Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:9250

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-10-2019
Datum publicatie
31-10-2019
Zaaknummer
200.238.058/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling nalatenschap. Afwijzing verzoek ex art. 3:178 lid 3 BW. Deelgenoot moet woning die tot nalatenschap behoort ontruimen. Machtiging verkoop via makelaar met stappenplan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2019/351
ERF-Updates.nl 2019-0262
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.238.058/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/154167 / HA ZA 17-77)

arrest van 29 oktober 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant in het principaal hoger beroep,
geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna: [appellant],

advocaat: thans mr. F.P. van Dalen, kantoorhoudend te Leeuwarden,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [A] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,
appellante in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. T.E. Heslinga, kantoorhoudend te Leeuwarden.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van
21 juni 2017 en 31 januari 2018 die de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenarrest van 16 april 2019 en de daarin vermelde stukken, alsmede de navolgende stukken:
- de memorie van antwoord in incidenteel appel d.d. 4 december 2018;
- de akte wijziging c.q. aanvulling/vermeerdering van eis d.d. 3 september 2019.

2.2.

In het tussenarrest heeft het hof een enkelvoudige comparitie van partijen gelast, die op 3 september 2019 heeft plaatsgevonden; het daarvan opgemaakte proces-verbaal maakt deel uit van de stukken.

2.3.

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1.

Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2.1 van het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 31 januari 2018 is geen grief ontwikkeld en ook anderszins is niet van bezwaren daartegen gebleken, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan. Deze feiten, aangevuld met feiten die in hoger beroep zijn komen vast te staan, zijn de navolgende.

3.2.

Partijen zijn de kinderen van [B] , geboren [in] 1926, overleden [in] 1996 (verder: de moeder) en [C] , geboren [in] 1926, overleden [in] 2015 (verder: de vader).

3.3.

De vader is in wettelijke gemeenschap van goederen gehuwd geweest met de moeder, welk huwelijk door het overlijden van de moeder op 16 januari 1996 is ontbonden.

3.4.

De vader heeft partijen als zijn enige erfgenamen achtergelaten, ieder voor een gelijk gedeelte. Partijen hebben de nalatenschap van de vader zuiver aanvaard.

3.5.

Tot de nalatenschap behoort onder andere een woning aan de [a-straat] 77/79 te [A] (verder aan te duiden als ‘de woning aan de [a-straat] 77’ of ‘de woning’), in welke woning [appellant] woont, en de zich in deze woning bevindende inboedel van de vader.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg (in conventie) gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. gedaagde te veroordelen mee te werken aan de verdeling van de nalatenschap, op basis van de afrekening zoals die door eiseres is gemaakt onder punt 22 van deze dagvaarding, danwel een verdeling die Uw Rechtbank in goede justitie juist acht, zulks op straffe van een dwangsom van € 2.000,00 per dag met een maximum van € 50.000,00;

2. voor gedaagde een onzijdig persoon te benoemen, als bedoeld in artikel 3:181 BW om gedaagde, voor zover hij onwillig blijft binnen vijf dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, te vertegenwoordigen bij de werkzaamheden tot verdeling van de nalatenschap;

3. te bepalen dat de kosten van deze onzijdig persoon ten laste komen van gedaagde;

4. gedaagde te veroordelen tot betaling van een gebruikersvergoeding aan eiseres ad € 340,00 per maand vanaf 25 augustus 2015 tot en met de dag waarop gedaagde de woning zal verlaten;

5. te bepalen dat eiseres bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het voortgezet gebruik

van de gezamenlijke woning gelegen aan de [a-straat] te [A] ;

6. gedaagde te veroordelen om binnen vijf dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis het voormeld gehuurde pand aan de [a-straat] te [A] , met wie en wat zich daarin vanwege gedaagde moge bevinden, te ontruimen en te verlaten met achterlating van het pand in behoorlijke staat en ter vrije en algehele beschikking stellen voor eiseres, met afgifte van de sleutels aan eiseres, onder oplegging van een dwangsom van € 2.000,- per dag dat gedaagde in gebreke blijft met een maximum van € 100.000,- en daarnaast eiser te machtigen om indien gedaagde met de verzochte ontruiming in gebreke blijft zelf te doen bewerkstelligen (al dan niet met behulp van de sterke arm der politie en justitie) dat de ontruiming plaatsvindt;

7. gedaagde te veroordelen in de kosten van deze procedure.

