Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:912

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
31-01-2019
Datum publicatie
18-06-2019
Zaaknummer
200.248.611
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling. Geen gronden die ondertoezichtstelling nog langer rechtvaardigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.248.611

(zaaknummer rechtbank Overijssel 219141)

beschikking van 31 januari 2019

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. L.B. Plantema-Volkers te Zwolle,

en

raad voor de kinderbescherming,

gevestigd te Almelo,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad,


en

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. W.H. Kesler te Enschede,

en

de gecertificeerde instelling

Stichting Jeugdbescherming Overijssel,

gevestigd te Zwolle,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 20 juli 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, verder: de bestreden beschikking.

2. Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 19 oktober 2018;

- het verweerschrift met een productie van de raad;

- het verweerschrift met producties van de vader;

- het verweerschrift met producties van de GI;

- een journaalbericht van mr. Plantema-Volkers van 18 december 2018 met producties.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 20 december 2018 plaatsgevonden. De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de raad is [medewerker RvdK] verschenen. De vader is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Namens de GI is [medewerker GI] verschenen.

3 De feiten

3.1

Uit de moeder is geboren [kind 1] , op [geboortedatum] 2014. De moeder is alleen belast met het ouderlijk gezag over [kind 1] .

3.2

Uit de - inmiddels verbroken - relatie van de moeder en de vader zijn geboren:

- [kind 2] , op [geboortedatum] 2015; en

- [kind 3] , op [geboortedatum] 2016.

De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [kind 2] en [kind 3] .

3.3

Voorts is uit de moeder geboren [kind 4] , op [geboortedatum] 2018. Alleen de moeder is belast met het gezag over [kind 4] .

3.4

Bij beschikking van 12 maart 2018 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, aan de moeder vervangende toestemming verleend tot verhuizing met de kinderen [kind 2] en [kind 3] naar [woonplaats] en als voorlopige omgangsregeling vastgesteld dat [kind 1] , [kind 2] en [kind 3] bij de vader verblijven eens per week op zaterdag of zondag, in onderling overleg tussen de ouders te bepalen, van 10.00 uur tot 17.00, waarbij de ouders samen voor het vervoer van de kinderen van en naar de vader zorgen. De rechtbank heeft voorts bepaald dat de ouders deze regeling in overleg met de raad kunnen uitbreiden.

3.5

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kinderrechter de kinderen op verzoek van de raad onder toezicht gesteld voor de duur van een jaar, zijnde tot 20 juli 2019.

3.6

Bij beschikking van 20 juli 2018, schriftelijk uitgewerkt op 16 augustus 2018, heeft de rechtbank elke beslissing met betrekking tot de omgangsregeling aangehouden in afwachting van de resultaten van het traject “Ouderschap na scheiden” en bepaald dat de gezinsvoogd in het kader van de ondertoezichtstelling uitvoering zal geven aan de omgang tussen de vader en de kinderen.

4 De omvang van het geschil

4.1

De moeder is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt het hof om bij beschikking de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de raad niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek in eerste aanleg dan wel dit verzoek af te wijzen.

4.2

De raad voert verweer en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen, kosten rechtens.

4.3

De vader voert eveneens verweer. Hij verzoekt het hof om bij beschikking de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek in hoger beroep dan wel haar verzoek af te wijzen.

4.4

De GI voert verweer en verzoekt het hof het verzoek in hoger beroep van de moeder af te wijzen.

4.5

Het hof zal de grieven gezamenlijk beoordelen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.

5.2

Het hof stelt voorop dat de kinderrechter de kinderen, onder verwijzing naar de rapportage van de raad van 15 juni 2018, onder toezicht heeft gesteld, omdat de identiteitsontwikkeling en hechting van de kinderen onder druk stond, nu het de ouders niet lukte om overeenstemming te bereiken over de meest wenselijke omgangsregeling voor de kinderen. Daarnaast lukte het de ouders volgens de raad niet om over zaken die de kinderen aangaan met elkaar te communiceren. Van [kind 4] moest voorts nog bekend worden of de vader ook zijn biologische vader is. De raad heeft bovendien in de raadsrapportage als zorg beschreven dat hulpverlening in het vrijwillig kader onvoldoende van de grond is gekomen. De raad had in dat kader onvoldoende vertrouwen in de bereidheid van de ouders om constructief met elkaar samen te werken en had bovendien zorgen over de bereidheid vanuit de moeder om hulpverlening te accepteren.

5.3

Het hof overweegt als volgt. Ter mondelinge behandeling hebben de ouders eensluidend verklaard dat het goed gaat met de kinderen. De ouders hebben contact over de kinderen, hoewel dit contact volgens de vader oppervlakkig verloopt. [kind 1] , [kind 2] en [kind 3] hebben wekelijks contact met de vader, met eens per twee weken een overnachting. Deze omgangsmomenten verlopen goed en partijen zijn in staat om in overleg af te wijken van de door de rechtbank vastgestelde voorlopige zorgregeling. Daarnaast is het traject Ouderschap na Scheiden bij Trias opgestart, met als doelstellingen het opstellen van een ouderschapsplan en het verbeteren van de onderlinge communicatie. Zowel de moeder als de vader hebben ter mondelinge behandeling uitgesproken zich voor dit traject te willen inzetten. Ten slotte heeft de moeder een verwantschapsonderzoek uitgevoerd, in de hoop dat op deze manier wordt vastgesteld dat de vader de biologische vader van [kind 4] is.

Onder deze omstandigheden, mede bezien in het licht dat de omgangsprocedure nog loopt en de rechtbank dus zicht houdt op de situatie van de kinderen, is het hof van oordeel dat niet langer is gebleken van gronden die de ondertoezichtstelling ten behoeve van de kinderen nog langer rechtvaardigen. Gelet op de onder 5.2 genoemde zorgen, is het hof van oordeel dat de ondertoezichtstelling ten behoeve van hen wel terecht is uitgesproken, omdat ten tijde van de procedure in eerste aanleg nog niet duidelijk was of de ouders bereid waren onvoorwaardelijk zich in te zetten voor hulpverlening. Het hof gaat er ook vanuit dat de ouders de ingezette positieve lijn in het belang van de kinderen zullen vasthouden.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen voor zover de daarin uitgesproken ondertoezichtstelling van de kinderen ziet op de periode tot heden en vernietigen voor zover deze ziet op de periode met ingang van heden en het verzoek tot ondertoezichtstelling voor zover dat ziet op de periode vanaf heden alsnog afwijzen.

6.2

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 20 juli 2018 voor zover de daarin uitgesproken ondertoezichtstelling zich uitstrekt over de periode tot heden;

vernietigt die beschikking voor zover de daarin uitgesproken ondertoezichtstelling zich uitstrekt over de periode vanaf heden en opnieuw beschikkende:

wijst het verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van de kinderen af voor zover dat verzoek betrekking heeft op de periode vanaf heden;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, M.J. Stolwerk en H. Phaff, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 31 januari 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.