Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:9133

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-10-2019
Datum publicatie
30-10-2019
Zaaknummer
200.260.735/01 en 200.260.736/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlenging uithuisplaatsing bekrachtigd door Hof. Kinderen hebben ernstige (gedrags)problematiek en kennen een verleden van huiselijk geweld, (fysieke) mishandeling en vele wisselingen van woonplaats. Daarnaast was er sprake van een heftige echtscheidingsstrijd tussen ouders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.260.735/01 en 200.260.736/01

(zaaknummers rechtbank Noord-Nederland C/19/125614/JERK 19-35 resp. C/19/125894 / JE RK 19-78 en C/19/126155 /JE RK 19-109)

beschikking van 22 oktober 2019

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. M. Gonera-Alta te Hoogeveen,

en

de gecertificeerde instelling

Jeugdbescherming Noord & Veilig Thuis Groningen,

gevestigd te Groningen,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

[de moeder] ,

wonende te [B] ,

verder te noemen: de moeder.

Als informanten zijn aangemerkt:

[C] ,

gevestigd te [A] ,

verder te noemen: gezinshuis van [de minderjarige2] , en

Gezinshuis [D],

gevestigd te [E] ,

verder te noemen: gezinshuis van [de minderjarige3] .

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar twee beschikkingen van de kinderrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 12 maart 2019, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 11 juni 2019;

- een brief van mr. Alta van 4 juli 2019 met productie(s).

2.2

De minderjarigen [de minderjarige2] en [de minderjarige3] zijn op 23 september 2019 verschenen, en allebei afzonderlijk en buiten aanwezigheid van partijen door het hof gehoord.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 23 september 2019 plaatsgevonden.

De vader is verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Namens de GI zijn verschenen de heer [F] en mevrouw [G] . Een vriend van de vader is met instemming van de overige aanwezigen als toehoorder toegelaten tot de zitting.

3 De feiten

3.1

Uit het huwelijk van de ouders zijn geboren:

- [de minderjarige1] , geboren [in] 2004, hierna te noemen [de minderjarige1] ;

  • -

    [de minderjarige2] , geboren [in] 2005, hierna te noemen [de minderjarige2] ;

  • -

    [de minderjarige3] , geboren [in] 2008, hierna te noemen [de minderjarige3] .

Op 10 november 2014 is het huwelijk van de ouders ontbonden. Daarbij is het hoofdverblijf van de kinderen bij de moeder bepaald. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over de kinderen uit. [de minderjarige1] woont bij de moeder. Voorafgaand aan de machtiging tot uithuisplaatsing in 2018 woonden [de minderjarige2] en [de minderjarige3] bij de vader.

3.2

Bij beschikking van de kinderrechter van 21 december 2017 is [de minderjarige2] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI tot 21 maart 2018. Bij beschikking van de kinderrechter van 14 maart 2018 is [de minderjarige2] onder toezicht gesteld tot 21 maart 2019. De kinderrechter heeft bij beschikking van 14 maart 2018 ook een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige2] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder tot 21 maart 2019.

3.3

Bij beschikking van de kinderrechter van 16 april 2018 is [de minderjarige3] voorlopig onder toezicht gesteld tot 16 juli 2018. De kinderrechter heeft bij deze beschikking ook een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige3] voor de duur van vier weken in een gezinshuis en de beslissing voor het overige aangehouden. Bij het verzoek van 20 april 2018 heeft de GI de definitieve ondertoezichtstelling van [de minderjarige3] verzocht voor de duur van twaalf maanden en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige3] in een gezinshuis verzocht voor de duur van acht maanden. De kinderrechter heeft bij beschikking van 24 april 2018 de ondertoezichtstelling verlengd met ingang van 24 april 2018 tot 24 april 2019 en de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd van 24 april 2018 tot 24 december 2019. Die laatste datum is bij beschikking van de kinderrechter van 6 juni 2018 verbeterd in: 24 december 2018.

