Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:8934

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-10-2019
Datum publicatie
01-11-2019
Zaaknummer
19/00005
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2018:5488, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:971
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erfbelasting. Vereiste aangifte. Hoogte aanslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 01-11-2019
FutD 2019-2840
V-N Vandaag 2019/2479
ERF-Updates.nl 2019-0264
V-N 2020/2.1.7
NTFR 2019/2839
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 19/00005

uitspraakdatum: 22 oktober 2019

Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] , gemeente West Maas en Waal (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 14 december 2018, nummer AWB 18/2217, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Eindhoven (hierna: de Inspecteur).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag erfbelasting opgelegd ter zake van een belaste verkrijging van € 152.131 (hierna: de aanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikking heeft de Inspecteur € 457 aan belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag en de belastingrentebeschikking gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en zich onbevoegd verklaard te beslissen op het verzoek om kwijtschelding van de aanslag.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 september 2019. Daarbij zijn verschenen en gehoord: belanghebbende alsmede namens de Inspecteur mr. [A] en mr. [B] .

1.6.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

[in] 2014 is de moeder van belanghebbende, [C] (hierna: erflaatster), overleden.

2.2.

De erfgenamen van erflaatster zijn belanghebbende en zijn zus [D] . Zij zijn ieder voor de helft gerechtigd tot de nalatenschap.

2.3.

Belanghebbende heeft het hem uitgereikte aangiftebiljet erfbelasting niet volledig ingevuld. Hij heeft geen bezittingen en schulden aangegeven. Belanghebbende heeft op het aangiftebiljet vermeld dat zijn zus contactpersoon is, dat zij alle gegevens heeft en deze niet wil afstaan.

2.4.

De Inspecteur heeft de aanslag erfbelasting ambtshalve vastgesteld en gebaseerd op de hem ter beschikking staande gegevens. Hierbij is de Inspecteur uitgegaan van de aangifte erfbelasting van de zus van belanghebbende. Volgens deze aangifte bedraagt de nalatenschap € 343.998, bestaande uit:

onroerende zaken

€ 203.350

roerende zaken

€ 250

banksaldi

€ 692.874

vorderingen

€ 1.967

uitvaartkosten

-/- € 9.123

overbedelingsschuld

-/- € 545.320

2.5.

De overbedelingsschuld van € 545.320 is ontstaan na het overlijden van de vader van belanghebbende, [E] , [in] 2005. De overbedelingsschuld is berekend door de verkrijging van belanghebbende en zijn zus van € 601.684 te verminderen met de daarover verschuldigde erfbelasting.

2.6.

Na aftrek van de vrijstelling op het aandeel van belanghebbende in de nalatenschap van erflaatster, resteert een belaste verkrijging van ((€ 343.998 : 2 =) € 171.999 -/- € 19.868 =) € 152.131. Belanghebbende is hierover een bedrag van € 18.704 aan erfbelasting verschuldigd.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de vereiste aangifte is gedaan en of de aanslag tot het juiste bedrag is vastgesteld.

3.2.

Voor hetgeen partijen ter ondersteuning van hun standpunt hebben aangevoerd, verwijst het Hof naar de gedingstukken en het proces-verbaal van de zitting.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraken op bezwaar, en tot vermindering van de aanslag tot nihil.

3.4.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

Vereiste aangifte

4.1.

Op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) is een ieder die is uitgenodigd tot het doen van aangifte gehouden aangifte te doen door de in de uitnodiging gevraagde gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud in te vullen, te ondertekenen en in te leveren of toe te zenden.

4.2.

Het Hof is van oordeel dat belanghebbende met de enkele vermelding op het aangiftebiljet dat zijn zus contactpersoon is, dat zij alle gegevens heeft en deze niet wil afstaan, niet de vereiste aangifte als bedoeld in artikel 8 van de AWR heeft gedaan. Aan hem is diverse malen en uiteindelijk tot 1 september 2017 uitstel verleend om de aangifte in te dienen. Het Hof acht niet aannemelijk dat belanghebbende niet de beschikking had over financiële gegevens aan de hand waarvan hij aangifte erfbelasting kon doen. Bij dit oordeel neemt het Hof in aanmerking dat belanghebbende ter zitting van het Hof heeft verklaard dat hij in ieder geval beschikte over de rekening en verantwoording die na het overlijden van erflaatster is opgesteld door haar bewindvoerder (de zus van belanghebbende) en over door hem bij de Rabobank opgevraagde afschriften van bankrekeningen die op naam van erflaatster stonden. Daarnaast was in 2016 een civiele procedure aanhangig tussen belanghebbende en zijn zus met betrekking tot de waarde van tot de nalatenschap behorende bezittingen (perceel grasland en inboedel). Aan de hand hiervan had belanghebbende een (voorlopige) opsomming van de bezittingen en schulden kunnen geven. Nu belanghebbende dat heeft nagelaten, heeft hij niet de vereiste aangifte gedaan zodat de bewijslast op grond van het bepaalde in artikel 27e, eerste lid, van de AWR moet worden omgekeerd en verzwaard.

