Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:9267

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-10-2019
Datum publicatie
31-10-2019
Zaaknummer
200.262.943/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Exhibitievordering op grond van art. 843a Rv grotendeels toegewezen. Daarbij is bepaald dat een voorschot moet worden betaald voor de kosten van het verstrekken van afschriften.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.262.943/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 158283)

arrest van 29 oktober 2019 in het incident ex art. 843a Rv in de zaak van:

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant, tevens eiser in het incident,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. S.H.O. Aben, kantoorhoudend te Weert,

tegen

Koninklijke Vereniging "Het Friesch Paarden-Stamboek",

gevestigd te Drachten,

geïntimeerde, tevens verweerster in het incident,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: KFPS,

advocaat: mr. W.M. Sturms, kantoorhoudend te Leeuwarden.

1 Het geding in eerste instantie

1.1

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 14 maart 2018 en 10 april 2019 van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, locatie Leeuwarden (hierna: de rechtbank).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de appeldagvaarding (met een omvang van 85 pagina's) tevens houdende memorie van grieven tevens houdende eiswijziging tevens houdende incidentele vordering ex artikel 843a Rv van 9 juli 2019 (met 65 producties);

- de incidentele antwoordconclusie ex art. 843a Rv (met één productie).

2.2

In de hoofdzaak heeft [appellant] geconcludeerd zoals aan het slot van de memorie van grieven is vermeld. Met een beroep op art. 843a Rv concludeert [appellant] in het incident dat het hof KFPS ertoe veroordeelt om aan hem een afschrift te verschaffen van:

( a) Het originele dekboek [paard1] uit 1996;

( b) De originele dekboeken [paard1] uit 1993 tot en met 1995 en 1997;

( c) Het analysecertificaat van 14 mei 2003 van [paard2] ;

( d) De aanvraag DNA-verificatie [paard3] in 2012;

( e) De onderzoeksrapportage van 28 november 2012 / analysecertificaat DNA-onderzoek [paard3] van 28 november 2012.

Eén en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van KFPS in de kosten van het incident, vermeerderd met de wettelijke rente.

2.3

KFPS heeft in het incident bezwaar gemaakt tegen het verstrekken van afschriften van alle pagina's uit de aangegeven dekboeken, tegen het opleggen van een dwangsom en tegen de gevraagde proceskostenveroordeling. Voor het overige heeft KFPS geconcludeerd tot referte.

2.4

Partijen hebben de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest in het incident. Ten onrechte heeft [appellant] daarbij volstaan met het indienen van de stukken van het hoger beroep. Dit is in strijd met art. 5.4 in samenhang met art. 5.2 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (Lpr) dat van toepassing is op zaken die zijn aangebracht vóór 1 oktober 2019. Voor de ontbrekende stukken heeft het hof geput uit het procesdossier dat door KFPS is ingediend. Bovendien zijn de producties bij de appeldagvaarding in het door [appellant] overgelegde procesdossier in strijd met art. 2.8 Lpr niet gescheiden door tabs. Bij hernieuwde schendingen van het Lpr zal het procesdossier van [appellant] worden teruggestuurd en zal het hof niet eerder arrest wijzen dan dat een op deugdelijke wijze toegankelijk gemaakt procesdossier is ingediend.

3 De feiten, het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

Het gaat in deze zaak in het kort om het volgende.

3.2

[appellant] heeft op 8 september 1998 de merrie [paard3] gekocht. Op diezelfde dag is [appellant] lid geworden van KFPS. In het stamboekregister van KFPS is opgenomen dat de vader van [paard3] de hengst [paard1] is en de moeder de merrie [paard2] .

3.3

[paard1] was een stamboekdekhengst. [appellant] is met [paard3] gaan fokken. Op één veulen na ( [paard4] , 2012) zijn haar veulens geregistreerd in het stamboek. [paard3] is in juli 2012 gestorven. Enige maanden daarna is [paard4] door [appellant] bij KFPS ter registratie in het stamboek aangeboden. In opdracht van KFPS heeft een onderzoek plaatsgevonden naar het DNA-profiel van [paard3] . Daaruit kwam naar voren dat [paard2] wel, maar [paard1] niet in aanmerking komt voor het ouderschap van [paard3] . De werkelijke vader van [paard3] is niet meer te achterhalen. Bij brief van 18 februari 2013 heeft KFPS daarom aan [appellant] laten weten dat [paard3] en haar veulens niet geregistreerd kunnen blijven in de hoofdsectie van het KFPS stamboekregister.

