Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:8947

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-10-2019
Datum publicatie
06-11-2019
Zaaknummer
Wahv 200.195.118/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen rechtsregel schrijft voor dat kantonrechter die de einduitspraak geeft, ook betrokken moet zijn geweest bij een, daaraan vooraf gegeven, tussenuitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2019/297
Prg. 2020/11
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.195.118/01

CJIB-nummer

: 185739492

Uitspraak d.d.

: 24 oktober 2019

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 22 juni 2016, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. [B] , kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 124,-.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Er zijn nog brieven van de gemachtigde van de betrokkene van 10 maart 2017, 5 oktober 2017 en 16 juli 2018 ontvangen.

Beoordeling

1. De gemachtigde stelt zich in hoger beroep ten eerste op het standpunt dat niet is gebleken dat van het verhandelde ter zitting een proces-verbaal is opgemaakt. De gemachtigde voert daartoe onder meer aan dat het proces-verbaal de zakelijke inhoud van de afgelegde verklaringen en hetgeen ter zitting is voorgevallen behoort te bevatten, maar dat de beslissing van de kantonrechter daaraan niet voldoet. Daarnaast is de tussenuitspraak van 8 april 2016 gedaan door een andere kantonrechter dan de kantonrechter die de (eind)uitspraak d.d. 22 juni 2016 heeft gedaan. Uitsluitend de rechter die aan het gehele onderzoek ter terechtzitting heeft deelgenomen mag aan de beslissing meewerken volgens vaste rechtspraak van het hof. De gemachtigde verwijst daarbij naar een uitspraak van het hof van 6 maart 2002 (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:GHLEE:2002:AE1181). Hieraan is volgens de gemachtigde niet voldaan. Dit klemt temeer, nu blijkens de tussenuitspraak de behandeling van de zaak is aangehouden.

2. Van het verhandelde ter zitting dient een proces-verbaal te worden opgemaakt (vgl. het arrest van het hof van 31 maart 2016, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2016:2589). Dit dient een zakelijke weergave te bevatten van wat is voorgevallen ter zitting.

3. De klacht van de gemachtigde faalt. Het dossier bevat een proces-verbaal, inhoudende de beslissing van de kantonrechter d.d. 22 juni 2016, waarin is opgenomen hetgeen ter zitting is voorgevallen, waaronder de vermelding van het standpunt van de zittingsvertegenwoordiger van het openbaar ministerie ten aanzien van het beroep. De gemachtigde heeft een afschrift hiervan aan zijn hoger beroepschrift gehecht, zodat de conclusie kan worden getrokken dat hij dit proces-verbaal ook heeft ontvangen. Ook van het verhandelde ter zitting d.d. 8 april 2016, waar de behandeling van het beroep is aangehouden, is proces-verbaal opgemaakt. Dat bevindt zich ook in het dossier van de zitting van 8 april 2016.

4. Het andere verweer van de gemachtigde treft evenmin doel. Geen rechtsregel schrijft voor dat de kantonrechter die de einduitspraak geeft, ook betrokken moet zijn geweest bij een, daaraan vooraf gegeven, tussenuitspraak. De verwijzing door de gemachtigde naar voornoemd arrest van het hof faalt. In die zaak was de kantonrechter die op het beroep had beslist een andere kantonrechter dan die het beroep ter zitting had behandeld.

5. Het hoger beroep richt zich verder tegen de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij de inleidende beschikking in stand is gelaten. Bij deze inleidende beschikking is aan de betrokkene een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiele telefoon vasthouden.” Deze gedraging zou zijn verricht op 7 november 2014 om 09:36 uur op de Zijde in Boskoop met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .

6. De gedraging wordt ontkend. De gemachtigde voert aan dat de betrokkene een fototoestel vasthield. In het dossier bevindt zich geen op ambtseed opgemaakte verklaring dat het een mobiele telefoon betrof. Voorgaande klemt volgens hem te meer nu het hof bij arrest van 23 augustus 2017 (ECLI:NL:GHARL:2017:7299) heeft geoordeeld dat niet langer kan worden aangenomen dat de verklaring in het zaakoverzicht een ambtsedige verklaring is.

7. De Wahv stelt niet de eis dat aan een krachtens die wet opgelegde administratieve sanctie een ambtsedig proces-verbaal van een opsporingsambtenaar ten grondslag ligt. Het enkele ontbreken van een fysiek (ondertekend) proces-verbaal heeft dan ook niet per definitie tot gevolg dat de sanctie niet in stand kan blijven. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat de in het zaakoverzicht vervatte verklaring van een ambtenaar op ambtseed of op ambtsbelofte is afgelegd. De vaststelling dat een gedraging is verricht kan ook op een niet-ambtsedige verklaring van een ambtenaar worden gebaseerd.

8. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

‘’Gedragingsgegevens: Ik zag dat de bestuurder tijdens het rijden een op een telefoon gelijkend voorwerp met zijn linkerhand vasthield. Bij de staandehouding zag ik dat het mobiele telefoon betrof van het merk: Nokia.’’

9. Uit de verklaring van de ambtenaar zoals deze is opgenomen in het zaakoverzicht volgt dat is waargenomen dat de bestuurder van het voertuig met het hiervoor vermelde kenteken tijdens het rijden een op een telefoon gelijkend voorwerp met de linkerhand vasthield. Bij de daarop gevolgde staandehouding blijkt dat het gaat om een mobiele telefoon van het merk Nokia. Hetgeen namens de betrokkene tegenover deze verklaring is gesteld, geeft het hof geen aanleiding om aan de verklaring te twijfelen. De kantonrechter heeft juist beslist.

10. Met betrekking tot de bezwaren tegen de hoogte van de toegekende proceskostenvergoeding overweegt het hof dat nu de kantonrechter de inleidende beschikking in stand heeft gelaten, gelet op het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197, in het midden kan blijven of de kantonrechter de hoogte van de proceskostenvergoeding juist heeft vastgesteld.

11. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

12. Het verzoek om proceskostenvergoeding in hoger beroep wordt, gelet op het hierboven genoemde arrest, afgewezen.

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.