Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:9064

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-10-2019
Datum publicatie
22-11-2019
Zaaknummer
200.266.698
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 288 lid 1, aanhef en b en c, Fw.

Toelating wettelijke schuldsaneringsregeling.

Huurtoeslagschulden. Fluctuerende inkomsten. Grensgeval aanspraak op huurtoeslag.

Beschermingsbewind. Stabiele financiële situatie. Geen nieuwe schulden. Sterk arbeidsethos.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof: 200.266.698

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht: C/16/477205)

arrest van 28 oktober 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant, hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. C.P. Visser.

1 Het geding in eerste aanleg

Bij vonnis van 19 september 2019 (hierna: het bestreden vonnis) heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, het verzoek van [appellant] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen. Het hof verwijst naar dat vonnis.

2
2. Het geding in hoger beroep

2.1

Bij ter griffie van het hof op 26 september 2019 ingekomen verzoekschrift is [appellant] in hoger beroep gekomen van het bestreden vonnis. [appellant] heeft het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en, opnieuw recht doende, te bepalen dat zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt toegewezen.

2.2

Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen en van de brief met bijlagen van 15 oktober 2019 van mr. Visser.

2.3

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2019. [appellant] is verschenen, bijgestaan door mr. Visser. Voorts is verschenen [beschermingsbewindvoerder] van Saldo Bewindvoering, sinds 31 oktober 2018 beschermingsbewindvoerder van [appellant] .

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof het volgende gebleken.

[appellant] , geboren in het voormalige [geboorteplaats] op [geboortedatum] , woont volgens eigen zeggen sinds 1997 in Nederland. In het verleden heeft hij een relatie met een vriendin gehad, waaruit twee kinderen zijn geboren. In 2016 zijn zij gaan samenwonen.
In 2017 is de relatie geëindigd. De ex-vriendin is met de kinderen vertrokken en [appellant] is in de woning blijven wonen. Zijn kinderen verblijven elk weekeinde bij hem.
In 2010 is [appellant] de ROC-opleiding logistiek medewerker gaan volgen. Hij heeft deze opleiding in 2011 afgerond met een diploma. Sindsdien heeft hij met enkele onderbrekingen voornamelijk betaalde werkzaamheden via uitzendbureaus verricht.

3.2

De schuldenlast van [appellant] bedraagt volgens de bij het verzoekschrift van
4 september 2019 overgelegde crediteurenlijst in totaal ruim € 29.000. Tot deze schuldenlast behoren onder meer een schuld aan de belastingdienst van in totaal € 5.577 (€ 2.449 aan huurtoeslag 2016, € 1.137 aan huurtoeslag 2017, € 1.640 aan huurtoeslag 2018 en € 351 aan inkomstenheffing 2017), een huurschuld aan de Woningstichting Leusden van € 5.138,51 en een schuld aan DUO van € 11.185,54.

3.3

De rechtbank heeft het verzoek van [appellant] om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen, omdat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [appellant] de uit die regeling voortvloeiende verplichtingen zal nakomen. Aan deze beslissing is het volgende ten grondslag gelegd.

Er bestaat weinig vertrouwen dat [appellant] in staat is een WSNP-bewindvoerder op de hoogte te stellen van belangrijke informatie en de overige WSNP-verplichtingen na te komen. Gebleken is dat zowel de schuldhulpverlener, de beschermingsbewindvoerder en de verhuurder van de woning van [appellant] hebben aangevoerd dat [appellant] moeite heeft met contacten onderhouden en zijn afspraken na te komen, waardoor zijn schuldpositie is toegenomen (zoals de huurachterstand en het wegvloeien van het gespaarde saldo in het minnelijk traject). Bovendien blijkt dat [appellant] moeite heeft zijn zaken op orde te krijgen en te houden, zoals het feit dat hij meermaals zijn verblijfsdocument niet in bezit heeft (met alle gevolgen van dien) en dat hij vervolgens moeite heeft om dat document weer opnieuw aan te vragen, aldus de rechtbank.

