Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:9110

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-10-2019
Datum publicatie
06-11-2019
Zaaknummer
18/00850
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2018:3796, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:644
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Verzoek ambtshalve vermindering aanslagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 06-11-2019
FutD 2019-2912
V-N Vandaag 2019/2589
V-N 2020/7.1.4
Viditax (FutD), 10-04-2020
NTFR 2019/2904
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Locatie Arnhem

nummer 18/00850

uitspraakdatum: 29 oktober 2019

Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 5 september 2018, nummers AWB 18/1532 en 18/1533, in het geding tussen belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende zijn voor het jaar 2012 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en een aanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) opgelegd. Daarbij is een verzuimboete opgelegd en is belanghebbende belastingrente in rekening gebracht.

1.2

Belanghebbende heeft op de voet van artikel 9.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet) de Inspecteur verzocht deze aanslagen en beschikkingen inzake de boete en belastingrente ambtshalve te verminderen. De Inspecteur heeft dit verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking afgewezen. Het daartegen door belanghebbende gemaakte bezwaar is door de Inspecteur bij in één geschift vervatte uitspraken op bezwaar ongegrond verklaard.

1.3

Belanghebbende heeft tegen die uitspraken op bezwaar beroep ingesteld. Rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5

Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2019 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord: belanghebbende, diens gemachtigde [A] , alsmede [B] en mr. [C] namens de Inspecteur.

1.6

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende (geboren in 1960) is gehuwd met mevrouw [D] . Zij wonen in de hen in eigendom toebehorende woning aan de [a-straat 1] te [Z] . Belanghebbende en zijn echtgenote zijn voorts eigenaar van een (tot woning dienende) onroerende zaak in [E] , plaatselijk bekend als [b-straat 2] te [E] . Volgens de gegevens van de Basisregistratie personen hebben in het onderhavige jaar (2012) zes personen op dat adres ingeschreven gestaan.

2.2

Belanghebbende exploiteerde in 2012 een onderneming genaamd Café [F] . Dit geschiedde in de vorm van een eenmanszaak. Deze onderneming werd door belanghebbende geëxploiteerd in een door hem gehuurd pand aan de [c-straat 3] te [G] . Drie kamers op de (boven)verdieping van dit pand werden verhuurd.

2.3

Volgens de aangiften omzetbelasting van belanghebbende bedroeg zijn met de exploitatie van de onderneming behaalde omzet in 2012 (exclusief omzetbelasting) € 43.847.

2.4

Belanghebbende is door de Inspecteur op 28 februari 2013 uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV 2012 en voor de inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zvw 2012 (hierna: de aangifte). Op verzoek van belanghebbende is uitstel verleend voor het doen van de aangifte tot 1 september 2013. Omdat indiening van de aangifte uitbleef, heeft de Inspecteur belanghebbende een zogenoemde herinneringsbrief gezonden en hem vervolgens, bij brief van 4 november 2013, aangemaand tot het doen van bedoelde aangifte vóór 18 november 2013. Daarbij is belanghebbende erop gewezen dat wanneer hij niet op de aanmaning reageert, hij een boete kon krijgen. De aangifte is niet binnen de door de Inspecteur gestelde termijn ingediend door belanghebbende.

2.5

De Inspecteur heeft vervolgens ambtshalve de onderhavige aanslagen IB/PVV 2012 en Zvw 2012 met dagtekening 8 mei 2015 vastgesteld. Daarbij is hij uitgegaan van een schatting van de winst van belanghebbende van € 40.000 en een huurwaardeforfait ter zake van de eigen woning in [Z] van € 1.320. Voorts heeft de Inspecteur in box 3 een bedrag van € 185.000 ter zake van de woning aan de [b-straat 2] te [E] in aanmerking genomen en een bedrag van € 1.134 aan banktegoeden.

2.6

De onderhavige aan belanghebbende opgelegde aanslag IB/PVV 2012 is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.320 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.754. Aan belastingrente is daarbij in rekening gebracht een bedrag van € 979. Voorts is een verzuimboete van € 984 aan belanghebbende opgelegd wegens het niet (tijdig) doen van de aangifte. De aanslag Zvw 2012 is vastgesteld naar een bijdrage-inkomen van € 40.000. Aan belastingrente is daarbij in rekening gebracht een bedrag van € 142.

2.7

In voorgaande jaren (2010 en 2011) is belanghebbende ook beboet voor het niet (tijdig) indienen van de aangiften IB/PVV.

2.8

Belanghebbende heeft de Inspecteur (onder meer) in 2017 verzocht de in 2.6 genoemde aanslagen en beschikkingen op de voet van artikel 9.6 van de Wet ambtshalve te verminderen. De Inspecteur heeft dit verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking afgewezen. Hiertegen heeft belanghebbende vergeefs bezwaar aangetekend. Het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep is door de Rechtbank ongegrond verklaard.

