Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:9203

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-10-2019
Datum publicatie
20-11-2019
Zaaknummer
200.156.865
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Waardering van onderneming. Deskundigenrapport.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.156.865

(zaaknummer rechtbank Utrecht 250118)

arrest van 29 oktober 2019

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

hierna: de man,

advocaat: mr. M.C. Kelderman,

tegen:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

hierna: de vrouw,

advocaat: mr. I.M.B. Kramer.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof verwijst naar en blijft bij het arrest van 17 oktober 2017.

1.2

Het verdere verloop van het geding blijkt uit de volgende stukken:

- het rapport van de deskundige van 5 september 2018, inclusief commentaren van partijen op het (eerste) concept-rapport en reacties van de deskundige naar aanleiding daarvan (hierna: het eerste deskundigenbericht);

- een memorie en aanvullende memorie na deskundigenbericht van de man;

- het met toestemming van het hof opgemaakte aanvullende rapport van de deskundige van 21 januari 2019 , eveneens inclusief reacties van partijen op het (tweede) concept-rapport, en reacties van de deskundige daarop (hierna: het tweede deskundigenbericht);

- de memorie van de man, tevens houdende aanvulling van de vordering;

- de antwoord-memorie van de vrouw.

- het verzoek van de man om een comparitie van partijen, bij voorkeur in aanwezigheid van de door beide partijen geraadpleegde adviseurs en het bezwaar van de vrouw hiertegen.

1.3

Vervolgens hebben partijen de aanvullende stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere beoordeling in het principaal en incidenteel hoger beroep

Procedureel

2.1

Namens de vrouw is bezwaar gemaakt tegen de inventarislijst van stukken van de zijde van de man, met overlegging van het eerste deskundigenbericht en de memories naar aanleiding van dat rapport van de zijde van de man.

2.2

Het hof oordeelt dat deze stukken tot het procesdossier behoren. De vrouw is niet in haar verdediging geschaad nu zij ten aanzien van het eerste deskundigenbericht de gelegenheid heeft gehad daarop bij memorie te reageren, en naar aanleiding van het tweede deskundigenbericht een memorie heeft genomen.

2.3

De man vraagt (samengevat) primair het eerste en tweede deskundigenbericht buiten beschouwing te laten en de waarde van de onderneming op de peildatum met inachtneming van de opmerkingen van zijn partijdeskundige te stellen op € 107.267,- negatief, met bepaling dat tussen partijen geen verrekening hoeft plaats te vinden, althans op een door het hof naar redelijkheid en billijkheid vast te stellen waarde.

Bij de aanvulling van zijn vordering naar aanleiding van het tweede deskundigenbericht vraagt hij tevens te bepalen dat de brondocumenten, waaruit het norm inkomen van een tandarts zou blijken, bij de deskundige wordt opgevraagd en anders het door de man gestelde norminkomen tot uitgangspunt te nemen.

2.4

De vrouw vraagt (primair) dat het hof het tweede deskundigenbericht buiten beschouwing zal laten, en zal bepalen dat de kosten van de deskundige worden bepaald op nihil althans ten laste komen van ’s-Rijks kas, met terugbetaling van het voorschot, dan wel (subsidiair) de man in de door de vrouw aan de deskundige betaalde kosten zal veroordelen. Voorts vraagt zij dat het hof een (nieuw) deskundigenbericht door drie deskundigen zal gelasten, waarbij de kosten daarvan ten laste van ’s Rijks kas, althans van de man worden gebracht, met veroordeling van de man de deskundigen op eerste verzoek te machtigen om bij de financierinstelling AMEV alle stukken op te vragen verband houdende met de aanvraag en financiering van het registergoed [adres 1] , op straffe van een dwangsom.

Subsidiair vraagt de vrouw dat het hof de afwikkeling huwelijkse voorwaarden zal vaststellen met inachtneming van een waarde van de onderneming op € 220.000,-, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, met bepaling dat de kosten van het deskundigenbericht ten laste van ’s Rijks kas althans niet ten laste van de vrouw komen, met terugbetaling door de griffier van het hof van het door haar betaalde voorschot aan haar. Een en ander met veroordeling van de man in de proceskosten.