4.2.

[appellant] heeft in eerste aanleg (in reconventie) gevorderd

I. de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap te willen vaststellen op de wijze zoals de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden in goede justitie zal vermenen te behoren;

II. te willen bepalen dat de verdeling van de woning aan de [a-straat] 77/79 te [A] op grond van artikel 3:178 lid 3 BW wordt uitgesloten voor een periode van drie jaren, te rekenen vanaf de datum van afgifte van het vonnis, althans op dit onderdeel een beslissing te nemen als de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden in goede justitie zal vermenen te behoren;

III. het af te geven vonnis uitvoerbaar bij voorraad te willen verklaren;

IV. de kosten in conventie en reconventie te willen compenseren.

4.3.

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis van 31 januari 2018 de navolgende beslissing gegeven:

6.1

beveelt de verdeling van de onverdeeldheid, bestaande uit de hierna te noemen boedelbestanddelen, afkomstig uit dan wel deel uitmakende van de ontbonden huwelijksgemeenschap van erflaters en hun nalatenschappen;

6.2.

beveelt partijen tot deze verdeling over te gaan ten overstaan van na te noemen notaris;

6.3.

wijst mr. H.R. Harmsma, notaris te Joure, aan als notaris ten overstaan van wie partijen dienen over te gaan tot de verdeling;

6.4.

bepaalt daarbij de wijze van verdeling als volgt:

I - de aanwezige banktegoeden dienen te worden verdeeld op de wijze als is overwogen in rechtsoverwegingen 5.6.4. tot en met 5.6.4.2., met inachtneming van het hierna onder V bepaalde;

II - indien [appellant] binnen 2 maanden na dit vonnis te kennen geeft dit te wensen, zal de woning worden toegedeeld aan [appellant] tegen een door een taxateur vast te stellen waarde;

III - indien [appellant] genoemde termijn van 2 maanden laat verlopen dan wel eerder kenbaar maakt dat hij de woning niet aan zich wil laten toedelen zal de woning te koop worden gezet,onder aanwijzing van een makelaar die als verkopend makelaar zal optreden;

IV - de notaris kan de waarde van de woning bindend laten vaststellen door een taxateur en met het oog op de verkoop van de woning een makelaar inschakelen;

V - de kosten van de afwikkeling van de onverdeeldheid, waaronder de notariskosten, taxatiekosten en makelaarskosten kunnen door de notaris worden voldaan uit de aanwezige banktegoeden en/of de (eventuele) opbrengsten van de verkoop van de woning;

VI - van de inboedelgoederen dienen partijen de fotoboeken, Indië brieven, poëzie-albums en gouden/zilveren sieraden in onderling overleg te verdelen;

6.5.

veroordeelt partijen aan deze verdeling mee te werken;

6.6.

veroordeelt voorts [appellant] tot

a. het verlenen van medewerking aan het laten taxeren van de woning;

b. het verlenen van medewerking aan de (eventuele) verkoop van de woning, in ieder geval doch niet uitsluitend bestaande uit het verlenen van medewerking aan het tot stand brengen van een behoorlijke presentatie van de woning aan het publiek, het geven van rondleidingen aan belangstellenden door de makelaar, het verrichten van dagelijks onderhoud aan de woning en het presentabel houden van de woning;

c. het ontruimen en bezemschoon opleveren van de woning, indien deze is verkocht uiterlijk een week voor de overeengekomen eigendomsoverdracht; met bepaling dat [appellant] voor iedere dag dat hij in gebreke blijft na de betekening van dit vonnis uitvoering te geven aan voormelde veroordelingen een dwangsom verbeurt van

€ 500,00 (vijfhonderd euro);

6.7.

stelt het maximum van de door [appellant] te verbeuren dwangsommen vast op € 20.000,00 (twintigduizend euro);

6.8.