3.4

Bij het inleidend verzoek ingediend op 28 januari 2019 heeft de GI verzocht de ondertoezichtstelling van [de minderjarige2] voor de duur van één jaar te verlengen en de machtiging tot uithuisplaatsing voor verblijf gedurende dag en nacht in een accommodatie zorgaanbieder 24-uurs te verlengen voor de duur van één jaar met ingang van 21 maart 2019.

Bij het inleidend verzoek ingediend op 20 februari 2019 heeft de GI verzocht de ondertoezichtstelling van [de minderjarige3] voor de duur van één jaar te verlengen en de machtiging tot uithuisplaatsing één jaar te verlengen met ingang van 24 april 2019. Op 11 maart 2019 heeft de GI verzocht om een spoedmachtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige3] voor de duur van twee maanden. Verder heeft de GI verzocht het oorspronkelijke inleidende verzoek op te vatten als een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en als een verzoek tot verlenging van de (toen nog te verlenen) spoedmachtiging.

3.5

Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [de minderjarige2] verlengd tot 21 maart 2020 en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige2] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder, verlengd tot uiterlijk 21 maart 2020.

3.6

Bij de andere bestreden beschikking heeft de kinderrechter een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige3] in een gezinshuis met ingang van 12 maart 2019 voor de duur van de lopende ondertoezichtstelling, te weten tot 24 april 2019, de ondertoezichtstelling van [de minderjarige3] verlengd tot 21 maart 2020 en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige3] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder, verlengd tot uiterlijk 21 maart 2020.

3.7

[de minderjarige2] verbleef op de observatie en diagnostiek groep van [C] in [H] van februari 2018 tot oktober 2018. [de minderjarige3] verbleef daar van april 2018 tot oktober 2018.

In oktober 2018 zijn [de minderjarige2] en [de minderjarige3] geplaatst in gezinshuis [I] in [A] . [de minderjarige3] verblijft sinds 29 mei 2019 bij gezinshuis [D] in [E] .

[de minderjarige2] is na de bestreden beschikking in een groep van [C] in [A] geplaatst.

4 De omvang van het geschil

De vader is in hoger beroep gekomen van de beschikkingen van 12 maart 2019. De vader verzoekt om [de minderjarige2] en [de minderjarige3] te horen of althans voor [de minderjarige3] een bijzonder curator te benoemen en om de beschikkingen te vernietigen en het verzoek van de GI tot verlenging van de machtigingen tot uithuisplaatsing alsnog af te wijzen, althans een beschikking vast te stellen op een zodanige wijze als het hof juist acht.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De vader heeft de verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] niet bestreden, en evenmin verzocht de spoedmachtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige3] af te wijzen. De vader is het echter niet eens met de verlenging van de machtigingen tot uithuisplaatsing van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] .

5.2

De GI heeft aangegeven dat [de minderjarige2] en [de minderjarige3] nu niet thuisgeplaatst kunnen worden. Naar het hof begrijpt verzoekt de GI de bestreden beschikkingen te bekrachtigen.

5.3

Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Ingevolge artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling, de raad of het openbaar ministerie de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.

5.4

Het hof overweegt als volgt. Toen de kinderen nog thuis woonden, bevonden zij zich in een situatie van ernstig huiselijk geweld tussen de ouders. Er waren zorgen dat er eveneens sprake was van (fysieke) mishandeling richting de kinderen. De kinderen zijn eind augustus 2008, toen [de minderjarige3] zes maanden oud was en [de minderjarige2] twee jaar oud, uit huis geplaatst in een pleeggezin. De kinderen zijn ruim een half jaar uit huis geplaatst geweest, om vervolgens via een traject van [J] weer thuisgeplaatst te worden in mei 2009. In september 2012 is de ondertoezichtstelling beëindigd. Na wederom een periode van huiselijk geweld, zijn de ouders in 2014 definitief uit elkaar gegaan. De strijd tussen de ouders heeft daarna voortgeduurd. Zij kunnen tot op heden niet constructief met elkaar communiceren. De vader betwist niet dat de in 2018 verleende machtigingen tot uithuisplaatsing van de kinderen noodzakelijk waren. De vader heeft ter zitting van het hof erkend dat er sprake is geweest van een problematische echtscheiding en dat beide ouders destijds psychische problemen hadden. Hij heeft aangegeven dat de moeder erg overbelast was door de situatie. Ter zitting heeft het hof de vader gevraagd naar het letsel van de kinderen. In reactie daarop heeft de vader niet een schuldige aangewezen maar geantwoord dat hij eveneens verantwoordelijk was voor de kinderen en hij hen niet heeft kunnen beschermen. Uit het voorgaande blijkt dat er – anders dan de vader heeft gesteld – niet alleen sprake was van een heftige echtscheidingsstrijd.