Finale verrekening

Waardering van de onderneming van de man

2.5

Het hof zal het tweede deskundigenrapport tot uitgangspunt nemen. Daarin is de door de deskundige naar aanleiding van een (na afsluiting van het eerste rapport gemaakte) opmerking van de partijdeskundige van de man geconstateerde berekeningsfout betreffende de zogenoemde tax-shield gecorrigeerd. Alle naar aanleiding van het eerste concept-rapport gegeven reacties van partijen en van de deskundige zijn daarin eveneens opgenomen en zoals voormeld heeft de deskundige partijen in de gelegenheid gesteld op het aanvullende concept-rapport te reageren, waarop hij vervolgens weer heeft gereageerd. De deskundige is naar het oordeel van het hof terecht niet ingegaan op andere door partijen gemaakte opmerking dan betreffende deze correctie. Partijen hadden die kans in een eerder stadium al gehad. Het tweede rapport was enkel bestemd tot correctie van de geconstateerde rekenfout en de gelegenheid tot reageren door partijen tegenover de deskundige was alleen bestemd voor reacties op die correctie en niet voor een tweede ronde andere opmerkingen.

2.6

De deskundige heeft in het tweede deskundigenrapport de door het hof voorgelegde vragen als volgt beantwoord.

“(…)

1. Wat is de waarde in het economisch verkeer van het aandeel van de man in de maatschap en haar onderneming per 28 november 2003, althans per 31 december 2003?

Op grond van de bovengenoemde informatie met de daarbij gehanteerde uitgangspunten bedraagt de waarde in het economisch verkeer per 31 december 2003 van het aandeel van de man € 61.110.

2. Is er sprake van belichaamde goodwill door de man in de onderneming en zo ja, welke waarde bedroeg deze per 28 november 2003, althans per 31 december 2003?

HR 31 mei 2002, LJN AE0748

Belichaamde goodwill: goodwill die onlosmakelijk verbonden is met de vermogensbestanddelen in een onderneming en die tot uitdrukking komt in de meerwaarde van die vermogensbestanddelen in hun geheel bij voortzetting van de onderneming boven de som van de waarde van de afzonderlijke vermogensbestanddelen. In het algemeen is aanvaard dat belichaamde goodwill in een verdeling van een gemeenschap dient te worden betrokken.

De belichaamde goodwill van de man is deel van de waarde in het economisch verkeer van zijn belang in [straat] : € 61.110.

3. Kunt u toelichten hoe de waardering van deze goodwill tot stand is gekomen?

In grote lijnen kan de berekening van de waarde als volgt worden samengevat.

- Eerst worden de verwachte vrije gelstromen voor zowel de prognoseperiode als de restperiode bepaald.

- De verwachte geldstromen worden niet aan afzonderlijke productiemiddelen toegerekend; het zijn de verwachte opbrengsten (positief/negatief) die het resultaat zijn van het gehele complex van bedrijfsgebonden productiemiddelen.

- Van deze verwachte vrije geldstromen wordt per peildatum de contante waarde berekend aan de hand van de op peildatum geldende kostenvoet eigen vermogen unlevered (Keu).

- De gevonden contante waarde moet worden gecorrigeerd voor de waarde van de niet-bedrijfsgebonden activa (positief) en de waarde van het autonome vreemd vermogen dat op de peildatum aanwezig is.

- Deze aldus berekende waarde moet worden toegerekend aan het Eigen Vermogen. Rechthebbenden op deze waarde zijn de maten in de maatschap.

- De goodwill kan nu worden berekend als het verschil tussen de economische waarde en de boekwaarde van het eigen vermogen.

- Uitgaande van verkoop van de onderneming zou betaalde goodwill kunnen worden bepaald als het verschil tussen de boekwaarde van het eigen vermogen en de prijs die daarvoor is betaald.

- Goodwill is zo doende een homogeen bedrag dat betrekking heeft op het gehele complex van productiemiddelen (inclusief alle werkenden in de onderneming). Uitgaande van die homogeniteit is het niet mogelijk om de goodwill aan afzonderlijke belanghebbenden toe te kennen.

- Ter wille van de beeldvorming: als heterogeniteit al mogelijk zou zijn, zouden de afzonderlijke productiemiddelen elk en ieder een eigen vrije geldstroom met een eigen risicoprofiel moeten hebben. De som daarvan zou afwijken van de waarde van het gehele complex.

4. Is de waarde van de hiervoor genoemde goodwill al verdisconteerd in de waarde van het aandeel van de man in de onderneming zoals hiervoor genoemd onder punt 1 of is dit een post die afzonderlijk verdeeld en gewaardeerd dient te worden?