benoemt mr. J.H. van der Meuten, advocaat te Joure, tot onzijdige persoon als bedoeld in artikel 3:181 BW jo 677 leden 1 en 2 Rv. ten behoeve van [appellant] voor het geval deze niet meewerkt aan de verdeling, met bepaling dat hij de bevoegdheid heeft om rechtshandelingen te verrichten zoals bedoeld in artikel 3:300 lid 1 BW (en in dat kader tevens als dwangvertegenwoordiger dient te worden beschouwd);

6.9.

bepaalt dat de notaris de kosten van de onzijdige persoon ten laste kan brengen van hetgeen uit de verdeling toekomt aan [appellant] , met bepaling dat de onzijdige persoon voor zijn werkzaamheden de door hem in de uitoefening van zijn beroep gebruikelijk gehanteerde tarieven in rekening mag brengen;

6.10.

veroordeelt [appellant] om aan [geïntimeerde] over de periode van 25 augustus 2015 tot aan de dag waarop hij de woning in volledige eigendom verkrijgt, dan wel de dag waarop hij de woning verlaat, voor het gebruik van het onverdeeld aandeel van [geïntimeerde] in de woning een gebruiksvergoeding dient te voldoen van € 170,00 per maand;

6.11.

verklaart dit vonnis wat betreft voormelde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad;

6.12.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

6.13.

wijst af het meer of anders gevorderde.

5 De grieven en de vorderingen
Principaal hoger beroep

5.1.

[appellant] is met grieven 1 t/m 7 in beroep gekomen van het vonnis van

31 januari 2018. Grieven 1 t/m 5 zien op de wijze van verdeling van de woning aan de [a-straat] 77 te [A] . Grief 6 richt zich tegen het verbinden van een dwangsom aan de veroordeling. Grief 7 gaat over de verdeling van de inboedel.

5.2.

[appellant] vordert in het (principaal) beroep het vonnis van 31 januari 2018 te vernietigen, en opnieuw rechtdoende het van zijn zijde als eis in reconventie in eerste aanleg gevorderde toe te wijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, de nakosten daarbij inbegrepen.


Incidenteel hoger beroep

5.3.

[geïntimeerde] is met grieven 1 en 2 in beroep gekomen van het vonnis van 31 januari 2018. Grief 1 richt zich tegen de afwijzing van het door haar gevorderde uitsluitende gebruik van

de woning aan de [a-straat] 77 te [A] , en de wijze van verdeling van de woning. Grief 2 ziet op de verdeling van de inboedel. Verder heeft [geïntimeerde] haar eis gewijzigd/aangevuld.

5.4.

[geïntimeerde] vordert in het (incidenteel) beroep het vonnis van 31 januari 2018 gedeeltelijk te vernietigen en, opnieuw rechtdoende - zo nodig onder aanvulling en/of verbetering van gronden - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, alsnog de vorderingen van [geïntimeerde] zoals geformuleerd in eerste aanleg onder punt 1 voor wat betreft de verdeling van de inboedel alsmede punt 5 en 6 van het petitum bij inleidende dagvaarding toe te wijzen, waarbij de vordering als volgt wordt gewijzigd c.q. aangevuld:

Primair

1. te bepalen dat [geïntimeerde] bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik en beheer van de woning aan de [a-straat] 77 te [A] ;

2. [appellant] te veroordelen om binnen vijf dagen na betekening van het arrest de woning aan de [a-straat] 77 te [A] , met wie en wat zich daarin vanwege [appellant] moge bevinden, te ontruimen en te verlaten met achterlating van het pand in behoorlijke staat en ter vrije en algehele beschikking te stellen voor [geïntimeerde] , met afgifte van de sleutels aan [geïntimeerde] , onder oplegging van een dwangsom van € 2.000,- per dag dat [appellant] in gebreke blijft met een maximum van € 50.000,- en daarnaast [geïntimeerde] te machtigen om indien [appellant] met de verzochte ontruiming in gebreke blijft zelf te doen bewerkstelligen (al dan niet met de