5.5

Ook zorgelijk is dat [de minderjarige2] en [de minderjarige3] veelvuldig van woonplek zijn gewisseld. [de minderjarige2] is door de moeder in mei en augustus 2017 de deur gewezen en naar de vader gestuurd. Daar is [de minderjarige2] vervolgens gaan wonen. Enkele maanden later had [de minderjarige2] de wens om weer bij de moeder te wonen en in december 2017 heeft hij geprobeerd zijn plaatsing bij de vader te beëindigen. Eind december 2017 is [de minderjarige2] uit huis geplaatst, eerst naar een gezinshuis, vervolgens bij [C] , daarna gezinshuis [I] en nu weer bij [C] .

In het voorjaar van 2018, een aantal weken voor de opname bij [C] , heeft de moeder [de minderjarige3] voor de keus gesteld om bij haar of de vader te wonen, heeft zij [de minderjarige3] bij de vader afgezet en heeft zij vervolgens niets meer van zich laten horen naar de kinderen toe. Na de opname bij [C] is [de minderjarige3] in gezinshuis [I] gaan wonen en sinds mei 2019 woont ze in het huidige gezinshuis.

5.6

Ten tijde van de bestreden beschikkingen van de kinderrechter was het maandenlange verbroken contact met de moeder net weer op gang gekomen. De kinderrechter heeft het herstel terecht wankel genoemd. De GI heeft geprobeerd er met de moeder aan te werken om [de minderjarige3] weer bij de moeder te laten wonen, waartoe de moeder aanvankelijk ook bereid leek te zijn, maar de moeder heeft het contact met de GI en de kinderen aan het einde van haar recente zwangerschap van haar nieuwe partner weer verbroken, terwijl de kinderen de moeder erg missen. Deze (herhaalde) afwijzing door de moeder van de kinderen kan verdere schade toebrengen aan de ontwikkeling van de kinderen, die al een belaste voorgeschiedenis hebben en kwetsbaar zijn.

5.7

[de minderjarige2] laat forse gedragsproblematiek zien. [de minderjarige2] is voorheen meerdere malen geschorst geweest op school vanwege zijn gedrag. Uit het onderzoek van [C] blijkt dat er bij [de minderjarige2] sprake is van PTSS met dissociatieve symptomen en een vorm van verstoorde hechting. In het gezinshuis was [de minderjarige2] moeilijk te handhaven. Hij was opstandig en vertoonde wegloopgedrag. Kort voor het inleidend verzoek dreigde [de minderjarige2] uit het raam te springen en het gezinshuis in de brand te steken. Ter zitting van het hof heeft de vader aangegeven dat [de minderjarige2] zo verdrietig was dat hij een keer op een zes meter hoge muur was gaan staan met het doel om zelfmoord te plegen. Een andere keer is hij naar het spoor weggerend, maar tegengehouden.

Uit onderzoek van [de minderjarige3] blijkt dat er bij haar sprake is van forse trauma’s en PTSS met dissociatieve symptomen en een verstoorde hechting. [de minderjarige3] wordt dagelijks belemmerd in haar functioneren en haar ontwikkeling en is met name sociaal-emotioneel tot stilstand gekomen. Ze is angstig en onzeker. De school heeft bij de GI aangegeven dat [de minderjarige3] moeilijk tot leren komt.