Goodwill = economische waarde Eigen Vermogen -/- boekwaarde Eigen Vermogen

Of

(Betaalde) goodwill = de (ver)koopprijs van (het Eigen Vermogen in) de onderneming -/- de boekwaarde daarvan.

Zie bij vraag 3: in beide benaderingen kan de goodwill niet worden onderverdeeld en toegerekend aan afzonderlijke productiemiddelen (inclusief arbeid).

In wezen is goodwill een boekhoudkundig ontwerp. Goodwill dankt het bestaan aan een verschil tussen economie en accounting. Economie is gebaseerd op verwachting en accounting op realisatie. Goodwill heeft alleen voor de accountant en zijn administratie betekenis.

Voor zover dan toch over goodwill wordt gesproken, kan het niet anders zijn dan dat zij deel is van de onder vraag 1 genoemde waarde van € 61.110. Het antwoord is dus ja.

5 Kunt u gemotiveerd aangeven welke methode u voor de waardering van de onderneming hebt gebruikt?

De hier toegepaste methode staat bekend als de APV methode (= Adjusted Present Value). Dit is een variant van DCF (= Discounted Cash Flows). De andere variant van DCF is de WACC-methode ( + Weighted Average Cost of Capital). Mits goed toegepast, geven beide varianten dezelfde uitkomst. Maar bij de WACC methode leiden leverage-effecten vaak tot onjuistheid. Hetzelfde geldt voor de weging van de vermogenssoorten, die niet op accounting-basis maar op economische basis moet plaatsvinden. De APV-methode is duidelijker en eenvoudiger.

Voor een DCF methode is gekozen omdat in economie de waarde is bepaald op basis van verwachting.

Andere methoden zijn bijvoorbeeld:

- Intrinsieke waarde (IW)

- Rentabiliteitswaarde (RW)

- Verbeterde rentabiliteitswaarde

- Mix van IW en RW, bijvoorbeeld (2*IW + 3*RW)/5

- Market Comparables

- Vuistregels

De vier eerstgenoemde methoden zijn op uiteenlopende wijzen op de boekhouding gebaseerd. Maar boekhouding is gericht op beheer en verantwoording. Zo’n rekeningensysteem genereert geen economische waarde.

Vuistregels behoren tot een hardnekkige folklore. Zij kunnen een eerste indruk geven. Maar vaak zal blijken dat die eerste indruk volkomen onjuist is.

De methode van Market Comparables gaat uit van kengetallen voor soortgelijke ondernemingen. Het is vaak uitermate lastig om vergelijkbare ondernemingen te vinden met dan ook nog de relevante informatie daarbij en met actuele prijsindicaties in een min of meer perfecte vermogensmarkt (volledige mededinging).

6. Heeft u bij de vaststelling van de waarde van de onderneming van de man en diens aandeel in de maatschap rekening gehouden met de stille reserves die door de verkoop van de bedrijfspanden in 2003 staande en gelegen aan de [adres 2] en [adres 3] , liquide zijn gemaakt en op welke wijze, alsmede met de (negatieve) stille reserve als gevolg van het verschil in boekwaarde en marktwaarde bij de waardering van het bedrijfspand aan [adres 1] ?

Met een stille reserve op [adres 2] en [adres 3] is rekening gehouden door bijtelling van € 125.384 bij de primaire ondernemingswaarde. Het bedrag van € 125.384 is de verwachte opbrengst van [adres 3] .

Strikt genomen is de stille reserve bepaald door de al overeengekomen verkoopopbrengst. Met de verkoop eind 2003 (levering maart 2004) is er geen reden om een negatieve stille reserve te veronderstellen.

[adres 1] is nog in een investeringsfase. In die zin is er eind 2003 geen tijd om een verschil te zien ontstaan tussen boekwaarde en investeringsbedragen. Overigens zou een stille reserve positief noch negatief van invloed zijn op de uitkomst van de waardeberekening op basis van APV omdat met APV wordt gerekend op basis van verwachte geldstromen. Daarin speelt de boekhoudkundige benadering van de (balans)waarde geen rol.

7. Kunt u aangeven op welke wijze u de waarde van het pand aan [adres 1] heeft vastgesteld?

De boekwaarde van het pand aan [adres 1] is hier niet vastgesteld. Bij toepassing van de APV-methode doet de boekwaarde daarvan niet ter zake. Verondersteld mag worden dat boekwaarde en investeringsbedragen aan elkaar gelijk zijn (met als basis de historische aanschafprijs of lagere marktwaarde). Vanzelfsprekend is wel met de te verwachten (des)investeringen gerekend. Zij zijn rechtstreeks van invloed op de hoogte van de verwachte geldstromen.