sterke arm der politie en justitie) dat de ontruiming plaatsvindt;
3. [geïntimeerde] te machtigen om, mede namens [appellant] , de woning gelegen aan de [a-straat] 77 te [A] te verkopen en te leveren;
4. [appellant] te veroordelen tot medewerking aan het verdelen van de inboedel bij helfte binnen vijf dagen na betekening van het arrest, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.000,- per dag dat [appellant] in weerwil van dit gebod handelt met een maximum van € 50.000,-;
Subsidiair
5. [appellant] te veroordelen om zijn volledige medewerking te verlenen en te blijven verlenen aan de verkoop van de woning gelegen aan de [a-straat] 77 te [A] , op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.000,- per dag dat [appellant] in weerwil van dit gebod handelt met een maximum van € 50.000,-;
6. [appellant] te veroordelen tot afgifte van de inboedelgoederen zoals genoemd in punt 38 van de memorie van grieven in incidenteel appel binnen vijf dagen na betekening van het arrest, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.000,- per dag dat [appellant] in weerwil van dit gebod handelt met aan maximum van € 50.000,-;

Zowel primair als subsidiair
7. te bepalen dat:
- Makelaardij Ferwerda te [A] als bemiddelaar hij de verkoop optreedt en deze makelaar de vraag- en laatprijs vaststelt;
- [appellant] binnen één week na een verzoek van de makelaar zijn medewerking dient te verlenen aan een bezichtiging van de voormalige echtelijke woning, door de makelaar en de potentiele kopers toegang tot de woning te verlenen, op straffe van een dwangsom;
- [appellant] niet aanwezig mag zijn hij de bezichtiging van de woning, op straffe van een dwangsom. Bij het verbeuren van het maximum aan dwangsommen wenst [geïntimeerde] dat het vonnis uitvoerbaar bij lijfsdwang wordt verklaard zodat [geïntimeerde] verlof wordt verleend tot tenuitvoerlegging van de lijfsdwang en [appellant] daartoe in gijzeling te doen stellen zo nodig met behulp van de sterke arm van justitie en politie;

- het in dezen te wijzen vonnis in de plaats treedt van de voor de koop- en leveringsakte benodigde wilsverklaring van [appellant] (subsidiair):

- de na verkoop resterende netto-opbrengst hij helfte tussen partijen wordt verdeeld;

8. [geïntimeerde] te machtigen om de tenuitvoerlegging van het vonnis te bewerkstelligen door gijzeling van [appellant] gedurende twee dagen voor iedere dag dat hij in gebreke blijft aan het onder 1 genoemde te voldoen;
9. dan wel een regeling te treffen die het hof in goede justitie juist acht;
10. [appellant] te veroordelen in de kosten van het geding.

6 De beoordeling

6.1.

Het hof zal de grieven in het principaal en incidenteel beroep gezamenlijk en per onderwerp bespreken.

* de woning aan de [a-straat] 77 te [A]
6.2. Partijen zijn deelgenoten in de nalatenschap van de vader. Tot deze nalatenschap behoort de woning aan de [a-straat] 77 te [A] . Over de verdeling van deze woning kunnen partijen niet tot overeenstemming komen. De wederzijdse standpunten liggen ver uiteen. [appellant] vordert te bepalen dat de verdeling van de woning aan de [a-straat] 77 te [A] , waarin hij sinds zijn geboorte woont, op grond van artikel 3:178 lid 3 BW wordt uitgesloten voor een periode van drie jaren, te rekenen vanaf de datum van afgifte van het vonnis. [geïntimeerde] vordert (primair) te bepalen dat zij bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik en beheer van de woning en dat [appellant] de woning dient te ontruimen.

6.3.

Artikel 3:178 lid 3 BW bepaalt dat indien de door een onmiddellijke verdeling getroffen belangen van een of meer deelgenoten aanmerkelijk groter zijn dan de belangen die door de verdeling worden gediend, de rechter voor wie een vordering tot verdeling aanhangig is, op verlangen van een deelgenoot een of meermalen, telkens voor ten hoogste drie jaren, een vordering tot verdeling kan uitsluiten. Bij beantwoording van de vraag of de door de verdeling getroffen belangen aanmerkelijk groter zijn dan de belangen die door verdeling zijn gediend, moeten de belangen van beide partijen tegen elkaar worden afgewogen, rekening houdend met alle feiten en omstandigheden van het geval.

6.4.