5.8

De samenwerking tussen de vader en de GI was aanvankelijk erg moeizaam. De vader erkende de problematiek en diagnoses van de kinderen niet, is zijn eigen weg gegaan en heeft aanwijzingen niet opgevolgd, waarbij hij voorbij is gegaan aan de belangen van de kinderen. Aan belafspraken heeft de vader zich niet gehouden. Hij heeft daardoor bijgedragen aan onrust voor de kinderen. De vader heeft moeite (gehad) met het accepteren van de regels en de afspraken met de gezinsvoogden.

5.9

De GI heeft ter zitting van het hof laten weten dat zij en de vader een traject van negen maanden zijn gestart waarbij gewerkt wordt aan thuisplaatsing van [de minderjarige2] bij de vader. Dat is nu anderhalf maand gaande en [de minderjarige2] gaat vier keer per week enkele uren naar de vader toe. Er is ambulante begeleiding bij de vader thuis ingezet om zicht te krijgen op de situatie bij de vader en op de vraag of de vader [de minderjarige2] kan bieden wat hij nodig heeft. Ter zitting heeft de GI laten weten dat het contact met de vader nu lijkt te verbeteren en de vader goed mee lijkt te werken. Hij blijft in contact met de GI. Er is op dit moment een werkbare relatie met de vader, maar die is nog pril en moet doorgezet worden. De vader bagatelliseert en onderschat de problematiek van [de minderjarige3] nog steeds.

5.10

De vader heeft als argument tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen aangevoerd dat de uithuisplaatsing hen goed had moeten doen maar dat niet heeft gedaan. Het hof volgt de vader niet in zijn redenering. Bij [de minderjarige2] en [de minderjarige3] is ook tijdens de uithuisplaatsing ernstige (gedrags)problematiek geconstateerd, maar daaruit volgt niet zonder meer dat de uithuisplaatsing geen effect heeft (gehad), zoals de vader kennelijk stelt. Gelet op de ernst van de problematiek van de kinderen is aannemelijk dat zij beiden nog veel hulp en begeleiding nodig zullen hebben voordat zij een positieve ontwikkeling zullen kunnen doormaken. Dat die ontwikkeling op dit moment nog niet tot stand is gekomen, betekent dan ook niet dat de uithuisplaatsing beëindigd kan worden en de kinderen naar huis kunnen. Gelet op het verleden en hetgeen daarover hiervoor is overwogen, is het noodzakelijk dat de opvoedsituatie van de vader (dan wel de moeder) en diens opvoedvaardigheden eerst goed onderzocht worden voordat kan worden beoordeeld of één of beide kinderen terug kunnen naar de vader (dan wel de moeder). Het onderzoek ten aanzien van de vader geeft niet alleen informatie die voor [de minderjarige2] situatie van belang is, maar zal ook voor [de minderjarige3] van belang zijn. Nu op dit moment nog niet vastgesteld kan worden dat [de minderjarige2] en/of [de minderjarige3] veilig en verantwoord thuisgeplaatst kunnen worden, zijn de door de rechtbank uitgesproken verlengingen van de machtigingen tot uithuisplaatsing naar het oordeel van het hof nog steeds noodzakelijk.

5.11

Tot slot merkt het hof op dat [C] heeft aangegeven dat het – anders dan [de minderjarige3] mogelijk wil – niet mogelijk is dat [de minderjarige3] geplaatst wordt op de groep waar [de minderjarige2] woont en dat zij beter op haar plaats is in een gezinshuis. De gevoelens van verdriet en frustratie van [de minderjarige3] dat zij niet in de nabijheid van haar familie kan verblijven, zijn meer dan begrijpelijk. Het hof geeft de GI in overweging om te zoeken naar mogelijkheden om [de minderjarige3] (veel) dichter in de buurt van de woonplaats van de vader en/of de moeder te plaatsen, zodat zij gemakkelijker met hen en met haar broer en zus contact kan hebben.

5.12

Omdat [de minderjarige3] door het hof is gehoord, kan de beoordeling van het (subsidiaire) verzoek van de vader tot benoeming van een bijzondere curator achterwege blijven.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikkingen, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, te bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 12 maart 2019, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.D.S.L Bosch, C. Koopman en B.J. Voerman, bijgestaan door mr. E.L.K. Bijma als griffier, en is op 22 oktober 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.