Hoogte aanslag

4.3.

De omkering en verzwaring van de bewijslast ontslaat de Inspecteur evenwel niet van zijn verplichting om bij het ambtshalve vaststellen van de aanslag een redelijke schatting te maken van de belaste verkrijging van belanghebbende. Het vereiste van een redelijke schatting strekt, in de context van de omkering en verzwaring van de bewijslast, ertoe te voorkomen dat een aanslag naar willekeur wordt vastgesteld. Wanneer de Inspecteur daarin slaagt, ligt het vervolgens op de weg van belanghebbende, wanneer hij de schatting betwist, daarvoor het verzwaarde (tegen)bewijs te leveren (vergelijk Hoge Raad 31 mei 2013, nrs. 11/03452 en 11/03456, ECLI:NL:HR:2013:BX7184).

4.4.

De Inspecteur heeft de aanslag gebaseerd op de aangifte erfbelasting van de zus van belanghebbende (zie 2.4). Naar het oordeel van het Hof berust de aanslag met deze onderbouwing, gelet op het feit dat de erfrechtelijke verkrijging van de zus even groot zou moeten zijn als die van belanghebbende, op een redelijke (niet willekeurige) schatting van de belaste verkrijging van belanghebbende.

4.5.

Belanghebbende heeft naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk gemaakt, laat staan overtuigend aangetoond, dat de aanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Integendeel, belanghebbende heeft ter zitting van het Hof verklaard dat hij de aanslag niet te hoog vindt. Het Hof leidt uit het dossier en het verhandelde ter zitting af dat belanghebbende het niet eens is met de wijze waarop het vermogen tijdens het leven van erflaatster is beheerd door de bewindvoerder – de zus van belanghebbende –, de waardering van de onroerende zaken (het perceel grasland) dat tot de nalatenschap behoort en de prijs waarvoor erflaatster de onroerende zaken gelegen aan de Lemel 13 en 15 te Hapert vóór haar overlijden aan de zus heeft verkocht. De stelling dat de nalatenschap hierom hoger zou moeten zijn, faalt reeds op de grond dat een indiener van een bezwaar of beroep niet in een slechtere positie mag komen dan daarvoor (verbod van reformatio in peius).

4.6.

Wat betreft hetgeen belanghebbende verder heeft aangevoerd, overweegt het Hof als volgt. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt, laat staan aangetoond, dat erflaatster de erfbelasting die hij en zijn zus waren verschuldigd over de verkrijging ten gevolge van het overlijden van hun vader, niet heeft betaald. Dit brengt mee de Inspecteur terecht een overbedelingsschuld van € 545.320 in aanmerking heeft genomen. De stelling dat belanghebbende en zijn ouders gezamenlijk minder belasting hadden moeten betalen als zijn ouders hem normaal hadden beloond voor zijn werkzaamheden in het pluimveebedrijf, leidt evenmin tot de conclusie dat de aanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Dit geldt eveneens voor de stelling dat belanghebbende geen profijt heeft van de erfenis aangezien hij veel kosten (heeft) moet(en) maken voor juridische procedures over (de omvang van) de nalatenschap.

4.7.

Belanghebbende verzoekt het Hof hem het recht te geven om de erfbelasting pas te betalen nadat hij de erfenis heeft ontvangen. Dit verzoek betreft in wezen uitstel van betaling van de erfbelastingschuld. Hiertoe is het Hof echter niet bevoegd te oordelen. De ontvanger is wel bevoegd om daarover een beslissing te nemen. Tegen een eventuele afwijzende beslissing kan administratief beroep worden ingesteld bij de directeur van de Belastingdienst. Ook heeft belanghebbende de mogelijkheid om zich rechtstreeks te wenden tot de civiele rechter.

Slotsom


Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank en verklaart zich onbevoegd te beslissen op het verzoek om uitstel van betaling van de aanslag erfbelasting.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Obbink-Reijngoud, voorzitter, mr. A.J. Kromhout en mr. B.F.A. van Huijgevoort, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.

De beslissing is op 22 oktober 2019 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. In verband daarmee is de uitspraak ondertekend door mr. Van Huijgevoort.

(E.D. Postema) (B.F.A. van Huijgevoort)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 22 oktober 2019.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH DEN HAAG.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.