Het hof acht het belang van [geïntimeerde] om tot verdeling (verkoop) van de woning te kunnen komen aanmerkelijk groter dan het belang van [appellant] om nog een periode in de woning te kunnen blijven wonen. De vader van partijen is op 25 augustus 2015 overleden, en sinds die tijd is de verdeling van de woning feitelijk al uitgesteld, doordat [appellant] in de woning is blijven wonen en hij (met succes) de verkoop daarvan heeft tegengehouden. Vaststaat dat [appellant] , die sinds januari 2017 een bijstandsuitkering ontvangt, de woning niet kan overnemen. De woning is niet belast met een hypotheek en vertegenwoordigt een waarde van circa € 200.000,-. [appellant] zal daarom, bij toedeling van de woning aan hem, [geïntimeerde] dienen uit te kopen met een bedrag van circa € 100.000,-. [appellant] is daartoe financieel niet in staat, en heeft evenmin aangetoond dit op termijn wel te zullen zijn. Ter zitting bij het hof heeft de advocaat van [appellant] erkend dat [appellant] de afgelopen jaren geen onderhoud aan de woning heeft verricht, waardoor de staat van de woning achteruit is gegaan. Eveneens is nogmaals duidelijk geworden dat [appellant] [geïntimeerde] , die net als [appellant] deelgenoot is in de nalatenschap en om die reden evenzeer gerechtigd is tot het gebruik en beheer van de woning, niet toelaat op het erf en/of in de woning. Zo heeft [appellant] de sloten vervangen, en schakelt hij politie in wanneer [geïntimeerde] op het erf verschijnt. De stelling van [appellant] dat [geïntimeerde] geen financieel nadeel ondervindt van het uitstellen van de vordering tot verdeling omdat hij aan haar een maandelijkse gebruiksvergoeding betaalt snijdt evenmin hout. [appellant] heeft deze vergoeding namelijk tot op heden niet betaald. Daarnaast bestaat het nadeel van [geïntimeerde] ook uit het teruglopen van de waarde van de woning wegens het achterwege blijven van onderhoud. Tot slot kan in redelijkheid niet van [geïntimeerde] worden verlangd dat zij nog langer in een onverdeeldheid blijft. Deze onverdeeldheid bestaat al geruime tijd en de verstandhouding tussen de deelgenoten is ernstig verstoord.
Al deze belangen van [geïntimeerde] wegen zwaarder dan het belang van [appellant] om in de woning te mogen blijven wonen omdat hij hieraan verknocht is. Daarbij telt ook mee dat [geïntimeerde] sinds het overlijden van de vader al meer dan vier jaren in de woning heeft kunnen verblijven. Grieven 1 t/m 5 in het principaal hoger beroep van [appellant] slagen daarom niet.

6.5.

Vervolgens komt de vraag aan de orde of de door [geïntimeerde] gevorderde ontruiming kan en moet worden toegewezen. [appellant] heeft aangevoerd dat de vordering van [geïntimeerde] dient te worden aangemerkt als een beheersregeling zoals bedoeld in artikel 3:168 BW, en dat [geïntimeerde] daartoe een verzoek bij de kantonrechter had moeten indienen. Het hof is evenwel van oordeel dat door [appellant] als deelgenoot gebruik wordt gemaakt van de woning op een wijze die niet te verenigen is met de rechten van [geïntimeerde] , als mede-deelgenoot. Artikel 3:169 BW geeft aan de rechter de ruimte om met inachtneming van de redelijkheid en billijkheid vast te stellen welk gebruik iedere deelgenoot van het gemeenschappelijk goed mag maken. De rechter is daarbij niet gebonden aan het uitgangspunt dat de deelgenoten gelijke rechten hebben. Gelet op de hierboven geschetste omstandigheden acht het hof het in strijd met de redelijkheid en billijkheid om van [geïntimeerde] te vergen dat [appellant] nog langer gebruik maakt van de woning, en zal haar vordering tot ontruiming dan ook worden toegewezen. Hierbij speelt ook een rol dat [appellant] ter zitting bij het hof zeer stellig heeft aangegeven ook in geval het hof zou oordelen dat de woning dient te worden verkocht hieraan zijn medewerking niet te zullen verlenen. Omdat [geïntimeerde] als deelgenoot recht heeft om de woning te gebruiken, terwijl [appellant] het gebruik wordt ontzegd, heeft [geïntimeerde] geen belang bij het door haar gevorderde uitsluitende gebruik van de woning, zodat dit verzoek zal worden afgewezen. Voor het overige slaagt grief 1 in het incidenteel hoger beroep.

