstateerd."

10. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit Instelling Centraal Justitieel Incassobureau is het Centraal Justitieel Incassobureau belast met de taken die hem bij algemene maatregel van bestuur zijn opgedragen.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel verricht het Centraal Justitieel Incassobureau de werkzaamheden die uit de taken, als bedoeld in het eerste lid, voortvloeien en die Onze Minister van Justitie of het openbaar ministerie van hem verlangen.

11. Artikel 5 van het Besluit administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 1994 (hierna: Bahv) houdt in:

"1. Het Centraal Justitieel Incassobureau heeft tot taak het openbaar ministerie te ondersteunen bij zijn taak met betrekking tot de inning van de administratieve sancties en de daarop gevallen verhogingen en kosten, bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de wet.

2. Het Centraal Justitieel Incassobureau verricht werkzaamheden die Onze Minister of het openbaar ministerie van hem in verband met de uitoefening van hun taken verlangen.

3. De bevoegde ambtenaren verstrekken het Centraal Justitieel Incassobureau de gegevens, die het behoeft in verband met de uitvoering van dit artikel."

12. De hiervoor weergegeven bepalingen eisen niet dat er een schriftelijk besluit moet zijn van de ambtenaar die de sanctie oplegt, dat deze de sanctie oplegt. Het hof heeft in vaste jurisprudentie aanvaard dat het besluit tot oplegging van de sanctie (door de betrokkene omschreven als de op rechtsgevolg gerichte wilsverklaring) door de aangewezen ambtenaar kan worden genomen door het aanleveren van de gegevens van de gedraging aan het CJIB. Het CJIB is op zijn beurt, op de voet van artikel 5, tweede lid, Bahv, belast met het neerleggen van dat besluit in een document en het bekend maken van dat document

(vgl. de arresten van 19 februari 2014 en 31 oktober 2014, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2014:1243 respectievelijk ECLI:NL:GHARL:2014:8369).

13. Het door het CJIB aan de betrokkene toegezonden document met dagtekening 11 juli 2011 houdt de schriftelijke bevestiging in van het door de aangewezen ambtenaar genomen besluit tot oplegging van de sanctie aan de betrokkene. Dat document moet worden aangemerkt als de beschikking in de zin van artikel 4, eerste lid, van de Wahv. Het toegezonden document voldoet aan de daartoe bij en krachtens de Wahv gestelde eisen. Hetgeen de betrokkene meer en anders eist vindt geen steun in het recht. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat de administratieve sanctie aldus op de wettelijk voorgeschreven wijze is opgelegd en bekendgemaakt.

14. De gemachtigde voert verder aan dat onduidelijk is welke van de betrokken ambtenaren, dhr. [F] en mw. [G] , verondersteld moet worden de sanctie te hebben opgelegd. De kantonrechter is onvoldoende ingegaan op hetgeen de politie bij beslissing van 30 maart 2016 heeft meegedeeld, aldus de gemachtigde.

15. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de gedraging is vastgesteld door verbalisant [F] , met nummer [0000] , en dat hij ook de gegevens ter oplegging van de sanctie heeft doorgegeven aan het CJIB.

16. Het zaakoverzicht vermeldt dat de 'uitvoerend ambtenaar' het dienstnummer [0000] heeft en [F] heet. Tot de stukken in het dossier behoort verder een door de gemachtigde in de procedure bij de kantonrechter overgelegde beslissing op bezwaar van de Politie van

30 maart 2016. Daarin staat dat dhr. [F] , verkeersassistent B, de gedraging heeft geconstateerd. Ook staat daarin dat mw. [G] , Medewerker [H] , vervolgens de gegevens in de Transactiemodule heeft verwerkt en ze daarmee aan het CJIB heeft aangeleverd.

17. Gelet hierop moet worden vastgesteld dat dhr. [F] de gedraging heeft vastgesteld en heeft besloten daarvoor een sanctie op te leggen aan de betrokkene waartoe de gegevens aan het CJIB moeten worden doorgestuurd. Artikel 3, tweede lid, van de Wahv, waarin de aangewezen ambtenaar bevoegd wordt verklaard ter zake van door hem zelf vastgestelde gedragingen een sanctie op te leggen, staat er niet aan in de weg dat deze daarbij gebruik maakt van bij de politie aanwezige administratieve ondersteuning, hier mw. [G] , die de gegevens feitelijk doorstuurt naar het CJIB (vgl. het arrest 19 februari 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:1243, ov.12).

18. Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat aan de betrokkene op de juiste wijze door een daartoe bevoegde ambtenaar de sanctie is opgelegd. De kantonrechter heeft het beroep tegen de inleidende beschikking derhalve terecht ongegrond verklaard.

19. De omstandigheid dat de kantonrechter in zijn beslissing ook heeft gebruik gemaakt van een aantal, voor zijn beslissing niet dragende, overwegingen in het arrest van 5 juni 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:4324, die betrekking hebben op een andere wijze van vaststelling van de gedraging, namelijk automatisch, doet aan de juistheid van de conclusie van de kantonrechter dat het beroep ongegrond moet worden verklaard niet af.

20. Met betrekking tot het verder gevoerde verweer dat de kantonrechter ten onrechte een aantal door de gemachtigde aangevoerde argumenten niet dan wel onvoldoende heeft meegewogen in zijn oordeel, overweegt het hof dat, nu de gemachtigde niet met voldoende precisie heeft aangegeven dat en waarom de kantonrechter verkeerd heeft beslist, dit geen aanleiding kan zijn om de beslissing van de kantonrechter te vernietigen.

21. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.