8. Kunt u aangeven in hoeverre de NMT-normen bij de beantwoording van de voorgaande vragen een rol spelen?

De informatie van de KNMT heeft een concrete rol gespeeld bij de vaststelling van het norminkomen van een tandarts (zie par. 5.11).

Bij de zoektocht naar de marktsituatie in de beginjaren van deze eeuw en de destijdse verwachtingen daaromtrent is ook gekeken naar informatie die de KNMT zou kunnen bieden. Maar concrete citaten zijn ontleend aan andere bronnen;

- Concurrentie in de zorg, CPB juli 2002)

- Adviesgroep Capaciteit mondzorg 2000 (Commissie Lapré)

Veel andere bronnen bleken gebruik te hebben gemaakt van het Advies van de Commissie Lapré.(…)

In de producties vond ik wel praktische aanwijzingen omtrent de hoogte van de goodwill zoals van de KNMT

- “10% van de gemiddelde omzet inclusief tandtechniek”, en

- “10% van de gerealiseerde bruto-omzet”, of

- “tussen 0% en 15% van de gemiddeld aan patiënten gedeclareerde omzet”.

Maar:

- hier is geen sprake van verkoop met betaalde goodwill van de onderneming waarbij de goodwill niet is bepaald door de waarde maar door de prijs

- en de gezochte waarde is niet de goodwill, niet de verkoopprijs van de onderneming, maar de economische waarde van een deelbelang in de onderneming.

De hier berekende waarde van € 61.110 voor het deelbelang komt – boven op het normsalaris – overeen met een jaarlijkse verwachte geldstroom van € 9.160.

9. Geeft het onderzoek overigens nog aanleiding tot het maken van opmerkingen, die in verband met de beslissing van dit geschil van belang zouden kunnen zijn?

In de periode rond de peildatum deed de onderneming omvangrijke investeringen in Onroerend Goed en Inventaris. De omvang van het Vreemd Vermogen nam in verband hiermee toe van ca. € 250.000 in 2001 tot € 1.560.000 in 2003. De investeringen zullen zeker van invloed zijn op omzet en kosten: de leden van de maatschap zullen naar hun verwachting deze relatief belangrijke investeringen met een daarop geëist rendement kunnen terugverdienen en wellicht zelfs meer dan dat. Dit impliceert een naar verwachting aanzienlijke jaarlijkse omzetgroei.

Tegen deze achtergrond is de prognose zo goed mogelijk gebaseerd op de historische ontwikkeling. (…)”

2.7

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld commentaar te leveren op het rapport. De reacties van partijen komen erop neer dat de man vindt dat de waarde van zijn (aandeel in de) onderneming door de deskundige te hoog is vastgesteld, en de vrouw van mening is dat de waarde te laag is vastgesteld. Het hof stelt vast dat de deskundige alle door het hof voorgelegde vragen heeft beantwoord en toegelicht, en dat hij op alle opmerkingen van partijen naar aanleiding van het eerste en tweede rapport heeft gereageerd.

Het hof ziet geen aanleiding om, zoals door partijen (zij het met verschillend oogmerk) betoogd, de deskundigenrapporten buiten beschouwing te laten. Geconstateerd is dat in het eerste rapport sprake was van een rekenfout betreffende de waarde met betrekking tot de tax-shield. De enkele omstandigheid dat de deskundige dit aanvankelijk over het hoofd heeft gezien acht het hof onvoldoende reden om de gehele rapportage buiten beschouwing te laten. Ook de deskundige van de zijde van de man heeft die fout eerst geruime tijd na de commentaarrondes op het eerste rapport gesignaleerd en heeft met zijn signalering alsnog bewerkstelligd dat de juiste berekening aan de orde is. Vervolgens heeft de deskundige na het signaleren van de fout daarop adequaat gereageerd, door zich ongeveer een week na ontvangst van de opmerking tot het hof te wenden. De fout is vervolgens (met toestemming van het hof) hersteld en partijen hebben daarop kunnen reageren. Het hof constateert dat partijen geen inhoudelijk relevante opmerkingen met betrekking tot de correctie hebben gemaakt. Op de opmerkingen van partijen aan de deskundige bij het tweede rapport op andere punten dan die correctie slaat het hof geen acht; partijen hadden die gelegenheid eerder al gehad en de aanvulling was niet bedoeld om alles nog eens over te doen.