6.6.

Bij wijze van aanvulling/vermeerdering van eis heeft [geïntimeerde] , in afwijking van het door de rechtbank geformuleerde stappenplan ten aanzien van de verkoop van de woning, nieuwe eisen geformuleerd ter zake de wijze van verkoop van de woning. [geïntimeerde] heeft ter zitting aangegeven dat de door de rechtbank benoemde notaris/onzijdige persoon, gelet op de weigerachtige houding van [appellant] , het lastig vindt om als dwangvertegenwoordiger op te treden en om die reden heeft nagelaten deze taak te vervullen op de wijze zoals in het bestreden vonnis is omschreven. [geïntimeerde] vraagt daarom om haar te machtigen om, mede namens [appellant] , de woning gelegen aan de [a-straat] 77 te [A] te verkopen en te leveren

6.7.

Ter zake de door [geïntimeerde] verzochte vertegenwoordiging stelt het hof het volgende voorop. Artikel 3:300 BW bepaalt:

“1. Is iemand jegens een ander gehouden een rechtshandeling te verrichten, dan kan, tenzij de aard van de rechtshandeling zich hiertegen verzet, de rechter op vordering van de gerechtigde bepalen dat zijn uitspraak dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van degene die tot de rechtshandeling gehouden is, of dat een door hem aan te wijzen vertegenwoordiger de handeling zal verrichten. Wijst de rechter een vertegenwoordiger aan, dan kan hij bepalen dat de door deze te verrichten handeling zijn goedkeuring behoeft.

2. Is de gedaagde gehouden om tezamen met de eiser een akte op te maken, dan kan de rechter bepalen dat zijn uitspraak in de plaats van de akte of een deel daarvan zal treden.”

De in deze bepaling neergelegde bevoegdheid van de rechter betreft een discretionaire bevoegdheid. Uit de parlementaire geschiedenis (TM, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 899) volgt dat de rechter deze bevoegdheid met voorzichtigheid moet hanteren. Deze voorzichtigheid brengt allereerst met zich dat de gehoudenheid om een rechtshandeling te verrichten vast moet komen te staan, maar ook dat de inhoud van de rechtshandeling met voldoende mate van nauwkeurigheid moet worden vastgesteld.

6.8.

Aan de ene kant kan het hof [geïntimeerde] op grond van bovenstaande geen blanco volmacht geven om ter zake de verkoop en levering van de woning namens [appellant] op te treden. Anderzijds staat vast dat de door de rechtbank opgelegde dwangsommen geen prikkel voor [appellant] hebben opgeleverd om zijn medewerking te verlenen, en dat de dwangvertegenwoordiger in de vorm van de benoeming van een notaris evenmin het gewenste resultaat heeft opgeleverd. Het hof zal daarom zelf de wijze van verdeling van de woning vaststellen op een wijze die zoveel mogelijk waarborgt dat partijen uit hun onverdeeldheid geraken, een en ander zoals hierna in het dictum vermeld. Aangezien [appellant] geen bezwaren heeft geuit tegen de door [geïntimeerde] voorgestelde makelaar zal het hof daarbij bepalen dat deze makelaar de verkoop ter hand kan nemen. Hetgeen [geïntimeerde] op dit punt meer of anders heeft gevorderd zal door het hof worden afgewezen.


* de inboedel

6.9.

De rechtbank heeft bepaald dat partijen in onderling overleg dienen te verdelen de navolgende inboedelgoederen: de fotoboeken, Indië brieven, poëziealbums en gouden/zilveren sieraden. De overige inboedelgoederen heeft de rechtbank buiten beschouwing gelaten.

6.10.

[appellant] heeft in zijn memorie van grieven aangegeven dat hij thans onder zich heeft vier fotoboeken van de ouders van partijen, een groot aantal zogenaamde Indië-brieven, één poëziealbum van de moeder van partijen, een zilveren tabaksdoos en een zilveren horloge. [appellant] is van mening dat deze inboedelgoederen aan hem moeten worden toegescheiden, vanwege een grote emotionele waarde.

6.11.