3.4

[appellant] heeft naar aanleiding hiervan de twee vorige eigenaren van [paard3] in rechte betrokken en schadevergoeding gevorderd. Bij eindvonnis van 14 december 2016 van de rechtbank Oost-Brabant, locatie Den Bosch, zijn de vorderingen van [appellant] afgewezen. Tegen dit vonnis heeft [appellant] geen hoger beroep aangetekend.

3.5

In eerste aanleg heeft [appellant] gevorderd een verklaring voor recht dat KFPS aansprakelijk is voor de schade die [appellant] heeft geleden door onrechtmatig handelen en/of nalaten door KFPS en een veroordeling tot betaling van schadevergoeding, nader op te maken bij staat, met nevenvorderingen. De grondslag voor deze vorderingen is kort gezegd dat KFPS onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant] door [paard3] ten onrechte in het Friesch paardenstamboek te registreren en doordat KFPS bij de registratie van [paard3] niet de juiste procedures in acht heeft genomen.

3.6

In het eindvonnis van 10 april 2019 heeft de rechtbank de vorderingen van [appellant] afgewezen en hem in de proceskosten veroordeeld, uitvoerbaar bij voorraad.

4 De beoordeling in het incident

4.1

Ter onderbouwing van zijn incidentele vordering, zoals aangehaald in rechtsoverweging 2.2, heeft [appellant] kort gezegd aangevoerd dat hij recht heeft op en belang bij het verstrekken van de gevraagde gegevens door KFPS.

4.2

KFPS heeft aangevoerd dat [appellant] niet eerder om de gevraagde stukken heeft verzocht. Ten aanzien van de in 2.2 genoemde stukken, heeft KFPS het volgende aangevoerd:

ad a-b In de dekboeken van [paard1] zijn tussen 1993 en 2006 meer dan 1.000 dekkingen geregistreerd. KFPS kan de originele dekboeken niet afgeven, maar KFPS heeft er geen bezwaar tegen dat [appellant] de originele dekboeken bij haar op kantoor komt inzien. KFPS is bereid om [appellant] kopieën te verstrekken van de informatie uit de dekboeken die hij relevant acht. Omdat het mogelijk gaat om een paar honderd kopieën die één voor één moeten worden gemaakt, is KFPS niet bereid om dit gratis te doen;

ad c KFPS beschikt niet over een analysecertificaat van [paard2] van 14 mei 2003. Dit certificaat berust bij Dr. Van Haeringen Laboratorium B.V. te Wageningen (hierna: VHL). KFPS ziet niet in welk belang [appellant] hier bij heeft, omdat niet in geschil is dat [paard2] de moeder van [paard3] is. Niettemin heeft KFPS er geen bezwaar tegen om VHL te vragen om een kopie van het analysecertificaat aan [appellant] te verstrekken;

ad d Er bestaat geen aanvraag DNA-verificatie [paard3] uit 2012. VHL is in 2012 immers niet gevraagd onderzoek te doen naar de afstamming van [paard3] . Het onderzoek uit 2012 had betrekking op de afstamming van haar veulen [paard4] .

ad e Volgens KFPS beschikt [appellant] al over deze stukken, aangezien hij die als de producties 46 en 51 bij de appeldagvaarding in het geding heeft gebracht.

4.3

Een exhibitievordering zoals hier aan de orde komt in beginsel voor toewijzing in aanmerking, als is voldaan aan de volgende uit art. 843a lid 1 Rv voortvloeiende, cumulatieve voorwaarden:
(1) degene die de vordering instelt, dient een rechtmatig belang te hebben, en
(2) het moet gaan om bepaalde bescheiden (3) aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser of zijn rechtsvoorganger partij is.
Is aan deze voorwaarden voldaan, dan bestaat op grond van art. 843a lid 4 Rv desalniettemin geen gehoudenheid tot overlegging van de bescheiden indien daarvoor gewichtige redenen bestaan, of indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd.

4.4

Tegen de achtergrond van de feiten en gelet op de gemotiveerde betwisting door KFPS, heeft [appellant] heeft niet voldoende aannemelijk gemaakt dat een DNA-verificatie van [paard3] uit 2012 daadwerkelijk bestaat. De vordering ten aanzien van de onder 2.2 sub (d) genoemde aanvraag zal daarom worden afgewezen.