2.8

De man maakt in zijn eerste memorie na deskundigenbericht nog een punt van het norminkomen voor een tandarts in 2003 en daarbij gewezen op een e-mailbericht van de KNMT van 8 november 2018. Het hof overweegt op dit punt dat de man in het tussenarrest van 19 april 2016 in de gelegenheid is gesteld om de KNMT-normen in het geding te brengen, en dat toen ook heeft gedaan. In het door de man eveneens overgelegde e-mailbericht van de KNMT van 16 november 2018 (productie 4) wordt vermeld dat de KNMT geen norminkomen of tarieven vaststelt. Het hof leidt voorts uit die e-mail af dat het norminkomen ziet op de ontwikkelingen van de tarieven in de gezondheidszorg. Deze norm lijkt dus een ander doel te hebben dan het bepalen van de waarde van de onderneming. Aangezien de man verder ook niet duidelijk maakt hoe de door hem voorgestane norm tot een andere waardebepaling dan in het tweede rapport zou leiden, gaat het hof aan dit punt verder voorbij. De man vraagt voorts in zijn memorie na het tweede deskundigenbericht nog de deskundige te gelasten de brondocumenten genoemd bij punt 5.11 van het deskundigenbericht op te vragen. In wat de man hiertoe aandraagt ziet het hof onvoldoende aanleiding dat te doen.

2.9

Voorts voert de man nog aan dat de deskundige bij de waardering van de onderneming geen acht heeft geslagen op het maatschapscontract. De man onderbouwt echter onvoldoende waaruit dit blijkt. Ook uit de door de man aangehaalde bijlage 7 (pagina 9) bij het tweede deskundigenrapport blijkt niet wat de man als visie aan de deskundige toedicht. Het aandeel van de man in de maatschap is 47,5% en de deskundige heeft daarmee rekening gehouden. Dat aandeel van 47,5% in het maatschapsvermogen zou de man ook ontvangen indien de maatschap zou worden beëindigd.

2.10

Het hof neemt de bevindingen van de deskundige in de tweede versie van het rapport over en maakt deze tot de zijne. De omstandigheid dat ook andere wijzen van waardering mogelijk zijn geeft het hof geen aanleiding om niet van het onderhavige deskundigenrapport uit te gaan. Ook de door partijen in hun memories na deskundigenbericht geplaatste kanttekeningen en commentaren leiden naar het oordeel van het hof niet tot de noodzaak om nog meer onderzoekshandelingen naar de waarde van de onderneming te (doen) verrichten of om uitgangspunten uit het rapport te (doen) wijzigen. De door de deskundige gehanteerde DCF-methode is een algemeen geaccepteerde methode om de waarde van een (aandeel in een) onderneming te bepalen. Daarbij past niet om (zoals met name de man voorstelt) allerlei aanpassingen in cijfers en uitgangspunten toe te passen. Voorts kan de omstandigheid dat de vrouw zich onheus bejegend voelt door de man geen aanleiding zijn om van de (hogere) uitkomst van het eerste deskundigenrapport uit te gaan. Het hof acht zich voorts voldoende geïnformeerd en ziet daarom geen aanleiding om – zoals de vrouw vraagt – nadere stukken op te vragen bij de man en/of drie nieuwe deskundigen te benoemen.

2.11

Gelet op het voorgaande bepaalt het hof de waarde van de onderneming van de man op de peildatum op € 61.110,-.

De grieven van de man betreffende de waarde van de onderneming slagen dus gedeeltelijk.

Waardevermeerdering voormalig echtelijke woning

2.12

In haar akte uitlating na comparitie (van 17 januari 2017) heeft de vrouw haar vierde grief betreffende de waardevermeerdering van de voormalig echtelijke woning ingetrokken. Het hof hoeft hierop dus niet meer te beslissen.

Het aan de vrouw op of omstreeks 16 oktober 2003 betaalde voorschot van € 19.695,-

2.13

De vrouw betwist dat het betaalde bedrag een voorschot is op het te verrekenen vermogen. Als dit al zo zou zijn, dan geldt dat het bedrag is betaald vóór de peildatum

28 november 2003, zodat niet meer dan de helft daarvan op de verrekenvordering in mindering kan worden gebracht. De man heeft aangevoerd dat de vrouw dit verweer in eerste aanleg heeft prijsgegeven.