[geïntimeerde] stelt dat het voor haar lastig, zo niet onmogelijk, is om een lijst over te leggen van de inboedel die tot de nalatenschap behoort, omdat zij de woning niet mag betreden. Voor zover mogelijk heeft zij -uit haar geheugen- een lijst opgesteld van zaken die zij toebedeeld wenst te krijgen. [appellant] heeft zowel in de processtukken alsook ter zitting van een aantal zaken die zich op deze lijst bevinden toegezegd deze aan [geïntimeerde] te zullen afgeven. Het gaat om de navolgende zaken:

- poëziealbum van moeder;

- zilveren horloge van moeder;

- vogel uit Indië;

- donkerrode bowl, donkerrode kom en glaasjes in wandmeubel;

- blauw/wit-servies in wandmeubel, de helft;

- oude kerstversiering in de kast van de garage;

- doos met oude handwerkjes in de kast van de garage;

- oude houten wasrek;

- regelateur klok, type regelateur (van beppe [D] uit [E] );

- Makkumer vaas;

- witte fruitschaal;
- een gedigitaliseerde versie van de Indië-brieven van de vader;
- grijs fotoboek met babyfoto’s van [geïntimeerde] ;
- een gedigitaliseerde versie van de overige fotoboeken.
Het hof zal dan ook bepalen dat [appellant] deze zaken aan [geïntimeerde] dient af te geven, waarbij voor de te digitaliseren zaken een ruimere termijn zal worden gegund dan voor de overige zaken. Grief 2 in het incidentele hoger beroep van [geïntimeerde] slaagt in zoverre, evenals een gedeelte van grief 7 van [appellant] . Voor wat betreft de verdeling van de overige inboedel, waarvan [geïntimeerde] verdeling heeft gevorderd bij helfte onder verbeurte van een dwangsom, slaagt de grief niet, en zal de vordering van [geïntimeerde] worden afgewezen. [appellant] heeft immers ook een aantal zaken genoemd die hij zelf toebedeeld wil krijgen, terwijl daarnaast niet duidelijk is of er nog overige zaken tot de inboedel van de nalatenschap behoren. Het hof kan daarom niet vaststellen of één van partijen meer heeft gekregen dan de ander en/of er nog overige te verdelen inboedelgoederen aanwezig zijn.


* dwangsom

6.12.

[appellant] heeft in zijn zesde grief aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte in rechtsoverweging 5.6.2.2 [appellant] heeft veroordeeld tot het betalen van een dwangsom indien [appellant] niet zal voldoen aan de veroordeling. [appellant] is van mening dat aan de verplichting om mee te werken geen dwangsom moet worden gekoppeld omdat [appellant] bereid is om mee te werken aan de verkoop, mocht het hof hiertoe beslissen.

6.13.

Het hof is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan, ook ter zitting, dat [appellant] onder geen beding wil en zal meewerken aan welke handeling dan ook die er toe kan leiden dat de woning wordt verkocht en/of dat hij de woning dient te verlaten. In die zin is er dus terecht een dwangsom opgelegd. Een eventueel executiegeschil over de vraag of de dwangsommen al dan niet zijn verbeurd, dient -los van het feit dat [appellant] geen vordering ten aanzien van de dwangsom heeft geformuleerd- in een executieprocedure te worden beslist.


* proceskosten

6.14.

Het hof ziet aanleiding om [appellant] -als grotendeels in het ongelijk gestelde partij- in hoger beroep te veroordelen in de proceskosten van deze procedure overeenkomstig het zogenoemde liquidatietarief (te raadplegen op onder meer: www.rechtspraak.nl). Het hof begroot de kosten van [geïntimeerde] voor deze procedure in redelijkheid conform het puntensysteem in het principaal appel op 2 punten (memorie van antwoord en mondelinge behandeling), en in het incidenteel appel op 0,5 punten. Voor wat betreft de in aanmerking te nemen zwaarte van de zaak zal het hof in dit geval tarief II in hoger beroep in aanmerking nemen. De totale proceskosten van [geïntimeerde] begroot het hof daarmee op € 1.357,50 (2 x

€ 543,-) en het griffierecht van € 318,-.

7 De slotsom

7.1.