3.4

Het hof zal eerst beoordelen of [appellant] aannemelijk heeft gemaakt dat hij te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden. Hiertoe oordeelt het als volgt.
Aannemelijk is dat [appellant] in de financiële problemen is gekomen doordat aan hem verstrekte huurtoeslag (deels) werd teruggevorderd (waardoor een aanzienlijke belastingschuld is ontstaan) en doordat hij in 2018 enige tijd geen inkomsten heeft kunnen genereren omdat zijn verblijfsdocument was verlopen en de verlenging van dat document enige tijd op zich liet wachten. Als gevolg hiervan was [appellant] niet meer in staat om zijn (vaste) lasten, in het bijzonder de huur van zijn woning, te voldoen.
heeft hierover in hoger beroep de volgende toelichting gegeven.
In het begin van de samenwoning is hij enige tijd werkloos geweest en moest hij samen met zijn vriendin rondkomen van hun uitkering (zijn vriendin ontving een Wajong-uitkering).
Op basis van die inkomenssituatie had hij recht op (en kreeg hij ook) huurtoeslag. Toen in 2017 de relatie met zijn vriendin strandde, haar inkomen wegviel en hij alleen in de woning bleef wonen, heeft hij samen met Stadsring51 een eigen aanvraag huurtoeslag ingevuld en ingediend bij de belastingdienst. Op enig moment in 2017 is hij betaald werk gaan verrichten. Pas in een laat stadium kwam hij vanwege de van hem teruggevorderde huurtoeslag erachter dat de opgegeven geschatte jaarinkomens te hoog waren geweest om (volledige) aanspraak te kunnen maken op de op basis van de voorlopige aanslag aan hem uitgekeerde toeslag.
Het hof is van oordeel dat met deze toelichting voldoende aannemelijk is geworden dat [appellant] door zijn fluctuerende 4-wekelijkse inkomsten uit betaald werk via uitzendbureaus vrijwel voortdurend op de grens verkeerde waarin (nog net) wel of geen aanspraak (meer) op huurtoeslag bestond. Dat dit onderscheid voor [appellant] zelf niet of nauwelijks te maken was en dat hij gezien zijn beperkte inkomsten in verhouding tot zijn uitgaven niet heeft gereserveerd voor eventuele te verwachten (en zich ook gerealiseerde) terugvorderingen van de huurtoeslag, levert in dit geval niet een zodanig verwijt op dat de daardoor ontstane huurtoeslagschulden een belemmering vormen voor toelating van [appellant] tot de schuldsaneringsregeling.
Omdat, zoals hiervoor al is overwogen, de huurschuld bovenal is terug te voeren op de wisselende inkomsten van [appellant] en op de veranderingen op persoonlijk vlak, in het bijzonder de relatiebreuk en de daarmee verband houdende inkomensterugval, staat ook die schuld (welke al bij het ingaan van beschermingsbewind, inmiddels een jaar geleden, niet verder is opgelopen) niet aan toelating in de weg. Hierbij spreekt voor [appellant] dat hij in die voor hem zware periode, waarin hem ook een woningontruiming boven het hoofd hing (afgewend doordat de rechtbank het aangevraagde moratorium heeft toegekend), geen consumptieve schulden heeft laten ontstaan.
Ook de overige schulden van [appellant] leveren geen contra-indicatie op voor zijn toelating tot die regeling.

3.5

Anders dan de rechtbank acht het hof wel voldoende aannemelijk geworden dat [appellant] zal kunnen voldoen aan de uit de wettelijke schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Gebleken is dat [appellant] zich vanuit een lastige (schuld-)positie naar vermogen heeft ingezet om mede met door hemzelf ingeroepen hulp van Stadsring51 en beschermingsbewind het tij te keren. In de verklaring van Stadsring51 van 26 september 2019 en de ter zitting nader toegelichte verklaring van de beschermingsbewindvoerder van 25 september 2019 - over welke verklaringen de rechtbank bij het nemen van het door [appellant] bestreden vonnis niet kon beschikken - is voldoende komen vast te staan dat [appellant] inmiddels zowel gevraagd als ongevraagd informatie en gegevens verstrekt en dat hij alle met hem gemaakte afspraken keurig nakomt. [appellant] heeft aangetoond dat hij in staat is van een beperkt leefgeld rond te komen. Zijn financiële situatie is stabiel en van het ontstaan van nieuwe schulden is geen sprake. Ook heeft hij bewezen dat hij over een sterk arbeidsethos beschikt. Hij neemt geen genoegen met een 36-urige werkweek en is erop gebrand structureel 40 uur per week te werken. Tot slot heeft [appellant] meegedeeld dat hij zich bewust is van de verplichtingen waaraan hij zich in het wettelijk schuldsanerings-traject moet houden en dat hij zich daaraan stipt zal houden.

3.6

Het hoger beroep slaagt. Het hof zal beslissen als hierna te melden.

4. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:


vernietigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 19 september 2019 en, opnieuw recht doende:

verklaart de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing ten aanzien van [appellant] .

Dit arrest is gewezen door mrs. D.M.I. de Waele, S.M. Evers en A.S. Gratama, en is op
28 oktober 2019 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de griffier.