Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:897

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
31-01-2019
Datum publicatie
11-02-2019
Zaaknummer
WAHV 200.215.490
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uit de foto's valt niet met zekerheid af te leiden dat het voertuig de verkeerslichten is gepasseerd. Wel kan worden vastgesteld dat het voertuig bij rood licht de stropstreep is gepasseerd. Het hof wijzigt de feitcode, de omschrijving van de gedraging en het sanctiebedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.215.490

31 januari 2019

CJIB 199243279

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel

van 9 maart 2017

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing gedeeltelijk gegrond verklaard en de feitcode en het sanctiebedrag gewijzigd.

Het procesverloop

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen.
Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De betrokkene klaagt in hoger beroep over de omstandigheid dat de officier van justitie heeft nagelaten hem in de procedure van het administratief beroep de op de zaak betrekking hebbende stukken toe te sturen. De betrokkene stelt dat hij hierdoor in zijn verdediging is geschaad.

2. Het is vaste rechtspraak van het hof dat de officier van justitie, op grond van artikel 7:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in de fase van het administratief beroep op verzoek van de indiener van het beroepschrift gehouden is de op de zaak betrekking hebbende stukken te verstrekken. In zaken als deze gaat het – in ieder geval – om het zaakoverzicht en (indien van toepassing) een foto van de gedraging.

3. Uit de stukken blijkt dat de betrokkene in zijn administratief beroepschrift heeft verzocht om toezending van de foto's van de gedraging. Niet blijkt dat de foto's zijn toegezonden. De officier van justitie heeft dus niet aan zijn informatieplicht voldaan.

Dat is door de kantonrechter niet onderkend. De beslissing van de kantonrechter en van de officier van justitie kunnen daarom niet in stand blijven.

4. Het hof zal het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen. In dat verband stelt het hof vast dat de betrokkene thans wel beschikt over de foto's van de gedraging en het zaakoverzicht.

5. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 230,- opgelegd ter zake van “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”, welke gedraging zou zijn verricht op 24 juni 2016 om 1.18 uur op de IJsselallee N337 te Zwolle met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .

6. De betrokkene voert gedurende de procedure aan dat hij ten tijde van de vermeende gedraging op de IJsselallee reed en dat hij opeens een auto ergens van rechts zag komen. De betrokkene heeft geremd en zag toen dat hij een verkeerslicht over het hoofd had gezien. De betrokkene is toen nog ongeveer één meter achteruit gereden. De betrokkene stelt dat hij, wellicht aan de late kant, wel is gestopt voor het verkeerslicht. In hoger beroep voert de betrokkene naar aanleiding van de beslissing van de kantonrechter aan dat hij langs de pleeglocatie is gereden en daarbij heeft vastgesteld dat, voor zover er al stopstrepen zijn, deze nauwelijks te zien zijn. Gelet hierop is de betrokkene van mening dat de beschikking ten onrechte is opgelegd en dat deze volledig moet worden vernietigd.

7. In zaken op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

8. In de onderhavige zaak bevat het zaakoverzicht onder meer de volgende gegevens:

“De overtreding is met roodlichtapparatuur geautomatiseerd op twee digitale foto's vastgelegd.

Foto 1: Het betreffende voertuig activeert de radardetectie of de lus achter de stopstreep van het rode verkeerslicht. Op het moment van constatering brandde het licht reeds 5,3 seconden.

Foto 2: Circa een seconde later. Op foto 2 is duidelijk te zien dat het voertuig verder is gereden. (…)”

9. Tot de stukken van het dossier behoren foto's van de gedraging. De geregistreerde gegevens zijn vermeld op de databalk boven en naast de foto's. De gedraging is vastgelegd door middel van lusdetectie in het wegdek. Het is het hof ambtshalve bekend dat de lusdetector door inductielussen in het wegdek wordt geactiveerd wanneer een voertuig bij rood licht de stopstreep passeert.

10. Op beide foto's is een voertuig met kenteken [00-YYY-0] te zien. Van dit voertuig is (behalve het kenteken) slechts te zien dat de remlichten branden. Op de databalk naast de foto is vermeld dat op het moment dat de eerste foto (foto A) is genomen het verkeerslicht 05,28 seconden rood licht uitstraalde, terwijl sprake was van een geeltijd van 4 seconden. Ten tijde van het nemen van de tweede foto (foto B) had het verkeerslicht 06,18 seconden rood licht uitgestraald. Op de databalk is voorts te zien dat de snelheid van het voertuig

37 kilometer per uur bedroeg.

11. Uit de foto's valt niet met zekerheid af te leiden dat het voertuig op dat moment de verkeerslichten was gepasseerd. Wel kan op grond van het onder 6. en 7. overwogene worden vastgesteld dat het voertuig bij rood licht de stopstreep is gepasseerd. Niet aannemelijk is geworden dat de stopstreep niet zichtbaar was.

12. Artikel 79 van het RVV 1990 bepaalt dat, wanneer stoppen op grond van die regeling verplicht is, dit dient te geschieden voor de daartoe bestemde stopstreep. De bijlage als bedoeld in artikel 2 WAHV, zoals die luidde ten tijde van de gedraging, maakt onderscheid in de sanctionering van de gedraging met feitcode R602 (‘niet stoppen voor rood licht’: € 230,-) en de gedraging met feitcode R620 (‘niet stoppen voor stopstreep’: € 90,-). De gedraging die in de onderhavige zaak is verricht is dus niet gedraging R602, maar gedraging R620.

13. Gelet op het voorgaande zal het hof het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond verklaren en de inleidende beschikking wijzigen in die zin, dat als de omschrijving van de gedraging heeft te gelden ‘niet stoppen voor stopstreep’ met als feitcode R620. Het sanctiebedrag wordt aan de gewijzigde feitcode geconformeerd.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie d.d. 5 november 2016 gegrond en vernietigt die beslissing;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond, wijzigt de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 199243279 de administratieve sanctie is opgelegd, in zoverre dat de feitcode wordt gewijzigd in R620, de omschrijving in ‘niet stoppen voor stopstreep’ en het bedrag van de sanctie in € 90,-;

bepaalt dat hetgeen de betrokkene op de voet van artikel 11 van de WAHV tot zekerheid heeft gesteld door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd voor zover dat het bedrag van de gewijzigde sanctie overtreft.

Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Van der Meulen als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.