Grieven 1 t/m 6 in het principaal appel slagen niet, en grief 7 gedeeltelijk. Grief 1 in het incidenteel appel slaagt, en grief 2 gedeeltelijk. Het bestreden vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 31 januari 2018, zal voor wat betreft de onderdelen 6.2, 6.3, 6.4 onder II, III en IV, VI, 6.5, 6.6, 6.8 en 6.9 worden vernietigd.

8 De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

8.1.

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van

31 januari 2018, behoudens voor zover het betreft de onderdelen 6.2, 6.3, 6.4 onder II, III en IV, VI, 6.5, 6.6, 6.8 en 6.9, die worden vernietigd, en doet in zoverre opnieuw recht;

8.2.

veroordeelt [appellant] om binnen twee weken na betekening van dit arrest de woning aan de [a-straat] 77/79 te [A] met al het zijne en de zijnen te ontruimen en ontruimd te houden;

8.3.

machtigt [geïntimeerde] om met behulp van de sterke arm van justitie en politie op kosten van [appellant] de bevolen ontruiming te bewerkstelligen, indien [appellant] met tijdige ontruiming in gebreke blijft;

8.4.

veroordeelt [appellant] om binnen twee weken na betekening van dit arrest aan Makelaardij Ferwerda te Joure de verkoopopdracht te verstrekken ter zake de verkoop van de woning aan de [a-straat] 77/79 te [A] ;

8.5.

machtigt [geïntimeerde] om, indien [appellant] weigerachtig is aan hetgeen onder 8.4 is bepaald te voldoen, namens [appellant] ter zake voornoemde woning de verkoopopdracht te verstrekken aan Makelaardij Ferwerda te Joure;

8.6.

bepaalt dat, indien partijen niet binnen twee weken na de opdrachtverlening erin slagen gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, partijen zich dienen te conformeren aan de door de makelaar aangegeven vraagprijs;

8.7.

bepaalt dat partijen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die een marktconforme prijs biedt, en dat in het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod marktconform is, zij zich dienen te conformeren aan de door de makelaar aangegeven marktconforme prijs;

8.8.

machtigt [geïntimeerde] om, zodra met inachtneming van bovenstaande punten een verkoopovereenkomst tot stand is gekomen en [appellant] weigerachtig is hieraan zijn medewerking te verlenen, als vertegenwoordiger van [appellant] de handelingen te verrichten die nodig zijn om tot verkoop en levering van de woning te komen, waaronder het namens [appellant] tekenen van de verkoopovereenkomst en de notariële leveringsakte;

8.9.

veroordeelt [appellant] om binnen 14 dagen na betekening van dit arrest aan [geïntimeerde] af te geven:
- poëziealbum van moeder;

- zilveren horloge van moeder;

- vogel uit Indië;

- donkerrode bowl, donkerrode kom en glaasjes in wandmeubel;

- blauw/wit-servies in wandmeubel, de helft;

- oude kerstversiering in de kast van de garage;

- doos met oude handwerkjes in de kast van de garage;

- oude houten wasrek;

- regelateur klok, type regelateur (van beppe [D] uit [E] );

- Makkumer vaas;

- witte fruitschaal;
- grijs fotoboek met babyfoto’s van [geïntimeerde] ;

8.10.

bepaalt dat [appellant] een dwangsom verbeurt voor iedere dag dat hij in gebreke blijft na de betekening van dit arrest en het verstrijken van de termijn van 14 dagen uitvoering te geven aan voormelde veroordeling onder 8.9 een dwangsom verbeurt van € 250,00

(tweehondervijftig euro), en stelt het maximum van de door [appellant] te verbeuren dwangsommen vast op € 5.000,00 (vijfduizend euro);

8.11.

veroordeelt [appellant] om binnen twee maanden na betekening van dit arrest aan [geïntimeerde] af te geven:

- een gedigitaliseerde versie van de Indië-brieven van de vader;
- een gedigitaliseerde versie van de overige fotoboeken;

8.12.

veroordeelt [appellant] in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 1.357,50 voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief hoger beroep en € 318,- wegens griffierecht;

8.13.

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

8.14.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. C. Koopman, mr. I.M. Dölle en mr. M.A.F. Holtvluwer-Veenstra en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2019.