3. Het geschil

In hoger beroep is tussen partijen in geschil of de onderhavige aanslagen en beschikkingen terecht zijn opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de Inspecteur bevestigend.

4 Beoordeling van het geschil

Omkering en verzwaring bewijslast

4.1

Belanghebbende heeft met betrekking tot het onderhavige jaar geen gevolg gegeven, ook niet na de aanmaning van de Inspecteur daartoe, aan de uitnodiging van de Inspecteur tot het doen van de aangifte IB/PVV 2012 en Zvw 2012.

4.2

Dit betekent, gelijk de Inspecteur heeft gesteld en de Rechtbank heeft geoordeeld, dat belanghebbende voor het jaar 2012 niet ‘de vereiste aangifte’ heeft gedaan. Dit brengt mee dat belanghebbende moet doen blijken, dat wil zeggen overtuigend dient aan te tonen, dat en in hoeverre de door de Inspecteur opgelegde aanslagen onjuist zijn. De blote stelling van belanghebbende ter zitting in hoger beroep dat hij op 26 mei 2016 – derhalve ruim een jaar na het opleggen van de onderhavige aanslagen – de ‘aangifte’ IB/PVV 2012 heeft ingediend bij de deurwaarder van de Belastingdienst, kan – wat er ook zij van de juistheid van die stelling - deze sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast niet ongedaan maken (vgl. HR 12 juli 2013, nr. 12/00517, ECLI:NL:HR:2013:30, r.o 3.4.2).

4.3

De administratiefrechtelijke sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast laat echter onverlet dat bij het ambtshalve vaststellen van een aanslag door een inspecteur dient te worden uitgegaan van een redelijke schatting van het inkomen van een belanghebbende. Het vereiste van een redelijke schatting strekt, in de context van de omkering en verzwaring van de bewijslast, ertoe te voorkomen dat een aanslag naar willekeur wordt vastgesteld (vgl. HR 31 mei 2013, nrs. 11/03452 en 11/03456, ECLI:NL:HR:2013:BX7184).

Redelijke schatting en bewijs

4.4

In aanmerking genomen: (1) dat belanghebbende voor de jaren 2010 en 2011 evenmin aangifte voor de IB/PVV heeft gedaan zodat inkomensgegevens voor die jaren ontbreken, (2) dat de inspecteur zich bij zijn schatting voor 2012 heeft gebaseerd op de door belanghebbende gedane aangiften voor de omzetbelasting voor 2012 en (3) de (onder)verhuur van de drie kamers boven het café aan de [c-straat 3] te [G] , kan de schatting van de winst uit onderneming (belastbaar inkomen uit werk en woning) van € 40.000 naar het oordeel van het Hof niet als onredelijk worden bestempeld. Dat geldt, aangezien belanghebbende eigenaar is van de woning aan de [b-straat 2] te [E] , evenzeer voor het geschatte belastbaar inkomen uit sparen en beleggen. Het ligt vervolgens, nu belanghebbende de schatting van de Inspecteur betwist, op zijn weg daarvoor het verzwaarde tegenbewijs te leveren (vgl. HR 31 mei 2013, nrs. 11/03452 en 11/03456, ECLI:NL:HR:2014: BX7184).

4.5

In bezwaar, beroep en hoger beroep heeft belanghebbende niets aangevoerd op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat hij het (overtuigende) bewijs heeft aangedragen voor de conclusie dat de onderhavige aanslagen tot te hoge bedragen zijn opgelegd. Zijn stelling dat hij op 16 mei 2016 een ‘aangifte’ IB/PVV 2012 heeft ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.198 wordt betwist door de Inspecteur. Een afdruk van deze ’aangifte’ is door belanghebbende nimmer overgelegd, niet in bezwaar en beroep en evenmin in hoger beroep. Geconcludeerd moet worden dat het hoger beroep van belanghebbende met betrekking tot de aanslagen (IB/PVV 2012 en Zvw 2012) ongegrond is.

Verzuimboete

4.6

In aanmerking genomen dat belanghebbende ook voor de jaren 2010 en 2011 in verzuim is geweest met betrekking tot zijn wettelijke verplichting tot het doen van aangifte IB/PVV, acht het Hof, evenals de Rechtbank, een verzuimboete van € 984 passend en geboden voor het verzuim dat door belanghebbende met betrekking tot het jaar 2012 is begaan.

Belastingrente

4.7

Het hoger beroep wordt mede geacht te zijn gericht tegen de beschikkingen inzake de belastingrente. Belanghebbende heeft tegen die beschikkingen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Nu de aanslagen in hoger beroep niet worden verminderd, ziet het Hof geen grond voor een vermindering van de in rekening gebrachte belastingrente.

Slotsom

Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond.

5 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, voorzitter, mr. I. Linssen en mr. P.L.M. van Gorkom, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2019

De griffier, De voorzitter,

(J.H. Riethorst) (R. den Ouden)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 29 oktober 2019.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij:

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.