2.14

Het hof overweegt als volgt. Het hoger beroep dient mede tot herstel van fouten en omissies uit de eerste aanleg. Het hof zal het verweer daarom beoordelen en acht de man niet in zijn verdediging geschaad. Het hof begrijpt uit de onbetwiste stellingen van de man dat hij op 16 oktober 2003 € 19.695,- aan de vrouw heeft betaald en dat het bedrag van € 19.559,42 dat de rechtbank in het eindvonnis noemt berust op een vergissing. De betaling kan naar het oordeel van het hof in beginsel niet anders worden begrepen dan als een voorschot op de verrekening. De vrouw heeft in hoger beroep niet nader met argumenten onderbouwd welke andere titel aan de betaling ten grondslag zou moeten liggen. Het hof gaat er dus van uit dat de betaling als voorschot op de verrekening was bedoeld. Niet valt in te zien dat – zoals de vrouw voorstaat - slechts de helft van het voorschot op de verrekenvordering in mindering dient te worden gebracht. Er is immers geen sprake van een huwelijksgemeenschap tussen partijen. Ook heeft de vrouw niet gesteld of onderbouwd dat uit de huwelijkse voorwaarden iets dergelijks valt af te leiden. Het hele voorschot dient dus in mindering te worden gebracht op de verrekenvordering.

3 De slotsom

3.1

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen stelt het hof, met aanpassing voor zover nodig van het overzicht zoals de rechtbank dat bij het bestreden vonnis van 9 juli 2014 heeft opgesteld, het te verrekenen vermogen van de man als volgt vast:

  1. Waardevermeerdering woning € 24.000,-

  2. Onderneming van de man € 61.110,-

  3. Citroën Traction € 22.131,59

  4. Volvo € 10.636,84

  5. Totaal aan banksaldi minus aanslagen € 30.608,-

Totaal € 148.486,43

Het te verrekenen vermogen van de vrouw is vastgesteld op € 8.851,60.

3.2

De vrouw heeft dus een vordering op de man van € 148.486,43 : 2 = € 74.243,21, en de man heeft een vordering op de vrouw van € 8.851,60 : 2 = € 4.425,80.

Met verrekening van deze bedragen heeft de vrouw een vordering op de man van

€ 74.243,21 - € 4.425,80 = € 69.817,41. De man heeft aan de vrouw een voorschot van

€ 19.695,- betaald. Aldus resteert een vordering van € 50.122,41. Hierover is, zoals uit het tussenarrest van 19 april 2016 volgt, wettelijke rente verschuldigd vanaf 28 november 2003 tot de dag der voldoening.

Het hof zal het bestreden vonnis in conventie onder 3.1 vernietigen en opnieuw recht doen.

3.3

Omdat de proceskosten voortvloeien uit de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden van partijen zal het hof de kosten van het hoger beroep compenseren in die zin dat ieder de eigen proceskosten betaalt.

Ten aanzien van de kosten van het deskundigenbericht geldt het volgende. Partijen hebben ieder de helft van het voorschot van € 22.000,- voldaan. Het hof heeft de aanspraak van de deskundige bij beschikking van 23 november 2018 begroot op € 21.767,90 inclusief btw, en heeft verstaan dat de griffier het restant van het voorschot (€ 232,10 :2 = € 116,05) aan ieder van partijen zal restitueren. Het hof ziet geen aanleiding om een andere beslissing ten aanzien van de kosten van het deskundigenbericht te nemen. Het tweede deskundigenrapport heeft niet tot extra door de deskundige in rekening gebrachte kosten geleid.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in het principaal en incidenteel hoger beroep:

4.1

vernietigt het vonnis tussen partijen van de rechtbank Utrecht van 9 juli 2014, gewezen in conventie en doet in zoverre opnieuw recht;

4.2

veroordeelt de man om aan de vrouw te betalen € 50.122,41, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 november 2003 tot de dag der voldoening;

4.3

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.4

bekrachtigt het vonnis voor het overige;

4.5

compenseert de kosten van het hoger beroep tussen partijen in die zin dat ieder partij de eigen kosten draagt;

4.6

wijst het meer of anders gevorderde af;

Dit arrest is gewezen door mrs. M.L. van der Bel, R. Prakke-Nieuwenhuizen en M.H.H.A. Moes en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

29 oktober 2019.