4.5

In de brief van VHL van 24 december 2015 (productie 51 bij de appeldagvaarding) is op pagina 3 vermeld dat voor het afstammingsonderzoek van [paard3] op

23 oktober 2012 een haarmonster is ontvangen dat is geregistreerd onder VHL_ID P219223. De uitkomsten van dit onderzoek zijn vermeld in het "rapport onderzoek paard" van VHL (productie 46 bij de appeldagvaarding) waarin hetzelfde identificatienummer van het haarmonster is vermeld. KFPS heeft hiermee aannemelijk gemaakt dat [appellant] reeds beschikt over de stukken waar zijn vordering onder (e) betrekking op heeft, zodat die vordering bij gebrek aan belang zal worden afgewezen.

4.6

KFPS zegt de originele dekboeken van [paard1] niet te mogen afgeven, maar is wel bereid daarvan kopieën te verstrekken, voor zover [appellant] na inzage van de originelen daar belang bij zegt te hebben Tegen toewijzing van de vordering wat betreft de in 2.2. onder a, b en c gevraagde bescheiden is verder geen verweer gevoerd, behoudens tegen de kosten die met het verstrekken van kopieën gepaard gaan. Het hof zal die vordering toewijzen met een bepaling over de kosten als hierna volgt.

4.7

Het hof zal de termijn waarbinnen aan de veroordeling moet worden voldaan, vaststellen op veertien dagen na dit arrest. Dat lijkt voldoende voor KFPS om te zorgen voor een afschrift van het analysecertificaat van 14 mei 2003 van [paard2] en voor partijen om in overleg een datum voor de inzage van de originele dekboeken van [paard1] vast te stellen. Vooralsnog ziet het hof geen aanleiding om aan de veroordeling een dwangsom te verbinden, nu de noodzaak voor een financiële prikkel tot nakoming niet aanwezig lijkt.

4.8

KFPS heeft terecht opgemerkt dat het verstrekken van afschriften niet kosteloos hoeft te gebeuren. Op grond van art. 843a Rv is [appellant] gehouden de kosten die KFPS moet maken voor het verstrekken van afschriften aan KFPS te voldoen. Schattenderwijs stelt het hof de kosten vast op € 50,- per uur (excl. btw). Hierin zijn begrepen de kosten voor de inzet van (een) kantoormedewerker(s), materiaal en de apparaatskosten. Ervan uitgaande dat de inzage en het kopiëren in één werkdag zijn af te handelen, zal het hof bepalen dat [appellant] een voorschot van € 400,- (excl. btw) dient te betalen. De gespecificeerde meer- of minderkosten dient [appellant] na verstrekking van de stukken op basis van een daartoe door KFPS te verstrekken factuur met KFPS af te rekenen. Uiteindelijk kunnen de kosten van het verstrekken van de afschriften ten laste komen van de partij die in de hoofdzaak in het ongelijk wordt gesteld en in de proceskosten wordt veroordeeld. Bij de vaststelling van die proceskostenveroordeling zal ook worden betrokken de stelling van KFPS dat [appellant] buiten rechte nimmer heeft gevraagd om de stukken waarvan hij nu in rechte afgifte vordert, terwijl een dergelijk verzoek door KFPS welwillend zou zijn behandeld.

4.9

De slotsom luidt dat de vordering van [appellant] gedeeltelijk zal worden toegewezen, en wel op na te melden wijze. De beslissing omtrent de kosten van het incident zal worden gereserveerd tot de einduitspraak. De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen om voort te procederen.

De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

in het incident

veroordeelt KFPS om aan [appellant] afschriften te verstrekken van die delen van de originele dekboeken van [paard1] uit 1993 tot en met 1997 die door [appellant] bij inzage van de dekboeken als relevant worden aangemerkt;

veroordeelt KFPS om aan [appellant] een afschrift te verstrekken van het analysecertificaat van 14 mei 2003 van [paard2] ;

één en ander binnen veertien dagen na dit arrest en na betaling door [appellant] aan KFPS van een voorschotbedrag van € 400,- (excl. btw) ter vergoeding van de kosten van KFPS;

bepaalt dat omtrent de kosten van het incident zal worden beslist bij einduitspraak in de hoofdzaak;

wijst af wat meer of anders is gevorderd;

in de hoofdzaak

verwijst de (hoofd)zaak naar de rol van dinsdag 10 december 2019 voor memorie van antwoord.

Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. M.W. Zandbergen en mr. J. Smit, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 29 oktober 2019.